Het was pas deze week dat het college van bestuur het vertrek van de dean wereldkundig maakte, maar het besluit viel al in juli, zegt De Gijsel. Het verschil van mening betreft de wijze en het tijdstip waarop de School straks haar financiële verplichtingen aan de UM moet voldoen. De Gijsel: “De School heeft in de eerste jaren leningen van de UM gekregen die op termijn terugbetaald moeten worden, dat is duidelijk. Maar je brengt de levensvatbaarheid in gevaar als je nog meer moet bezuinigen dan we nu al doen. Dat wil het college en dat kan ik niet voor mijn rekening nemen.”
De School of Governance werd in 2004 als interdisciplinair UM-instituut opgericht met het doel ‘good governance’ in de wereld te bevorderen door academische programma’s aan te bieden op het gebied van beleids- en bestuurswetenschappen. In de jaren die volgden groeide de School maar nam tegelijkertijd de kritiek op het financiële beleid van directeur prof. Chris de Neubourg toe: er zou geld over de balk gesmeten worden. Oplopende miljoenentekorten brachten het college van bestuur ertoe eind 2008 de leiding van de School opzij te zetten en een interim-manager te benoemen die een eventuele doorstart moest voorbereiden. Het college koos niet voor opheffing van de School, iets waar hier en daar binnen de UM wel voor gepleit werd. Vervolgens werd De Gijsel aangetrokken om de School weer financieel gezond te maken via een stevig besparingsprogramma. Te stevig, zegt hij nu: “Het ging om veel hogere bezuinigingen dan nodig was, maar ik ben er wel mee akkoord gegaan. Maar nóg meer, dat kan niet.” Het college wilde niet alleen een sluitende begroting maar ook dat zo snel mogelijk begonnen werd met het afbetalen van de leningen – de schuld bedraagt zo’n 8 miljoen -, iets waar De Gijsel zich hevig tegen verzette. Om zijn strategische programma uit te kunnen voeren en de School van 80 naar zo’n 150 masterstudenten per jaar te laten groeien, een doel waar het college zich achter heeft geschaard, zijn investeringen nodig in nieuwe stafleden, oordeelde hij. Het geld daarvoor hoopte hij uit de opbrengst van de promotiepremies te halen die de komende jaren binnen zullen komen. Waren er eenmaal overschotten, iets wat in 2016 het geval kan zijn, dan was De Gijsel bereid om die in te zetten voor de afbetaling, zij het op die manier dat jaarlijks de helft van die overschotten bij de School kon blijven ten behoeve van verdere investeringen. Het college legde hem echter een ‘inspanningsverplichting’ op (rector Gerard Mols: “Geen resultaatverplichting dus”) om vanaf 2016 een kwart miljoen per jaar af te lossen, overschotten of niet. Een deel van de schuld zou bovendien kwijtgescholden worden. De Gijsel: “Dat is inderdaad clement, maar ik vind niet dat je van de School na deze zeer zware periode kunt vragen om nog meer te bezuinigen. Ik zal dat in ieder geval niet doen, en dan moet je aftreden vind ik.”
Rector Mols: “Wij zijn hem buitengewoon tegemoet gekomen maar als hij zegt dat hij het niet voor zijn verantwoordelijkheid kan nemen, tja, dan ben je bij mij klaar, dan scheiden onze wegen. We zoeken nu een opvolger.”
Als er iemand niet rouwig is om het vertrek van De Gijsel als dean bij de School of Governance is het wel prof. Louis Boon, decaan van de Faculty of Humanities and Sciences, de faculteit waar de School onder ressorteert. Afgelopen april gaf Boon er de brui aan: de verhouding met De Gijsel was zo slecht dat hij de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor Governance niet langer wilde dragen. Daarop stelde het college van bestuur oud FHML-decaan Harry Hillen aan als ‘gedelegeerd commissaris’ om de honneurs verder waar te nemen.
Waarom hield Boon ermee op? “Omdat het niet eenvoudig was om financieel en inhoudelijk greep op de School te krijgen. Krachtig optreden ging niet, anders had ik het wel gedaan. En toen De Gijsel achter mijn rug om een faculteitsraadsvergadering belegde om een bepaalde benoeming sneller te regelen, was voor mij de maat vol.”
De Gijsel zucht aan de telefoon: “Moet ik wat Boon zegt nu allemaal gaan weerspreken? Ik deed niets achter zijn rug, de voorzitter van de raad had hiertoe besloten, niet ik.”
De meningsverschillen tussen beide heren dateren van het allereerste begin. Waar Boon de vorige dean Chris de Neubourg verantwoordelijk hield voor het financiële wanbeleid en hem geheel op een zijspoor had willen zetten, steunde De Gijsel het plan van het college om De Neubourg voor de School te behouden, wat hem betrof als academic director. Dat laatste gebeurde. Toen vervolgens het college een persbericht verstuurde waarin de komst van De Gijsel werd aangekondigd zonder dat de naam van founding father Chris de Neubourg viel, verbaasde De Gijsel zich daar in Observant openlijk over. Boon: “Er was twee dagen over die persverklaring gesproken, ook met hem, en dan doe je zoiets niet. Daarna is het voor mij niet meer goed gekomen. Ik heb het toch nog zes maanden met hem uitgehouden.”
Volgens Boon dreigde De Gijsel vaker met aftreden: “Het was vaak: ‘als jullie dit niet doen, stop ik’. Zoiets kun je maar één keer doen, vind ik. Verder ging hij gewoon zijn eigen gang.”
De echte ingrepen bij de School, zegt Boon, zijn door zijn faculteitsdirecteur Pascal Breuls uitgevoerd. “Die heeft daar geen leuke tijd gehad. Hij moest het excessieve uitgavenpatroon doorbreken. Bij het vrijdagse seminar voor 300 euro aan broodjes van de Deli Belge bijvoorbeeld. Neem zelf je brood maar mee, zei Pascal. Nou, opstand natuurlijk. En er stond daar al een professionele keuken in het pand, er was samenwerking met het sterrenrestaurant Beluga, de meubels waren twee tot drie keer duurder dan elders in de UM. Geen greep op te krijgen.”
De Gijsel ziet het uiteraard anders: “Ik kreeg van Boon nauwelijks ruimte. De oude leiding was eruit geflikkerd, iets wat je uit een oogpunt van continuïteit al nooit moet doen, en hij zag mij als vertrouweling van Chris de Neubourg. Een managing director kreeg ik niet, wel werd Pascal Breuls bij me geplaatst; dat zette veel kwaad bloed in de School. Via Pascal kreeg hij een constante stroom informatie. Overigens heb ik alle besluiten gewoon samen met Pascal genomen.”
Een belangrijk punt betreft de inbedding van de School in de universiteit, iets wat van het begin af aan het uitgangspunt is geweest maar volgens Boon onvoldoende is gerealiseerd. Hij verwijt De Gijsel inhoudelijk nauwelijks contact met de rest van de UM gezocht te hebben. “Zo bleven ze dus even geïsoleerd als onder De Neubourg, die had ook liever mensen van buiten. Terwijl die inbedding in de UM nodig is. Ik wilde daarom een collegiaal bestuur voor de School met mensen uit de faculteiten, de Gijsel hield vast aan een eenhoofdig bestuur.”
Ook deze verwijten werpt De Gijsel verre van zich. “Het college had tot een eenhoofdig bestuur besloten, niet ik.” In het master- zowel als het promotieprogramma wordt intensief met de faculteiten samengewerkt, betoogt hij. “Dat heeft voor de zomer nog geleid tot een zeer positief visitatierapport over ons masterprogramma. Wat bestuurlijke samenwerking betreft, daar heb ik om een aantal redenen minder aan getrokken. De sfeer onder de decanen was vijandig jegens de School, men wilde eerst de financiële perikelen opgelost zien. Daar heb ik me op geconcentreerd. En verder had ik tijd nodig om me in de complexe situatie in te werken en werd ik ook halftijds benoemd tot dean van de Maastricht School of Management, waarvan op termijn een overname is voorzien.”
Het wordt eentonig: ook hierbij heeft Boon zijn bedenkingen: “Door die strategische alliantie met MSM was er nog minder greep op De Gijsel te krijgen. En wat komt er nu uit? Ik heb nog geen visie gezien. Het was allemaal zo máger, ik werd er heel ongeduldig van. Het was een soepzooitje. Daarom ben ik blij dat nu schoon schip is gemaakt. De Neubourg gaat naar Florence, De Gijsel eruit, nu kunnen we verder.”
De Gijsel ten slotte: “Nou, ‘eruit’, ik blijf halftijds hoogleraar aan de School en als dean van de MSM moet ik de samenwerking met Governance gestalte geven. Dus ‘eruit’, daar is geen sprake van.”