Iets meer dan een jaar geleden verhuisde ik naar mijn huidige appartement. Een, al zeg ik het zelf, riant appartement op één van de mooiste plekjes van Maastricht. Hoewel de huisbaas gezorgd had voor een geheel nieuwe badkamer en keuken, moest er het nodige aan het huisje gebeuren. Er hingen TL-lampen aan het plafond, op de vloer lagen kartonnen platen en alle deuren en kozijnen waren in een lelijke kleur grijs geschilderd. De verklaring voor de staat waarin de woning zich bevond? Het gebouw had een tijd leeg gestaan en daarvoor hadden er jarenlang kantoren in gezeten. En niet zo maar kantoren, maar kantoren van de Universiteit Maastricht. En om heel specifiek te zijn: het kantoor van Observant. Wat is de wereld toch klein.
Sinds een jaar woon ik dus in het voormalige Observantkantoor. Op de verdieping onder mij bevindt zich een identiek appartement dat bewoond wordt door een vriendin van me en samen delen we bovendien een stadstuintje achter het huis. Ideaal dus. In de weekenden vormt mijn vriend een derde huisgenoot, maar van maandag tot en met vrijdag zijn mijn onderbuurvrouw en ik alleen in het grote pand. Hoewel ik niet echt bang aangelegd ben (behalve dan voor muizen) heeft het huis heel af en toe toch iets beangstigends. Het is een oud huis uit de jaren ’30 van de vorige eeuw, alles kraakt en tocht, er is een enorme kelder en op de verdieping boven mij is een koude, donkere, leegstaande zolder. Kortom: er klinken altijd vreemde geluiden en overal zijn plekjes te vinden waar iets of iemand zich moeiteloos kan verstoppen. Wellicht kun je je dan ook voorstellen dat ik afgelopen week rechtovereind in bed zat toen ik ’s nachts wakker schrok van drie hele harde knallen. Misschien is het woord ‘knallen’ niet helemaal goed gekozen, het kan beter omschreven worden als gebonk. Het is altijd moeilijk om een geluid thuis te brengen als het je wekt uit een heel diep remslaapje, maar het feit dat ik fikse hartkloppingen had en het hele huis eventjes trilde, deed vermoeden dat er geen sprake was geweest van een zacht plofje. Op dat moment ging mijn telefoon. De onderbuurvrouw. “Hoorde jij dat ook?” Er klonk een lichte paniek in haar stem. “Ja, wat kan dat geweest zijn? Zullen we een kleine huisinspectie houden?” Mijn onderbuurvrouw was niet zo enthousiast over mijn voorstel: als er iemand door het trappenhuis spookte, konden we immers beter in ons appartement blijven. Daar had ze een punt, maar ik had nog niet aan de optie gedacht dat er iemand in huis kon zijn. Wel waren mijn gedachten uitgegaan naar exploderende verwarmingsketels, ontploffende boilers, muizen en, het meest angstaanjagend, geesten. Toevallig had ik namelijk die avond een verhaal gehoord over een echtpaar dat steeds achtervolgd werd door een geest. De geest wekte de man en de vrouw regelmatig met een harde knal. En hoewel ik eigenlijk niet in geesten geloof, was de optie zo diep in de nacht ineens heel reëel. Het idee van een vreemde man in ons trappenhuis was prompt niet zo eng meer en al bellend met mijn onderbuurvrouw besloot ik op onderzoek uit te gaan. Ik zette mijn bril op, trok een kikkergroene badjas aan en stak mijn voeten in wollen sokjes. Een korte blik in de spiegel stelde me gerust: waarschijnlijk zou iedere man, vrouw, muis en wellicht zelfs geest rechtsomkeert maken zodra ik in deze outfit verscheen. Een verdieping lager trof ik mijn onderbuurvrouw in soortgelijke kleding aan en samen slopen we de trap af. Bij ieder geluid slaakten we een angstig gilletje, gevolgd door een zenuwachtig gegiechel. Bibberend inspecteerden we de gangkasten, balkons en appartementen. Alleen de zolder en kelder sloegen we over; daar gaan we immers overdag al niet graag op onderzoek uit. Uiteraard vonden we niks noemenswaardigs en binnen de kortste keren lagen we allebei weer veilig in ons bed. Helemaal gerustgesteld ben ik echter nog steeds niet. Als we een vreemde man in de gangkast hadden aangetroffen, was ik waarschijnlijk in shocktoestand naar het ziekenhuis afgevoerd, maar dan hadden we wél geweten waar die klappen vandaan kwamen. En zo lang er nog geen verklaring gegeven is, spookt dat vreemde geestenverhaal toch nog ergens rond in mijn hoofd. Wat als de enige verklaring voor het nachtelijke gebonk in het bovennatuurlijke te vinden is? Nou ja, dan is er in ieder geval nog één kleine geruststelling: heel misschien is het dan gewoon het spook van de Observant.