Af en toe glipt er tijdens het interview een Duits woord tussendoor. Weichei zegt Sabine Imdahl als Clemens Blettgen het Nederlandse woord ‘watje’ niet blijkt te kennen. Mannweiber verklaart Blettgen even later als hij de juiste term zoekt voor de vroegere Oost-Duitse sportvrouwen die stijf stonden van de hormonen. De toon van het gesprek is dan al gezet. De rugbyvrouw en de lacrosseman – allebei van Duitse afkomst - zijn aan elkaar gewaagd.
Ooit rugby gespeeld?
Blettgen: “Nee, maar ik heb wel aan American football gedaan, dat lijkt erop.”
Imdahl reageert meteen: “Dat zijn mannen die hun broeken en shirts volgestopt hebben met allerlei bescherming. Ze springen allemaal op elkaar en het lijkt alsof ze geen techniek hebben. Rugby is heel anders.”
Blettgen: “Ze hebben echt wel techniek en de regels zijn gecompliceerder dan je denkt. Lacrosse is ook een harde sport, net als rugby.”
Imdahl, gespeeld verontwaardigd: “Wij hebben full body contact. Onze enige bescherming is een bitje voor de tanden.” Ze lacht, alle tanden staan nog keurig naast elkaar. “Jullie hebben grote handschoenen, elleboogbeschermers, helmen. De meest belangrijke lichaamsdelen zijn beschermd.”
Blettgen: “Tien weken geleden brak ik mijn sleutelbeen door een klap van een stick. Wij raken elkaar met de sticks, dat is pijnlijk, we delen bodychecks uit, tacklen. Lacrosse is de snelste sport op twee voeten.”
Imdahl: “Wij tacklen onbeschermd. Ik vind lacrosse een sport voor watjes.”
Blettgen: “Hè? Wat?”
Imdahl, brede lach: “Voor een Weichei.” Blettgen grinnikt.
Het vrouwenrugbyteam heeft een bloemennaam, dat is toch veel te lieflijk! Het is toch meer een sport voor stevige dames die doordouwen?
Imdahl: “Wij zijn ook lieflijk. We zijn gewoon meisjes die heel vrouwelijk zijn. Maar tegelijkertijd zijn we ook stoer.”
Blettgen: “Zij kunnen wel girly zijn, maar hun sport is niet girly. Ik vind het meer iets voor Mannweiber.”
Imdahl: “Heb jij ooit een vrouwenrugbyteam gezien?”
Blettgen: “Ja, in Groot-Brittannië.”
Imdahl: “Je kunt aan het uiterlijk bij ons niet zien dat wij aan rugby doen.”
Wat is dan een passende sport voor vrouwen?
Blettgen: “Volleybal of cheer leading.”
Imdahl, meteen er bovenop: “Dat is echt een cliché. Wat een Barby-sport.”
Dat klinkt allemaal erg conservatief. Hoe rijm je dat met lacrosse, toch een harde sport voor mannen én vrouwen.
Blettgen: “Onze dames mogen in tegenstelling tot de mannen elkaar niet slaan. Ze hebben geen helmen, geen handschoenen, alleen een mondbescherming. In Duitsland en Nederland mogen lacrossevrouwen geen lichaamscontact hebben.
Imdahl: “Klinkt als korfbal.”
Wat eten jullie voor de wedstrijd? Of krijg je geen hap door de keel?
Imdahl: “Wat er in de koelkast staat. Een uur voor de wedstrijd eet ik niets meer, dat is niet gezond.”
Blettgen: “Net ervoor eten wij ook niets. Maar de avond vooraf gaan we naar Gaucho’s op het Vrijthof en dan eten we zoveel spareribs als we op kunnen.”
Imdahl: “Is meer gewicht dan zo’n groot voordeel?”
Blettgen, een flinke man: “De zwaarderen staan steviger, vallen minder snel om.”
Imdahl, slank en niet lang: “Maar ze zijn ook trager.”
Blettgen: “Je moet het evenwicht zoeken, het is hetzelfde als bij rugby.”
Imdahl: “Rugby is op de eerste plaats techniek.”
Blettgen: “Als een man van 65 kilo tegen een van honderd kilo aanloopt dan verliest die. Techniek helpt dan niet. Maar wij willen niet alleen groot en breed zijn, we hebben ook veel techniek nodig.”
Ontstaan er veel stelletjes tussen mannen en vrouwen rugbyers?
Imdahl: “Op dit moment heeft bij ons niemand verkering met een Maraboe.”
Blettgen: “Ik denk dat er bij ons nu drie stelletjes zijn, maar dat verandert steeds. Als het uit raakt spelen ze gewoon door.”
Laatste woord?
Imdahl: “We willen heel graag nieuwe leden. Kom een keer meetrainen.”
Blettgen: “Wij willen ook nieuwe leden. We zijn echt geen elitaire sport. Het klopt dat we veel Duitse leden hebben, maar we willen graag een mix van nationaliteiten.”