Drie generaties over hoe het was of is in hun tijd:
Hoogleraar filosofie en decaan van de faculteit cultuur- en maatschappijwetenschappen Rein de Wilde (56) studeerde van 1976 tot ’83 andragologie en wijsbegeerte aan de Rijksuniversiteit Groningen.
De Wilde begon als stapelaar van opleidingen. Eerst Mulo-B, toen de pedagogische academie waarvan de eerste twee jaar tot het Havo-diploma leidden, daarna een universitaire studie. “Heel goed dat dat kon, anders had ik hier nu niet gezeten.” Hij komt uit Norg, een klein dorpje in Drenthe. Zijn vader was ambtenaar, had zich opgewerkt tot hoofd van de werkplaats in de gevangenis. “Toen ik naar de academie in Groningen ging heeft hij dat grotendeels betaald, als ik me goed herinner. Na die studie ben ik gaan werken in Leeuwarden, als invaller-onderwijzer, maar ik vond dat helemaal niks en het ging me ook niet goed af.”
Hij volgde tegelijkertijd een avondopleiding voor de MO-aktes zodat hij in het middelbaar onderwijs les zou kunnen geven. Maar binnen het jaar besloot hij al terug te gaan naar Groningen, nu naar de universiteit. Met zijn achtergrond kon hij zo ongeveer alleen kiezen voor pedagogie. Daar hoorde ook andragologie bij en dat is hij in 1975 gaan doen, tot het kandidaats. Tegelijkertijd begon hij ook met wijsbegeerte, de studie waarin hij uiteindelijk in ’83 cum laude zou afstuderen. Deels op een beurs. De Wilde: “Mijn vader zei: Ik heb die eerste studie al betaald, de academie, dus die tweede moest ik zelf maar regelen. Hij tekende toen een verklaring dat hij niet wilde betalen - dan moest je geloof ik wel zeggen dat er een soort conflictsituatie was, maar feitelijk was dat niet zo – en ik vroeg toen een beurs aan, een renteloze lening, de volle mep. Dat werd minder doordat ik vervolgens altijd baantjes als student-assistent kreeg, maar helemaal zonder heb ik nooit gekund. Aan het eind van mijn studie had ik 30.000 gulden schuld. Nee, ik heb dat nooit als een drempel ervaren, ik wilde gewoon studeren en met de toekomst waren we niet bezig, ook niet met wat je zou worden.”
De uitgaven, dat was voor een kamer en voor eten. “Maar mijn moeder gaf me, als ik het weekend thuis kwam, eten mee in van die grote potten, dan had ik genoeg voor een halve week. Kleren, daar gaven we niet veel aan uit, wel weer aan roken en soms aan een fles jenever die je met vrienden in een avond opdronk. Vakanties, dan ging je liften, was ook niet duur.”
Dat hij een forse schuld had drong eigenlijk pas door na het afstuderen. “Je betaalde het geloof ik in tien jaar terug, iedere maand automatisch een bedrag. En er was op een gegeven moment een regeling dat je bij een snelle aflossing een deel niet meer hoefde te betalen. Ik denk dat ik dat toen gedaan heb.”
Hij kreeg een promotieplaats aan de universiteit, dus hij had een inkomen. In militaire dienst hoefde hij niet. Met een grijns: “Afgekeurd, op S5 [stabiliteit 5, de laagste score op een vijfpuntsschaal; het was destijds de favoriete methode om onder dienst uit te komen; red.]. Ik had een flink stuk spacecake gegeten, en hasj gemengd in een pot appelmoes. Dus erg helder was ik niet meer. Ik werd nog diezelfde middag doorverwezen naar de neuroloog om het te checken. Mij was geleerd dat je die dan vooral niet moest aankijken maar een vast punt in de kamer moest nemen om daar naar te blijven staren. Dat werkte.”
Wat vindt hij ervan als de basisbeurs nu wordt omgezet in een lening? Heeft dat gevolgen voor de toegankelijkheid van het hoger onderwijs? De Wilde: “Ach, de middenklasse, tweeverdienende ouders, die kunnen best meer betalen dan ze nu doen. En ik ben er niet zo op tegen dat je jezelf er een beetje voor in de schulden steekt. Ik vind de variant dat je terugbetaalt naar gelang het salaris dat je later verdient, niet onredelijk.”
Een basisbeurs voor iedereen, zegt hij, betekent dat je de rijken bevoordeelt. “Dat is net als met de kinderbijslag, die is ook niet inkomensafhankelijk. Dus als je ergens geld moet weghalen, dan daar.” Het argument van de studentenbonden dat met een leenstelsel minder mensen zullen gaan studeren uit angst voor de schulden in de toekomst, vindt hij niet overtuigend. “Dat is een politieke uitspraak, laat dat eerst maar eens empirisch onderzocht worden.”
Wat hem betreft kan er in het kader van de financiering van het hoger onderwijs ook gekeken worden naar een differentiatie van het collegegeld. “De ene studie is duurder dan de andere, maar de studenten betalen allemaal hetzelfde. Bij ons aan de UM bijvoorbeeld is het University College een dure opleiding. Studenten van CMW zeggen: kijk, daar hebben ze dit en dat, waarom is dat bij ons niet het geval. Nou, dat komt dus doordat we het intern subsidiëren, wij betalen mee voor de luxe bij het UCM. Terwijl we zelf ook meer service zouden willen bieden maar dat om financiële redenen niet kunnen. Laat de studenten maar meer betalen voor de duurdere studies, laat maar zien wat je er voor over hebt. Maar ja, dat mag allemaal niet, vanwege die ene student die dan wellicht niet meer komt.”
Esther Lutgens (34) studeerde geneeskunde van 1994 tot 2001. Ze is universitair hoofddocent bij onderzoekschool Carim, faculty of Health, Medicine and Life Sciences en onderzoekt de rol van het immuunsysteem bij het ontwikkelen van aderverkalking.
Hamburgers bakken, achter de kassa of tafels schoonvegen bij McDonald’s. De hamburgerketen is niet de meest gewilde werkgever onder studenten. Esther Lutgens stond er als eerstejaars een paar maanden op de loonlijst. Maar snel daarna switchte ze naar de universiteit. Ze ging een paar uur per week aan de slag in het lab van pathologie. “Ik moest coupes snijden, dunne weefselplakjes. Voor relatief weinig inspanning verdiende ik goed: zo’n 600 gulden per maand. Later mocht ik meehelpen met verschillende onderzoeken; ik heb er tijdens mijn hele studie gewerkt. Ontzettend leuk.”
Lutgens, geboren en getogen in Landgraaf, verhuisde naar Maastricht in haar eerste jaar als student geneeskunde. “Mijn kamer was zo’n 10 vierkante meter en kostte 250 gulden. Gelukkig betaalden mijn ouders de huur. Zodoende hield ik wat over om leuke dingen te doen. Hele nachten stappen waren aan mij niet besteed. Ik was een vrij milde student in dat opzicht. De basisbeurs was 425 gulden en we mochten één jaar extra studeren. Na je 27ste hoefde je niet meer te rekenen op studiefinanciering.
“De keuze om de beurs deels om te zetten naar een sociaal leenstelsel vind ik niet verkeerd. Dat geeft denk ik wel een extra stimulans om goed te studeren. Bij goede prestaties volgt meestal een goede baan en dan is een kleine studieschuld zo terugbetaald.” Toch snapt Lutgens waar de boosheid vandaan komt. “Ze schrikken. Als je achttien bent, gaat het om een heleboel geld dat je moet lenen. Ik werk, dan kijk je er anders tegenaan”
In het scenario dat er straks alleen maar rijke elite-studentjes rondlopen op de universiteiten gelooft ze niet. “De tijden zijn veranderd. Vroeger gingen inderdaad vooral mensen uit de ‘gegoede stand’ studeren; de mensen uit een ‘arbeidersmilieu’ kregen vaak veel minder kansen. Nu kan iedereen naar het gym of de universiteit. Dat wordt er al op de basisschool met de paplepel in gegoten.”
Eline Brenders (20) studeert European Law School aan de Maastrichtse rechtenfaculteit. Zij begon in 2007 aan haar studie.
Aan het einde van mijn geld, houd ik altijd een stukje maand over. Het is een van Loesjes bekende spreuken en zelfs voor een ‘verwende’ student als Eline Brenders gaat deze soms op. “Dan neem ik crackers in plaats van brood.” Toch klaagt de derdejaars student helemaal niet. “Mijn ouders betalen mijn kamer – 330 euro per maand – , boeken, collegegeld en verzekeringen. Ik leen niets bij en ik heb ook geen aanvullende beurs.” Brenders krijgt net als alle uitwonenden elke maand 266,23 euro van de Dienst Uitvoering Onderwijs, tot voor kort de IB-Groep. Daarnaast verdient ze zo’n 350 euro als student-adviseur bij het bestuur van de rechtenfaculteit. Ze rekent hardop. “Stel je voor dat je alles zelf moet betalen, dat je niet gesteund wordt door je ouders; met de stufi redt je niet eens de kamerhuur.
“De studiebeurs afschaffen? Geen goed idee. Ik begrijp dat er ingeperkt moet worden, maar om helemaal niets meer te geven en ook nog het collegegeld op te schroeven? Nee. Het is echt niet grappig om na je studietijd een schuld te hebben van zo’n 100 duizend euro. Bovendien kan ik me voorstellen dat er straks massaal voor rechten of economie wordt gekozen in de hoop een goed betaalde baan te krijgen. Dat zorgt voor concurrentie, want er zullen niet opeens meer advocaten nodig zijn.”
Zou Brenders beursloos aan haar studie zijn begonnen dan “had ik een minder leuk leven, had ik heel veel dingen niet kunnen doen. Geen hockey en misschien ook geen verenigingsleven.” De meeste euro’s geeft ze uit aan haar vereniging, Circumflex. “Ik betaal contributie, zowel aan de vereniging als aan mijn dispuut. Daarbovenop komen de borrels in de sociëteit, maar ieder ander student zal uitgaan en dit soort uitgaven hebben.”
Volgend jaar neemt ze plaats in het bestuur van Circumflex. Ze stopt als student-adviseur bij de rechtenfaculteit. “Ik werk er nu bijna twee jaar en dat is ook de maximale termijn. Ik vind het jammer, want het is leuk, leerzaam en goed betaald werk. In mijn eerste jaar in Maastricht had ik een horecabaantje en dat was harder werken voor veel minder geld. Bijna iedereen in mijn omgeving werkt trouwens, de meesten in de horeca.”
Dat Brenders een aardig salaris krijgt van de juridische faculteit betekent overigens niet dat ze a big spender is. “Ik vind dat je altijd kritisch moet zijn. Bij aanvang van een nieuw blok schaf ik niet meteen alle verplichte boeken aan. Ik kijk of ik kopieën kan maken of een exemplaar kan lenen.”
In plaats van de basisbeurs, in principe een gift, zou er straks geleend moeten worden, al dan niet ‘sociaal’. De studentenbonden protesteren al volop dat de toegankelijkheid van het hoger onderwijs dan in gevaar komt, maar helemaal nieuw is het voorgestelde stelsel nu ook weer niet. Sterker, de studiefinanciering in Nederland is begonnen met een systeem van leningen.
In 1956 werd de mogelijkheid geschapen om, als de ouders niet veel verdienden, met een renteloze lening aan de universiteit te studeren (in 1974 uitgebreid tot de hogescholen). Studenten van wie de ouders echt ‘minvermogend’ waren konden zelfs een beurs in de vorm van een gift krijgen, maar dat waren relatieve uitzonderingen.
Jo Ritzen, minister van Onderwijs van ’89 tot ‘98 en tegenwoordig voorzitter van het college van bestuur van deze universiteit, herinnert zich dat de renteloze voorschotten wel ‘voortgangsgebonden’ waren. En er bestond een mogelijkheid tot kwijtschelding bij goede prestaties.
Een rechtvaardig stelsel was het destijds niet, vindt Ritzen, “want kinderen van rijke ouders kregen relatief meer”. Het systeem zat ingewikkeld in elkaar: ouders kregen drie keer kinderbijslag voor een studerend kind, iets wat voor iedereen gold, maar ook belastingaftrek, en dat pakte gunstiger uit voor de hogere inkomens. Hoe dan ook was er een volgens velen principieel bezwaar: studenten bleven op deze manier afhankelijk van hun ouders.
In 1986 veranderde dat met de nieuwe Wet op de Studiefinanciering (WSF) van minister Wim Deetman, die in een klap een einde maakte aan de drietrapsraket van rijksstudietoelage, kinderaftrek en kinderbijslag. Voortaan kreeg iedere student een bedrag als gift, de basisbeurs, en nog een stukje lening daarbovenop. De bedoeling was dat de basisbeurs stelselmatig zou worden verhoogd om daarmee de onafhankelijkheid van de ouders echt gestalte te geven. Dat laatste voornemen is uitgedraaid op een mislukking: het was simpelweg te duur. De beweging is zelfs tegengesteld geweest: de basisbeurs, de gift dus, werd in de loop der jaren steeds kleiner, het leengedeelte groter.
Niettemin was hier sprake van “een visionaire wet van Deetman”, vindt Ritzen. “Elke student ging erop vooruit, maar Deetman kwam zo onder vuur te liggen van de studentenbeweging dat hij er niet veel later mee ophield en voorzitter van de Tweede Kamer is geworden.”
Onder zijn eigen bewind is er daarna “veel veranderd”, zegt Ritzen. Er kwam weer voortgangscontrole, want die was in ’86 weggevallen. Eerst met de tempobeurs (’92), die de student verplichtte jaarlijks 50 procent van zijn studiepunten te halen op straffe van omzetting van de gift in een lening. Dat bleek perverse effecten te hebben in die zin dat studenten makkelijke vakken gingen volgen om maar die punten binnen te halen. De prestatiebeurs (‘96) corrigeerde dat en draaide ook de gift-lening volgorde om: uitgangspunt werd nu de lening, die een gift wordt als het diploma is gehaald.
Belangrijk was ook de invoering van de OV-kaart in ’90-’91. Destijds met boegeroep door de studenten ontvangen omdat de beurs daalde met het bedrag dat de kaart kostte en het dus een sigaar uit eigen doos leek, later met hand en tand verdedigd door diezelfde studenten die elke aantasting van het OV-recht (bijvoorbeeld de invoering van een week- of weekendkaart om budgettaire redenen) weigerden te aanvaarden.
Minder tot de verbeelding sprekend maar volgens Ritzen van eminent belang was de manier waarop de studiefinanciering in de rijksbegroting werd verwerkt. “Het bedrag aan leningen voor de studenten prijkte gewoon op de begroting en kon op die manier ten prooi vallen aan bezuinigingen. Toen Wim Kok minister van Financiën was is dat veranderd: in ’93 werden de leningen als het waren geprivatiseerd, overgeheveld naar een private deelneming waardoor het leek alsof er bezuinigd werd terwijl de stufi zelf in tact bleef. De prestatiebeurs in ’96 deed hetzelfde door eerst uit te gaan van een lening en niet van een gift. Puur cosmetische operaties, maar het betekende wel dat de studiefinanciering buiten de bezuinigingen kon worden gehouden.”