Het zal prof. Pim Martens allerminst verbazen als er nog meer ‘fouten’ opduiken in de VN-rapporten van het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change). Niet omdat die rapporten aan elkaar hangen van slordigheden maar omdat de jacht nu definitief is geopend, zegt hij. The Guardian heeft vorige week op grond van de Engelse variant van de Wet Openbaarheid van Bestuur tweeduizend e-mails tegen het licht gehouden, dezelfde die hackers een paar maanden eerder uit het onderzoekscentrum van de University of East Anglia hadden geript.
En ja, The Guardian had beet: het IPCC onderschrijft conclusies – over de invloed van de verstedelijking op het broeikaseffect - die gebaseerd zijn op data van Chinese weerstations waarvan niemand weet waar ze liggen. Sterker: niemand weet of ze überhaupt bestaan. Eerder bleek de tekst over de gletsjers in de Himalaya klakkeloos overgenomen uit een rapport van het Wereld Natuur Fonds, en uitspraken over het smeltende ijs in onder meer de Andes stoelden op een artikel uit een bergbeklimmersblad en een masterscriptie.
Een en ander is des te kwalijker omdat de rapporten, die om de zes jaar verschijnen, niet in een la verdwijnen maar de pijlers vormen voor het milieubeleid van nationale overheden. Daarom zijn politici, met minister Cramer voorop, om de haverklap woedend. Dat is enigszins hypocriet, vindt Martens. “De politiek is nauw betrokken bij het de totstandkoming van de rapporten. De eerste versie wordt met de regeringen besproken, die bovendien medeverantwoordelijk zijn voor de keuze van de auteurs.”
De minister wil “blind kunnen varen op het IPCC” maar dat is niet realistisch, zegt Martens. “Waar honderden wetenschappers werken aan een inventarisatie van duizenden pagina’s, daar worden fouten gemaakt. Dat kan niet anders. Maar er is hier geen sprake van een fout rapport.”
Hoe betrouwbaar zijn die publicaties dan?
Martens is sinds begin jaren negentig lid van het IPCC, samen met zo’n drieduizend andere wetenschappers. Hij heeft als lead author meegewerkt aan het tweede en het derde rapport. En treedt de laatste jaren op als review editor. Blunders is hij nooit tegengekomen, zegt hij. “De hoofdstukken worden door meer dan één reviewer bekeken, tot op woordniveau. De rapporten zijn net zo betrouwbaar als elke wetenschappelijke publicatie. IPCC-medewerkers zijn, op een enkeling na misschien, integere onderzoekers die er ook nog eens hun vrije tijd voor opofferen.”
Martens wil de onjuistheden niet goedpraten maar benadrukt wel dat ze louter betrekking hebben op ‘punten en komma’s’. “Het zijn niet meer dan regionale details die de hoofdconclusies niet aantasten. En wat die bergbeklimmers betreft, hun mening is natuurlijk relevant. Net zoals de opvattingen van lokale boeren ertoe doen; het zijn ervaringen uit de eerste hand. Al moet je ze wel goed scheiden van de wetenschappelijke bijdragen.”
Het onderliggende probleem met klimaatonderzoek is volgens Martens dat het zich niet louter op het wetenschappelijke vlak afspeelt maar in een grijs gebied. “We hebben het hier niet over fundamenteel onderzoek waar één waarheid uitrolt. We proberen met behulp van zoveel mogelijk relevante data, dus ook van boeren en bergbeklimmers, een beeld te schetsen van de toekomst. En dat is per definitie een onzekere onderneming. Helemaal omdat er belangen meewegen, van milieuorganisaties, het bedrijfsleven, overheden.”
Het IPCC, dat in 2007 samen met Al Gore de Nobelprijs voor de Vrede ontving, gold lang als de autoriteit als het gaat om het broeikaseffect. “De rapporten, die een overzicht bieden van al het klimaatonderzoek in een bepaalde periode, stonden bekend als state of the art. De imagoschade is groot. Pachauri, het hoofd van het IPCC, schijnt in eerste instantie alles te hebben ontkend. Erg knullig. In dit soort situaties moet je open kaart spelen.”
Zelf heeft Martens, die de gister gepubliceerde open brief van Nederlandse klimaatonderzoekers mede heeft ondertekend (zie beneden), nog geen last gehad van de negatieve publiciteit. Of het moet die keer zijn geweest dat een kennis hem in de bibliotheek erop attent maakte dat hij “toch ook bij die club hoorde die zo negatief in het nieuws was”. Ook het Maastrichtse onderzoekscentrum ICIS, waarvan Martens directeur is, lijdt er niet onder. “Het instituut houdt zich niet zozeer bezig met klimaatverandering maar meer met de gevolgen daarvan, voor de gezondheid bijvoorbeeld, en berekent welke scenario’s tot de mogelijkheden behoren.”
Het gaat zelfs goed met ICIS, zegt Martens. Twaalf jaar geleden was er één hoogleraar in dienst, nu vier. De groeiende belangstelling voor het klimaatprobleem heeft het instituut geen windeieren gelegd, al kleeft daaraan ook een schaduwkant. “Eind jaren negentig, toen wij hier begonnen, was het een stuk makkelijker om geld binnen te halen. De concurrentie is enorm toegenomen. Veel milieukundige centra hebben hun geitenwollensokken-imago afgelegd en doen tegenwoordig ook aan duurzaamheid. Als je subsidie-aanvraag vroeger een score van veertien kreeg van reviewers, dan zat je goed. Vorig jaar is een aanvraag van ons afgewezen met dezelfde score. We waren niet de enigen met veertien.”