Vanochtend net teruggekeerd van een week in de USofA, mijn tweede thuisland. De meeste Nederlanders kijken naar me met een blik die enig ongeloof verraadt, als ik zeg dat ik me daar 'thuis' voel. Stereotypen over Amerika in overvloed. Amerikanen zijn oppervlakkig, ze zeggen 'how are you?', maar zijn niet geïnteresseerd in het antwoord. Amerikanen eten ongezond, zijn veel te dik en pakken zelfs voor de kortste afstanden de auto. Amerikanen zijn rechts, overdreven godsdienstig en 80 procent van hen gelooft in intelligent design in plaats van in Darwins evolutieleer. Stereotypen zijn hardnekkig, vooral als een mens niet blootgesteld wordt aan informatie die in strijd is met het stereotype. Maar het omgekeerde is ook waar: bij langere exposure aan de niet-stereotype exemplaren, wordt het steeds moeilijker de eigen vooroordelen vol te houden. Misschien een remedie voor onze verwilderde autochtonen hier te lande? Neem als experimentele conditie een niet-westerse allochtone werkster, kapster of schoonheidspecialiste. ‘Mere exposure effect geneest collectieve paranoia’. Zou een aardige titel zijn voor de wetenschappelijke publicatie over het onderzoek.
Terug naar de States. Als zeventienjarige bakvis ging ik in 1978 een jaar studeren aan een college in North Carolina, een van de dertien staten die zich in 1776 onafhankelijk verklaarden van het Britse rijk. In de woorden van Thomas Jefferson en de andere Founding Fathers: ‘We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal, that they are endowed by their Creator with certain unalienable Rights, that among these are Life, Liberty and the pursuit of Happiness’. Paradoxaal genoeg was diezelfde Jefferson ook slavenhouder, en werd de slavernij pas afgeschaft na nog bijna een eeuw en een bloedige burgeroorlog in 1865. Daarna was nog de burgerrechtenbeweging van de jaren ’60 nodig om de segregatie af te schaffen en de maatschappelijke achterstanden van zwarte Amerikanen terug te dringen. Nu terugkijkend op mijn studiejaar toen, in een staat die traditioneel behoort tot het conservatieve Zuiden, vind ik het opmerkelijk hoe groot toen al (zo kort na de 60-er jaren) het percentage studenten van Afrikaans-Amerikaanse afkomst was. Die snelheid waarmee veranderingen doorgevoerd worden, die ‘can do’ mentaliteit, dat typeert Amerika. Terwijl President Obama zijn Recovery Act een paar maanden na zijn aantreden al succesvol door het Congres had geloodst, studeert ons parlement na vele maanden nog steeds op de ingediende Crisis- en Herstelwet. De stimuleringsmaatregelen uit die wet zijn straks natuurlijk volledig achterhaald.
De val van het vierde kabinet Balkenende heeft de open wond van het gebrek aan vertrouwen in de Nederlandse politiek weer pijnlijk opengereten. Dat wantrouwen betreft niet louter de poppetjes, maar richt zich ook op ons politieke systeem. Een gesloten bolwerk, waarin een politieke elite elkaar de bal toespeelt. Je komt hogerop als je braaf aan de leiband van je partij loopt, meestal niet omdat je onafhankelijke en briljante ideeën hebt. Leden van het Amerikaanse Congres worden iedere twee jaar persoonlijk en rechtstreeks gekozen, de president met wat langere termijnen idem dito, enz. Misschien tijd voor een Nederlandse versie daarvan? Om de verwildering te stoppen.