Ik háát muizen (graag uitspreken op de ‘ik haat smurfen-Gargameltoon’) Wellicht is deze haat ontstaan door een jeugdtrauma waar ik mijn moeder graag verantwoordelijk voor houd. Ik herinner me dat ik als klein meisje door mijn moeder gedwongen werd om ‘snowboots’ te passen die ze in een muffige doos op zolder had gevonden. Uiteraard protesteerde ik (terecht als je oude paarse snowboots aan moet) en ging het aantrekken van de laars gepaard met veel geklaag. ‘Er zit iets in’ jammerde ik. Mijn moeder duwde mijn voet geïrriteerd in de laars. ‘Niet zeuren, aandoen.’ Ik liet de voet langzaam zakken, wat zat er in? Een sok? Er staken ook vier scherpe dingetjes in mijn voetzool. Ik trapte de snowboot uit en liep mekkerend de kamer uit. Twee seconden later hoorde ik mijn moeder gillen. De opgerolde sok bleek een dode muis te zijn en de vier scherpe puntjes tegen mijn voetzool waren veroorzaakt door de pootjes. Iék! Mijn muizentrauma werd een paar jaar geleden uitgebreid toen ik hoorde dat er in het studentenhuis van een vriendin wekenlang een dode muis in de waterkoker had gelegen. Alle huisgenoten hadden de waterkoker steeds bijgevuld via het schenktuitje in plaats van het dekseltje op te tillen en op een dag troffen ze een muisje in verre staat van ontbinding in het apparaat aan. Iék! Mijn trauma kwam echter tot een hoogtepunt toen ik vorig jaar wakker werd van gekraak. In de keuken ontdekte ik vervolgens een zak bolognesechips die enthousiast heen en weer bewoog. Compleet in paniek belde ik vrienden, maar zelfs troostende woorden als ‘Ah Pie, zo’n schattig veldmuisje. Denk aan de poetsende en zingende muisjes uit Assepoester’ hielpen niet. Want door het fanatisme waarmee die chipszak heen en weer bewoog, geloofde ik niet dat dit een lief veldmuisje was. Bovendien hoorde ik ook geen zacht gezang, laat staan dat de muis zou poetsten. Mijn moeder, zich wellicht nog altijd schuldig voelend over het snowbootdrama, zag de nood van de situatie in en stuurde mijn vader onmiddellijk naar het verre Maastricht met zes muizenvallen en zakken vol spannende materiaaltjes om gaten te dichten en verdere muizigheden uit te sluiten. De nieuwe muisgenoot bleef echter weken in mijn kamer. Iedereen begon te twijfelen aan zijn bestaan, want als er echt een muis zat, had hij toch al lang in de val gezeten? Mijn vriend bereidde steeds lekkere verse kaasblokjes en stukjes witbrood met pindakaas voor het beest, maar de muis was eenkennig en gemeen en liet zich alleen horen als iedereen weg was. Iedere keer als ik thuiskwam, maakte ik een controlerondje langs alle vallen in de kamer en na twee maanden veranderde er eindelijk iets in de muizenvalopstelling. Eén val lag ondersteboven. Het was zover. Het monster was gevangen. Hoewel ik de muis nooit heb gezien (ik heb keurig buiten gewacht tot mijn vriend op commando langskwam) heb ik uit betrouwbare bron vernomen dat het niet om een schattig veldmuisje ging. Het was volgens mijn vriend ‘een flinke stadsmuis met een hangbuik en een soort out-of-bed-effect in zijn vacht. Alsof hij net met een handdoek afgedroogd was.’ Iék! De reden dat ik nu, bijna een jaar later deze weblog schrijf? Omdat ik zojuist op mijn kantoor aankom en een pak koekjes, dat gisteren zeer zeker nog dicht was, open geknaagd aantref. Oh, wat hoop ik dat mijn collega zich niet heeft kunnen bedwingen en de lekkere bokkenpootjes dwars door het plastic aangevallen heeft.