Ik ben ontboden. Donderdag om tien uur precies. Nee, niet bij ons allerhoogste tribunaal, het doorluchtige College van Bestuur. Was het maar waar, dan had de ontmoeting nog enig cachet, enig niveau, enig je ne sais quoi gehad. Allure, dat is het goede woord. Het was allemaal veel prozaïscher. Of ik me wilde melden op de kamer van de hoofdredacteur, pardon –trice. Een agenda zat er niet bij, bij dat summiere telefoontje dat ze lafweg af liet handelen door de mevrouw die zich daar de beheerder noemt. Ook al weer een mevrouw trouwens. Daar hebben ze er daar veel van. Maar ja, wie ben ik, zo maar een columnistje dat afhankelijk is van de luimen van zo’n hoofdfriteuse. Dus ik ga, wat moet je anders? Door de gangen van dat oude klooster waarvan de binnenmuren door een losgelaten TBS-artiest zijn volgekladderd, langs doolhofachtige spelonken, trapje op trapje af, om duizelig te arriveren in de redactieburelen van dit blad. Vanaf heden zeg ik blaadje. Krantje. Sufferdje. Nee, ik ben niet boos, alleen maar verdrietig. De hoofdjuffrouw liet een soort van koffie aanrukken bij alweer die beheerder, pardon –ster, ze doen daar overdreven geëmancipeerd met al die mannelijke benamingen, daar zit ook een luchtje aan. En toen kwam het. Er lagen nu 27 afleveringen Boulevard en het was leuk maar het werd minder. Zei ze met iets wat op een glimlach moest lijken. “Ieder zijn smaak”, mompelde ik. Nee, het ging niet om smaak, het ging om de toon, en om fatsoen. Ik veerde op. Om wat? Fatsoen? Zat ik hier tegenover een achternicht van meneer de Bakellende? Of een schoonzus van die nieuwe fatsoensrakker, YesweCohen? Haha Albert, zei ze, heel grappig, maar je mist het punt. Mensen beginnen zich te ergeren. Je bent te persoonlijk. Zo’n College van Bestuur, dat zijn ook maar mensen. Hun ambtelijke entourage, die werken zich een slag in de rondte om…. “STOP”, riep ik, “speak no more, woman!” Ja, als de nood hoog is komt mijn Shakespeare altijd weer bovendrijven. Ze keek enigszins verstoord op. Wat zeg je Albert?
En toen heb ik het er allemaal uitgegooid. Dat ik geen leven heb op de Berg, dag in dag uit zinloze nota’s schrijven in koeterengels die nog geen week later diep in de la verdwijnen, dat ze daar tegenwoordig denken dat ze maar iedereen kunnen rondcommanderen, dat ze al moeilijk doen als ik mijn dienstrijwiel naar de reparatie breng en het bonnetje bij de baas inlever, dat het werkoverleg tegenwoordig meer op een ochtendappèl lijkt waarbij we onze weekinstructies krijgen toegeschreeuwd, en dat deze stukjes mijn enige uitlaatklep zijn, dat ik het van me af moet schrijven om niet gek te worden en dat ik daarmee de UM enorme kosten in de geestelijke gezondheidszorg bespaar. Dat ze kortom blij en trots op me moeten zijn “want, jongedame” (die hoofdsclerose is zo oud nog niet), “wie wordt er het beste gelezen in dit armzalige periodiekje? Ja wie? Ondergetekende dus. En wil-u het bewijs? Wie van jullie haalt hier ooit GeenStijlpuntNL? Niemand, alleen Albert B. dus. Jawel. Het verhaaltje over Job Cohen is nationaal bekend geraakt en sinds die tijd is die website van u, mevrouw de Obersturmzeitschriftleiter, bestormd, nee overspoeld met lezers. Welgeteld 26.792 hits, waar u er anders hooguit een paar honderd krijgt op al die zouteloze artikeltjes. Nou u weer!!!”
Ze verbleekte, stamelde een paar woorden van excuus en liet me eigenhandig uit.
Buiten scheen de zon als nooit tevoren. Zalig Pasen.
Uw roddelkont,