“Terecht dat hij zijn hoofd boven het maaiveld uitstak”
Ja, natuurlijk hebben ze van Harry Mulisch gehoord, klinkt het in de bestuurskamer van studententoneelvereniging Alles is Drama. Het eerste boek dat wordt genoemd is Mulisch’ bestseller De aanslag. “Verplichte kost op de middelbare school. Daarna heb ik nooit meer iets van hem gelezen”, zegt de een. Een ander: “Twee vrouwen, dat is toch ook van hem? En De aanslag, Het stenen bruidsbed.” Fans zijn het niet. “Ik houd niet van zijn schrijfstijl. Ik lees liever moderne Nederlandse literatuur; Connie Palmen of Kader Abdolah.” Detail: Abdolahs roman Het huis van de moskee werd uitgeroepen als tweede beste Nederlandstalige boek aller tijden. Op nummer één stond Mulisch met De ontdekking van de hemel. Ook Marieke Mur, promovendus bij psychologie, herinnert zich De aanslag. “Dat heb ik zo’n vijf jaar terug gelezen. Ik vond het wel een goed boek, hij stipt gevoelige onderwerpen aan.” Verder heeft er geen Mulisch op haar nachtkastje gelegen. Vindt ze hem een van de beste Nederlandse schrijvers sinds de Tweede Wereldoorlog? “Uit alle reacties en aandacht die hij krijgt, blijkt wel dat hij dat was ja. Daarnaast heeft hij natuurlijk ontzettend veel boeken op zijn naam staan. Iedereen zal wel iets van hem hebben gelezen.” Dat de jonge generatie misschien niet al te veel weet van de schrijver heeft volgens haar onder meer te maken met een generatiekloof. “We zijn in tegenstelling tot onze ouders niet met zijn literatuur opgegroeid. De boeken die ik lees? Veel van niet-Nederlandse schrijvers, maar ook Maarten ’t Hart, Renate Dorrestein of Herman Koch.”
Het wordt eentonig. De aanslag en De ontdekking van de hemel worden keer op keer genoemd. Ook door Thomas Juhasz, werkzaam bij Studium Generale. Over schrijver Mulisch zegt hij: “Velen verweten hem arrogantie, maar ik heb me er nooit aan gestoord. Hij was een heel goede schrijver en in die zin was het misschien wel terecht dat hij zijn hoofd boven het maaiveld uitstak. Als schrijver ben je bijna een publiek figuur.”
Hoe bekend is zijn werk in het buitenland? Noem een taal en werken van Mulisch zijn erin vertaald: Engels, Duits, Spaans en zelfs Hebreeuws of Sloveens. De aanslag spant de kroon.
In eerste instantie rinkelt er geen belletje bij de Bulgaarse Petar Petrov, docent bij politieke wetenschappen. “The assault? Over de Tweede Wereldoorlog? Lijkt me wel interessant. Wil je zijn naam en de titel eens opschrijven?” Dan: “Ja, nu ik er nog eens over nadenk, zegt het me wel iets. Maar ik heb het boek nog nooit gelezen. Een goede tip.”
Maaike Meijer, hoogleraar genderstudies en directeur van het Maastrichtse Centrum voor Gender en Diversiteit: “De man heeft een aantal erg mooie boeken geschreven. Het stenen bruidsbed vond ik heel innovatief, en dat niet alleen in literaire zin: Mulisch vestigt hierin de aandacht op de wandaden van de geallieerden in de nadagen van de oorlog. Ook De aanslag is goed, De zaak 40/61 over het proces Eichmann vind ik een heel belangrijk werk. Ik ben nu bezig aan een essay over Twee vrouwen. Het was nogal een waagstuk om als man over een lesbische relatie te schrijven. Ik heb daar wel waardering voor al slaat Mulisch de plank ook regelmatig mis. Ik heb niets met die esoterische rimram en kitsch in bijvoorbeeld De ontdekking van de hemel. Al die mythologie en God zelf die zich overal mee bemoeit.
“De tijd van grote schrijvers is iets van het verleden. Vroeger kon je weliswaar spreken van 'de grote drie', al vind ik dat we het moeten hebben over de grote vijf: Anna Blaman en Hella Haasse horen thuis in het rijtje Mulisch, Reve en Hermans. Zij waren een moreel ijkpunt voor hun lezers en leefden in een tijd dat er nog een duidelijke scheiding was tussen hogere en lagere cultuur. In de jaren vijftig hoefde je geen hoge verkoopcijfers te halen om gewaardeerd te worden, belangrijker was dat de intellectuele elite je hoog achtte. Verkoopcijfers waren zelfs niet in je voordeel, dan was je een schrijver van het volk. Reve was de eerste die daar verandering in bracht. Nu is het bijna andersom, wie veel verkoopt, krijgt roem en waardering. Literatuur is in de greep van de markt.
“Mulisch en de Nobelprijs? Dat vind ik een non-discussie. Hij heeft natuurlijk een bijdrage geleverd aan de wereldliteratuur, veel van zijn werk is vertaald, maar de concurrentie is zo sterk. Je moet wel van heel goeden huize komen, wil je die prijs krijgen.”
Wiel Kusters, hoogleraar algemene en Nederlandse letterkunde: “Van Harry Mulisch is het adagium dat het erop aankomt, in literatuur, kunst, wetenschap, eigenlijk overal, 'het raadsel te vergroten'. Dat is een belangrijk inzicht. Niets is ooit af, alles is ongewoon. Aan die gedachte gaf hij op schitterende en veelzijdige wijze vorm met de middelen van zijn literaire verbeelding.
“Opvolgers heeft hij niet, schrijven is geen ambt. Wat ik in dit verband wel wil zeggen is dat ik het ergerlijk kortzichtig vind dat het in de media dezer dagen altijd maar weer gaat over de 'Grote Drie'. Let wel: drie mannen. Ik acht Hella S. Haasse minstens zo groot. Zij is nog onder ons.
“Van 1983 tot ongeveer 1990 had ik het genoegen met Mulisch, Abraham de Swaan en Gerard van Benthem van den Berg redacteur te zijn van De Gids, Nederlands oudste culturele tijdschrift, opgericht in 1837 door E.J. Potgieter. Toen het blad in 1987 honderdvijftig jaar bestond en dat met veel feestelijkheid werd gevierd, gaf Harry Mulisch aan tafel als zijn mening te kennen dat 'ons' blad nu onsterfelijk was geworden. Een tijdschrift dat die leeftijd heeft bereikt, kan niet meer verdwijnen - geen mens durft zo'n blad nog op te heffen.
De Gids bestaat nog steeds. Harry niet meer, behalve in zijn boeken. In dat sterrenstelsel zweeft zijn geest.
“Met één persoonlijk raadsel heeft hij mij intussen achtergelaten. Op 26 november 1983 schreef hij in een exemplaar van zijn gedichtenbundel Egyptisch: 'Voor Wiel,/ zonder wie het derde gedicht/ misschien niet bestaan had./ Harry Mulisch'.
“Ik heb hem toen niet willen vragen wat hij daarmee precies bedoelde.”
Jan de Roder, universitair docent letteren en kunst: “Iedereen zegt nu dat Harry Mulisch bovenop de tijd zat, maar eigenlijk creëerde hij een ‘tegenwerkelijkheid’. Niets is immers toeval in zijn boeken, alles heeft een betekenis en er zit – heel neo-platonistisch - altijd nog iets verscholen achter de dingen. Hij beschouwde zijn hele werk als een organisme, een lichaam dat buiten hem bestond en een eigen leven leidde. Dat is een negentiende eeuwse gedachte.
“Zijn beste boek? Door het succes van de laatste dertig jaar met De aanslag en De ontdekking van de hemel is zijn vroegere werk in de schaduw komen te staan. Ten onrechte. Ik vind Het stenen bruidsbed en De zaak 40/61 zijn allerbeste werk. Het latere Siegfried en De procedure voegen wat mij betreft weinig toe.
“Mulisch was een van de eersten die goed gebruik maakte van radio en televisie. Hij heeft zijn schrijverschap goed uitgevent. Hij gedroeg zich ook als ‘De Ultieme Schrijver’. Hij was virtuoos en had iets soevereins, zowel in zijn werk als in zijn optreden. Arnon Grünberg heeft dat ook. Maar een opvolger, nee. In het voetbal kun je zeggen dat de ene spits de ander opvolgt, maar dat kan niet in de literatuur en kunst. En wat de Nobelprijs betreft: de Australische dichter Les Murray heeft hem ook niet gekregen, Rushdie ook niet, Claus niet, Vestdijk niet. Er zijn zoveel schrijvers van hoog niveau.
“Ik heb Mulisch niet persoonlijk gekend, maar ooit schreef ik het essay Schandaal van de poëzie. Ik verwijs daarin naar de Nederlandse taalfilosoof Frits Staal. Een tijd later zat ik in Amsterdam te lunchen met Staal, die niet meer in Nederland woonde. ‘Weet jij hoe ik achter het bestaan van jouw essay ben gekomen?’, vroeg Staal. Zijn vriend Mulisch had hem erop gewezen en erbij verteld: ‘Zo zie je maar weer, je wordt toch gewaardeerd in Nederland.’”