Ik zit, evenals vorige week, in de trein. Hoewel ik heel fanatiek een rapport heb meegenomen dat ik moet doorlezen, wordt mijn aandacht steeds afgeleid. In de trein is er altijd iets te zien. Ter hoogte van Utrecht komt er een jongen tegenover mij zitten. Hij ziet er bijzonder hip uit: een pistachekleurige skinny jeans, een asymmetrisch kapsel en sneaker-achtige schoenen die voorlopig nog niet zullen doordringen tot het Maastrichtse straatbeeld. Uit een modieuze bruine tas pakt hij een pakje sigaretten, een I-pod en een opschrijfboekje. Ik creëer een plaatje van zijn leven in mijn hoofd: deze jongen zit vast en zeker op de modeacademie! ‘Toffe armband,’ zegt hij tegen mij. Ik voel me vereerd. De jongen duikt opnieuw in zijn tas en tovert, volledig in het plaatje passend, een breiwerkje tevoorschijn. In sneltreinvaart begint de modeontwerper in spé te breien. Zou hij voor zichzelf breien of wordt hier een toekomstig kledingstuk voor de verkoop geproduceerd? Aangezien de kleur van de wol bijzonder goed kleurt bij de geruite binnenvoering van zijn nonchalante colbertje, concludeer ik dat hij zijn eigen garderobe aan het uitbreiden is. Er gaat iets rustgevends uit van het razendsnelle insteken, omslaan, doorhalen en af laten gaan en het kost me dan ook steeds meer moeite om me te concentreren op mijn rapport. En ach, je zit ook niet dagelijks tegenover zo’n getalenteerde modeacademiestudent. Hij staat vast op het punt om internationaal door te breken. Ineens kijkt de jongen mij recht aan. ‘Is dit tien uur?’ Ik snap hem niet. Tien uur? Vraagt hij naar de tijd? Ik kijk hem schaapachtig aan en hij herhaalt zijn vraag. ‘Is dit tien uur?’ Ik zeg hem dat het acht uur is (wie weet is het een wereldberoemde modeontwerper met een spraakgebrek, je Nederlands gaat er immers niet op vooruit als je constant in het buitenland aan je carrière werkt). Maar hij houdt, enigszins geïrriteerd, zijn breiwerkje omhoog. ‘Is dit tien uur?’ ‘Goh, moet je nog tien uur breien? Is het zo veel werk?’ Vraag ik onnozel. Nee, ook dat was niet het antwoord dat hij wilde hebben. ‘Heb je er al tien uur aan gewerkt?’ Probeer ik voorzichtig. ‘Dat vraag ik aan jou!’ Ik begin er een beetje van te blozen. ‘Sorry, ik begrijp je echt niet.’ Met een diepe zucht, spreidt de jongen het breiwerkje uit op zijn pistachekleurige broek. ‘Dit is huiswerk en ik moet de docent laten zien dat ik er tien uur aan gewerkt heb. Als jij gelooft dat dit tien uur werk is, gelooft hij het ook en heb ik weekend.’ Ik vertel hem dat ik het onmiddellijk geloof aangezien ik er zelf tien dagen over zou doen, maar dat ik niet weet hoeveel brei-ervaring hij heeft. Het is de eerste keer dat hij breit. Ongelofelijk. Wat een natuurtalent! Ik prijs de jongen de hemel in. Misschien kan ik hem vragen of hij in de korte treinreis tot Den Haag een jurkje voor me kan breien, maar hij stopt het breiwerk al demonstratief in zijn tas. ‘Wat wordt het?’ Vraag ik geïnteresseerd. ‘Niks. Gewoon huiswerk.’ Ik vind het zonde van de mooie steken en patroontjes, maar voor de Victor en Rolfen van deze wereld stelt dit wellicht niets voor. ‘We moeten onze spieren en gewrichten op deze manier soepel maken.’ Ah, natuurlijk, voor al dat schetsen, naaien en voor al die stoffen die onder de naaimachines geschoven moeten worden. Voor je het weet krijg je een soort RSI. Ik knik begripvol. ‘Volgende week ga ik namelijk voor het eerst opereren.’ Zijn woorden komen als een donderslag bij heldere hemel. ‘Opereren?’ ‘Ja, eerst op een silicone-pop en dan op echte lijken. Ik ben tweedejaars geneeskundestudent en ik wil chirurg worden.’ Ik kijk met een lichte teleurstelling naar mijn armband. Een chirurg die mij complementeert met mijn sierraad is toch anders dan een pluim van een modeontwerper. Het is toch een desillusie. Waar moet het heen met deze wereld als breiende, hippe, modieuze jongemannen chirurg worden? Ik mag hopen dat dit Talent voor plastische chirurgie kiest, dan kan hij in ieder geval nog wat mooie borstcorrecties afwerken met een vliegensvlugge ajoursteek.