Het rapport Veerman is een buitenkans en biedt de gewenste shot adrenaline voor de verdere ontwikkeling van het Nederlandse hoger onderwijs. Er staat heel veel bruikbaars in, mits er op een verstandige manier mee wordt omgegaan en wordt uitgewerkt. Het gevaar is levensgroot dat het rapport wordt gebruikt voor structuurveranderingen zonder dat de onderliggende dynamiek wordt aangepakt, terwijl het juist daarom zou moeten gaan: een dynamiek van differentiatie tot stand te brengen die recht doet aan verschillen in talenten en belangstelling van studenten aan de ene kant, en aan de andere kant de verschillen in de vraag naar kwaliteiten in de samenleving.
In de afgelopen decennia hebben we juist te maken gehad met een cultuur van ongedaan maken van mogelijke verschillen en een afbreuk aan differentiatie. Nog steeds zitten we in die periode, waardoor voor de structuurveranderingen die Veerman voorstelt nog geen fundament bestaat. Dat fundament zou moeten zitten in een differentiatie in de financiering met het onderschrijven dat “relatief goede prestaties op de dimensies die corresponderen met de door de instelling gekozen missie worden beloond” (blz. 39).
En waar staan we nu? In een bekostigingsdiscussie die al decennia woedt waarbij de bekostiging van alle instellingen (HBO en WO gelijk) op exact dezelfde wijze vorm dreigt te krijgen. In de bestaande bekostiging zitten diploma-elementen die inmiddels ook door andere landen worden ingevoerd. Maar in Nederland is het voornemen dit terug te schroeven omdat het HBO het met diplomafinanciering moeilijk heeft. De commissie had er goed aan gedaan om veel duidelijker vast te stellen dat de cultuur van alles onder één deken in feite het probleem is voor de toekomstige ontwikkeling van het Nederlandse onderwijs en dat daar een einde aan moet komen. Anders gaan de goede voornemens van de commissie voor meer selectieve en missiegerichte universiteiten en meer differentiatie binnen het HBO tussen de HBO+graad en de associate degree toch verloren.
Of alle voorstellen van de commissie Veerman zo wijs zijn, waag ik te betwijfelen. Zo is het nieuwe arrangement voor de masteropleidingen met een zoals het heet “zorgvuldige uitbreiding van bekostigde masters” (ik zie nog graag een rapport waarin voorstellen voor onzorgvuldige maatregelen worden gedaan tegemoet) die bij het HBO worden gelegd, niet goed te rijmen met de differentiatie en dynamiek van HBO en WO. Alsof professionele masters niet een sterke onderzoeksachtergrond zouden moeten hebben die binnen het WO als vanzelfsprekend bestaat. Waarom de bepleite uitbreiding van het aantal masterstudenten niet bij het WO gelegd, ten dele ter compensatie voor de krimp die men in de bachelor zal willen ondergaan om meer selectief te worden? De Nederlandse politiek wordt hiermee met een onmogelijke opgave opgezadeld, waarbij het al lastig zal zijn om de grote selectiviteit van de universiteiten vorm te geven zonder krimp die leidt tot de interne chaos van gedwongen ontslagen en de daaropvolgende spiraal naar beneden.
Er zijn twee hot items die ik mis: de internationale concurrentie voor de beste studenten, waar we als Nederland zeker een koers uit te zetten hebben en waar we nu nog geen slag in een pakje boter hebben gemaakt en breder: de noodzaak om ons talent goed voor te bereiden op een internationale arbeidsmarkt, waarbij het helpt als je in je studie al “geïnternationaliseerd” bent.
Het komende kabinet mag hier zijn tanden in zetten. Heel belangrijk is de onderschrijving in dit rapport van de boodschap dat het Nederlandse hoger onderwijs een sleutel is tot een succesvolle toekomst en, nog belangrijker, om Jan Salie achter ons te laten.