Ik moet het vandaag over verschillende zaken met u hebben. Om te beginnen dat we hier toch wel een hartverwarmend stel bestuurders en directeuren en wat voor hotemetoten dan ook hebben. Het betreft het WK. Waar in het bedrijfsleven de managers over elkaar heen buitelen met verklaringen dat het personeel natúúrlijk maandagmiddag naar de eerste match van Holland mag kijken maar dan wel in zijn eigen tijd, verlof opnemen dus, kregen wij hier op de Berg een gezellig briefje van Antoinette en Wendy (dat klinkt naar ‘voor al uw relaxmomenten’ maar echt, daar zijn de dames niet van) met de uitnodiging om met z’n allen in de aula te komen kijken. Dit omdat we daarmee onze onderlinge verbondenheid konden vergroten. En de directie stemde er van harte mee in, schreven ze nog. Nou, ik was dus van de partij en inderdaad, mijn onderlinge verbondenheid is aanzienlijk gestegen: oranje ballonnen langs het podium gedrapeerd, een Nederlandse vlag onder het scherm, kleine vlaggetjes bij het balkon, hier en daar een in oranje getooide collega-ambtenaar, kortom, wie er ook verantwoordelijk zou zijn voor een slechte uitslag, wij niet. Wel werd node ons College van Bestuur gemist, tenminste, ik heb ze niet gezien, en een beetje onderlinge verbondenheid zou toch ook voor hen niet verkeerd zijn lijkt me zo. Of waren ze in het buitenland? Dan neem ik ze niets kwalijk natuurlijk.
Dat brengt me meteen op een verwant onderwerp: onze Duitsers. Die zijn dus ook in het buitenland, ons land namelijk. En in tijden van oorlog, cholera en voetbal beland je dan licht in een loyaliteitsconflict. Want stel je voor, er is een WK, op straat hangt een oranje gloed waarvan je weet dat die kan omslaan in een waas voor de ogen van de supporters zodra straks Nederland tegen Duitsland aantreedt. Niet bij de studenten, voor hen was 1974 iets tussen Napoleon en Obama in, maar hoed u voor het oudere deel van het legioen. Een omineuze aanduiding, legioen, en dat is niet voor niets. Nou ken ik wat Duitsers hier, bijvoorbeeld de twee decanen die ik wel eens sprekend heb opgevoerd met een schromelijk overdreven accent (jammerschade, liebe Bernadette und Martin!), en dan praten we als het zo uitkomt over voetbal en voor wie ze nou zijn. Het antwoord is steevast diplomatiek, Herr Martin Paul is voor oranje als oranje speelt en voor de Mannschaft als Duitsland aan zet is, Frau Bernadette Jansma (met een Fries getrouwd? toch eens navragen) kijkt vooral naar de spelers met de mooiste benen. Maar op de hamvraag: wat doe je als het gaat om een potje Ned-Dui?, tja, dan drehen ze rond de heisse brei. Logisch natuurlijk, we nemen ze niets kwalijk, integendeel, we zullen ze in bescherming moeten nemen nu de politieke wind zo guur is geworden. Want een loyaliteitsconflict, dat is nou net wat je tegenwoordig niet moet hebben in PVV-country. Laten we wel wezen, onze stad staat in Wildersland, onze provincie is Wildersprovincie, er is geen ontkomen meer aan. Die willen toch Albayrak en Aboutaleb en wie al niet naar huis sturen, huis zijnde Verweggistan, omdat ze een dubbel paspoort hebben? Paul en Jansma en al die Duitse studenten hebben er waarschijnlijk maar eentje, dat van de vreemdeling. En na de verkiezingen kunnen ze achter elke pilaar een PVV-aanhanger vermoeden. Ook aan deze universiteit, dat kan statistisch niet anders. Dus wat gaan onze Germaanse vrienden doen? Zich aanpassen, met de schrik om het hart. Die willen niet opvallen. Ze kopen malle oranje hoedjes, Bernadette tooit zich in een nauwsluitend Bavaria-jurkje, Martin toetert op een ING-vuvuzela, in de kroeg brullen ze uit volle borst mee. Dus als u straks “Hoep Holland Hoep” hoort, doe dan net of het zo hoort. Roept u ook maar “Hoep Holland Hoep”. Dan voelen ze zich toch nog een beetje thuis.
Uw roddelkont,