Er zijn de afgelopen jaren door allerlei stimuleringsmaatregelen wel flinke stappen voorwaarts gezet: in 2003 was het aandeel vrouwelijke hoogleraren nog 2 procent, in 2006 steeg het naar 7 procent. Nu, eind 2009, staat de teller dus stil op 12 procent.
Er zijn grote verschillen tussen de faculteiten. De psychologen zitten al ruim boven het streefgetal uit het Strategisch Plan: 25 procent (oftewel vier van de zestien). De faculteit cultuur- en maatschappijwetenschappen doet het nog beter: 29 procent (zeven van de 24). Ook de juristen – acht van de 37 professoren is een vrouw: bijna 22 procent – zitten er al boven.
Dat de faculteit Health Medicine and Life sciences het streefcijfer in 2010 gaat halen is zeer onwaarschijnlijk. Op dit moment telt de faculteit zestien vrouwelijke hoogleraren op een totaal van 144. Dat is 11 procent. Hetzelfde percentage treffen we aan bij de School of Business and Economics (zeven vrouwen op een totaal van de 65). De faculteit Humanities and Sciences - goed voor in totaal 6,5 fte aan hoogleraren - heeft geen enkele vrouw op een leerstoel.
Nederland als geheel blijft met gemiddeld 11,7 procent vrouwen op een hoogleraarspost achter op de rest van Europa, zo blijkt uit de onlangs verschenen Monitor Vrouwelijke Hoogleraren 2009. Alleen België, Cyprus, Luxemburg en Malta hebben verhoudingsgewijs nog minder vrouwelijke professoren. Ierland staat op kop met meer dan één op de drie professoren van het vrouwelijke geslacht. De Europese landen hebben afgesproken dat in 2010 een kwart van de hoogleraren vrouw moet zijn.
In Nederland lijkt geen enkele universiteit dat percentage te gaan halen. Leiden en Nijmegen zitten er met een dikke 16 procent nog het dichtste bij. De Technische Universiteit Eindhoven heeft met 1,6 procent nog een hele lange weg te gaan.