Terwijl ik deze column schrijf, ligt er een grote stapel essays naast mij te schreeuwen om aandacht. Over een paar dagen moet er op ieder werkstuk een cijfer prijken met daarbij een paar regeltjes nuttige feedback. Ik vind het op zijn zachtst gezegd lastig. Inmiddels heb ik alle essays al eens globaal doorgelezen en heb ik dunnetjes met potlood mijn eerste indruk opgeschreven. Hoewel ik begonnen ben met lezen zonder naar de naam van de student te kijken, weet ik vaak al na de eerste pagina wie het stuk geschreven heeft. Meestal herken ik het onderwerp omdat de student dat al eerder aan me voorgelegd heeft, soms herken ik ook een Vlaamse schrijfstijl, een zinsconstructie of stopwoordjes die ook mondeling in de onderwijsgroepen terugkomen. Triomfantelijk zoek ik dan naar de naam op het titelblad om te kijken of ik gelijk heb. En vanaf dat moment is het onvermijdelijk dat ik de student voor me zie terwijl ik het essay lees. Ik stel me bijvoorbeeld voor hoe een studente met een kater achter haar computer schuift terwijl ze een huisgenoot smeekt om nieuwe koffie te halen en ik beeld me in hoe een andere student aan een opgeruimd bureau in zijn slaapkamer zit, terwijl zijn broertje beneden computerspelletjes speelt en zijn moeder het eten klaarmaakt. Van sommige studenten weet ik toevallig waar ze wonen of werken en dat neemt dan een essentiele plaats in binnen mijn fantasie: de studente komt chagrijnig thuis na een lange dag werken in een groentewinkel en begint gestrest artikelen te lezen. Ze is nog gekleed in haar ‘werkoutfit’ en iedere keer als ze vermoeid met haar mouw over haar ogen wrijft, dringen de groente-en fruitgeuren weer tot haar door. En juist die fantasie maakt het zo moeilijk om essays na te kijken. Want hoe objectief kun je blijven als je de studenten ‘kent’? Als een studente je zes keer gebeld heeft op je mobiel omdat ze zo onzeker was over haar essay? Als iemand vorige week niet in de onderwijsgroep aanwezig was omdat zijn oma overleden was? En als je gezien hebt hoe een huilende studente door een vriendin getroost werd met de woorden ‘het is een eikel, je verdient beter.’ Hoe zeker weet ik dat die kennis geen rol speelt bij de beoordeling in mijn hoofd? En dan heb ik nog het geluk dat de studenten allemaal gemotiveerd waren en dat het een leuke groep was. Want wat als er ook nog essays tussen zaten van studenten die vervelend waren tijdens de onderwijsgroepen? Van studenten die alleen maar brak aanschoven en onderuitgezakt illustraties in het blokboek inkleurden? Hoe objectief kan een tutor dan nog zijn? Die vragen komen allemaal in mij op terwijl ik de essays doorneem. Ik omcirkel d/t-fouten, maak kanttekeningen bij slecht geformuleerde zinnen of taalkundige slordigheden en maak een paar algemene opmerkingen over onderzoeksvragen, de opbouw van de tekst en het gebruik van literatuur. En dan gaat het langdurig twijfelen beginnen: geef ik een 7 of een 7,5? Ben ik te streng of niet? Moet ik een inhoudelijk goed essay afstraffen met een onvoldoende omdat het vol d/t-fouten zit? Mag ik er in de beoordeling rekening mee houden dat de studente oorspronkelijk Duits is en pas een half jaar in Nederland woont? Moet ik haar tekstuele foutjes minder zwaar laten wegen dan een slecht geformuleerde zin van een native speaker? Inmiddels stromen de mailtjes van studenten binnen met vragen over cijfers en herkansingen. Ja, het wordt hoog tijd dat ik me opnieuw door de stapel essays heen ga worstelen. Dat ik mijn zelfgemaakte lijstje met ‘objectieve’ criteria naast de teksten leg en de essays, voorzien van beargumenteerde cijfers, zo snel mogelijk in de postvakjes van de studenten leg. En tot die tijd vrees ik dat ik zelf nog net zo erg in spanning zit als de studenten die wachten op hun cijfer.