04 maart 2010
filmpjes
achtergrond
“Als ik op mijn sterfbed lig hoop ik dat ik er toe heb gedaan”
4-3-2010 - 

Het kind, de jeugd, de jongere staan centraal in de Boekenweek die op 10 maart begint. Het motto van de week - Titaantjes, opgroeien in de letteren - werd ontleend aan het verhaal Titaantjes van Nescio, over een groep jongens die niet aan hun jeugdidealen vast kunnen houden. Hoe zit het met de idealen van de huidige jeugd? Hebben ze die? Leven ze er naar? En hoe erg vinden ze het als die idealen verloren gaan? Observant sprak met drie studenten.

Draufgänger Ad Veenhof zal universiteit niet met rust laten
25-2-2010 - 
Nieuwe voorzitter raad van toezicht over een drietalige UM, de opvolging van Ritzen, Senseo, kunst en Hollanders in Maastricht

“De mening van bergbeklimmers is zeer relevant”
11-2-2010 - 

Rammelende feiten, dubieuze bronnen, sjoemelende onderzoekers, woedende politici. Het gezaghebbende klimaatpanel IPCC lijkt van zijn voetstuk gevallen. Pim Martens, hoogleraar duurzame ontwikkeling (ICIS) en lid van het IPCC, wil de fouten niet bagatelliseren maar, voor de goede orde, “het gaat over punten en komma’s”.

Dat kunnen wij beter, dachten de vijf broers
4-2-2010 - 

Met een iPhone van Apple kun je natuurlijk bellen, internetten, e-mailen, maar het apparaat doet net zo goed dienst als zaklamp, waterpas of hondenfluit. Dat kan met behulp van apps, programmaatjes die er niet standaard op zitten maar kosteloos of voor weinig geld kunnen worden gedownload. De digitale apps-supermarkt telt er momenteel bijna 150 duizend. De creaties van twee UM-medewerkers en een student zijn er ook te vinden.

Vijf Maastrichtse vrouwelijke hoogleraren over het glazen plafond, de mannen, topsport en dikdoenerij

“Ik heb een fantastisch decolleté, maar ik laat het nooit zien”

19-11-2009 - 

“Kom op dames, niet te veel opkijken tegen die haantjes, laat je ballen zien.”

“Kinderen krijgen, dat komt nooit uit, dus niet aarzelen maar gewoon doen.”

“Ik ga niet met mijn ogen rollen en door mijn haar strijken om iets gedaan te krijgen.”

Uitspraken van Maastrichtse vrouwelijke hoogleraren. Het was niet gemakkelijk om ze op eenzelfde tijdstip om de tafel te krijgen voor een discussie over de vrouwelijke hooglerarenaantallen (12 procent in Maastricht) die onlangs naar buiten kwamen. De dames hebben overvolle agenda’s, doorkruisen stad en land en hebben ook nog een “BV Het Huishouden” die de nodige aandacht vraagt. Op maandagmiddag 16 november schuiven dan toch Marja van Dieijen-Visser, Klasien Horstman, Anita Jansen, Maaike Meijer en Ellen Vos aan. Een gesprek over bluffende mannen, topsport, dikdoenerij, de jonge prinsjes van NWO en Sneeuwwitje in de etalage. “Er is al veel ten goede veranderd, maar we zijn nog niet klaar.”

Ellen Vos (44), sinds december 2001 gewoon hoogleraar Europees Recht aan de rechtenfaculteit

- Privé: samenwonend, twee kinderen van 1 en 3

- Aanstelling: voltijds, gemiddeld 50-60 uur per week

- Baan moeder: huisvrouw

- Meisjesdroom? advocaat. “Maar op een gegeven moment leek het me leuker om mijn eigen mening te onderbouwen dan die van een cliënt.”

- Grootste obstakel in je carrière: “Geen.”

- Grootste mazzel: “De juiste papieren hebben op het juiste moment. Ik kwam heel toevallig in Florence in contact met Bruno de Witte, oud-hoogleraar Europees recht aan de Maastrichtse rechtenfaculteit. Er waren twee vacatures in Maastricht; ik werd er universitair docent, een jaar later universitair hoofddocent en weer een jaar later hoogleraar.”

- Was het allemaal anders gelopen als je een man was geweest? “Ik denk het niet, ‘t zal hetzelfde zijn gegaan.”

- Functies: lid wetenschapscommissie rechtenfaculteit, vertegenwoordiger landenteam India rechtenfaculteit, lid ouderraad kinderopvang Maastricht.

 

Anita Jansen (48), sinds 1999 hoogleraar experimentele klinische psychologie, eerst bijzonder hoogleraar, vanaf 2004 gewoon hoogleraar aan de faculteit psychologie en neurowetenschappen

- Privé: gehuwd, twee dochters (14 en 11) en een zoon (12)

- Aanstelling: voltijds, werkt 55-60 uur per week

- Baan moeder: huisvrouw

- Is met het hoogleraarschap een meisjesdroom uitgekomen? “O, my God, nee. Ik kom uit een milieu waar het niet gebruikelijk is dat je gaat studeren. Ik ben nog steeds een van de weinigen in de familie die heeft gestudeerd. Bij ons word je bakker, mijn opa was fietsenmaker en ik had een oom die onderwijzer was. Dat was wel de top. Op de lagere school wilde ik profvoetballer worden, later – ik begon pas op mijn zestiende een instrument te bespelen: orgel en viool - droomde ik van een muzikale carrière. Het ging snel en ik werd aangenomen op de vooropleiding van het conservatorium en begon aan muziekwetenschappen, maar uiteindelijk wilde ik dat toch niet. Ik kwam te veel mensen met een tunnelvisie tegen, het draaide alleen maar om muziek.”

- Grootste obstakel in je carrière: “Het is allemaal vrij gladjes verlopen. Al blijft het lastig dat je tijd altijd zo versnipperd is. Je moet op allerlei fronten veel doen en kunt nooit lange tijd rustig ergens mee bezig zijn.”

- Grootste mazzel: “Ik ging tijdens mijn studie psychologie in Utrecht stage lopen in Maastricht en kwam terecht bij een clubje onderzoekers waar ik geweldig veel van heb geleerd. Het was de groep van Marcel van den Hout, die was zo inspirerend dat ik dacht: dit is het, dit wil ik. Zij deden keihard experimenteel onderzoek binnen de klinische psychologie.”

- Was het allemaal anders gelopen als je een man was geweest? “Nee, ik denk het niet. Kinderen zijn altijd een punt, die zijn vaak moeizaam te combineren met een carrière. Maar ik kreeg pas laat kinderen en dat is wel zo handig voor de carrière.”

- Functies: zij was vice-decaan van de faculteit psychologie (1999-2001), was zeven jaar voorzitter van grote capgroep (80 fte), was bestuurslid NWO-gebied maatschappij- en gedragswetenschappen, zat in diverse congrescommissies en commissies van NWO, nu voorzitter EPP-sectie eetstoornissen & verslaving, lid VICI-beoordelingscommissie NWO, lid van een commissie van de gezondheidsraad, lid bestuur sectie eetstoornissen & obesitas van de Vereniging voor Cognitieve Gedragstherapie, lid wetenschappelijke adviesraad U-Center Epen, executive editor van het international research journal Appetite.

Klasien Horstman (50), sinds mei 2009 bijzonder hoogleraar Filosofie van Public Health aan de faculteit Health Medicine and Life sciences. Daarvoor acht jaar Socrates hoogleraar Filosofie en Ethiek van Bio-engineering aan de Technische Universiteit Eindhoven.  

- Privé: samenwonend, een zoon van 14

- Aanstelling: voltijds, werkt gemiddeld 45-50 uur per week

- Baan moeder: huisvrouw. “Zij stierf toen ik tien was. Mijn tweede moeder was eerst lerares en later directeur van het VMBO in een grote scholengemeenschap. Zij nam boeken mee naar huis. Mijn vader, die mij altijd wel stimuleerde om veel te leren – ‘een meisje moet zichzelf kunnen redden’ – vond het toch lastig dat zijn tweede vrouw meer wilde dan huisvrouw zijn. Ze zijn op mijn achttiende weer gescheiden.”

- Meisjesdroom? “Ja! Schrijven. Toen ik achttien was las ik de autobiografie van de Franse filosoof Simone de Beauvoir die beschreef hoe ze met Jean-Paul Sartre in Italië was. ’s Ochtends wandelden ze, ’s middags zaten ze op het balkon onder de druiven te schrijven. Dat wilde ik ook.”

- Grootste obstakel in je carrière: “Solo-ouderschap. Door de scheiding heb ik mijn zoon vanaf de geboorte alleen opgevoed. Vooral buitenlandse reizen maken is gecompliceerd.”

- Grootste mazzel: “Ik ben altijd mensen tegengekomen met wie ik inhoudelijk en persoonlijk een klik had en met wie het fijn samenwerken was. En een goede gezondheid.”

- Was het allemaal anders gelopen als je een man was geweest? “Geen idee.”

- Functies: lid van commissies bij landelijke onderzoeksfinanciers ZON-MW en NWO, lid van de wetenschappelijke adviesraad van de Verkenningen Toekomst Volksgezondheid 2010 van het RIVM en (“een van de leukste nevenfuncties”) lid van de Raad van Toezicht van het Catharina Ziekenhuis in Eindhoven.

Marja van Dieijen-Visser (55), sinds 1993 gewoon hoogleraar klinische chemie aan Maastricht Universitair Medisch Centrum (MUMC+).

- Privé: gehuwd, twee dochters (tweeling) van 20

- Aanstelling: voltijds, werkt 50-55 uur per week

- Baan moeder: psychiatrisch verpleegkundige. “Zij moest stoppen met werken toen ze trouwde.”

- Is met het hoogleraarschap een meisjesdroom uitgekomen? “Nee. Ik wilde naar de sportacademie, maar toen ik tijdens het toelatingsexamen een blessure opliep besloot ik chemie te gaan studeren. Dat vond ik ook heel leuk.”

- Grootste obstakel in je carrière: “Het moeilijkste was om na mijn promotie een opleidingsplaats klinische chemie te krijgen. Daar moest je voor knokken, er zijn weinig plaatsen.”

- Grootste mazzel: “Ik had een kruiwagen, mijn promotor Coen Hemker. Zonder hem had ik nooit die opleidingsplaats gekregen.”

- Was het allemaal anders gelopen als je een man was geweest? “Mannen moeten ook knokken voor een topfunctie. Maar misschien was het iets makkelijker gegaan. Voor mannen is het thuis vaak goed geregeld, zij gaan er vaak van uit dat hun partner het huishouden en de zorg voor de kinderen op zich neemt. Vrouwen moeten dat zelf allemaal zien te regelen. Je moest in 1993 lef hebben om een drukke baan te combineren met twee kleine kinderen. Je kunt het alleen als je de ‘BV Het Huishouden’ goed voor elkaar hebt. Wij hadden vier oppassen die van acht tot zes dienst hadden. Soms bleven ze zelfs langer. We hadden een Petra-dag, een Jeanette-dag. Dat is het offer dat je moet brengen.”

- Functies: hoofd klinische chemie, directeur van de laboratoria azM en lid raad van toezicht academisch ziekenhuis Aken en voorheen voorzitter van de medische staf azM.

Maaike Meijer (60), sinds 1998 hoogleraar gender- en diversiteitstudies en daarvoor (bijzonder) Opzij-hoogleraar gender, representatie en macht

- Privé: samenwonend

- Aanstelling: voltijds, werkt 50 uur per week.

- Baan moeder: “Zij was onderwijzeres op een basisschool. Ze deed dat erg goed. Op haar trouwdag werd ze ontslagen. Mijn vader stierf jong – ik was elf – en uit noodzaak ging mijn moeder weer het onderwijs in, fulltime, met vier schoolgaande kinderen. Maar het ging goed. Een familielid kwam altijd voor ons koken.”

- Meisjesdroom? Missiezuster en schrijfster. “Op mijn zesde droomde ik ervan om in Afrika in een bootje over een wilde rivier te varen, om vervolgens ergens een gloedvolle preek te houden en de mensen te bekeren. Ik had een tante die missiezuster was en daar correspondeerde ik altijd mee. Op mijn twaalfde wilde ik schrijfster worden. Ik was enorm geïnteresseerd in literatuur, ik schreef verhalen en gedichten. Ik had een zekere literaire begaafdheid. Mijn eerste lerares Nederlands was José Boyens. Ik ben haar nog dankbaar voor haar fantastische lessen. Zij was erudiet, een geleerde vrouw. Een rolmodel is écht belangrijk en dat was zij voor mij.”

- Grootste obstakel in je carrière: “Aan de Universiteit van Amsterdam studeerde ik met lof af als mediëvist in de Arthuristiek. Ik wilde hiermee doorgaan, promoveren. Herman Pleij, mijn uitstekende docent in Amsterdam, verwees mij naar de Utrechtse hoogleraar Wim Gerritsen die gespecialiseerd was in Arthuristiek. Maar die stuurde me het bos in. Hij was geïrriteerd: ‘Je bent niet in Utrecht afgestudeerd, maar in Amsterdam en wat weten ze daar nu van Arthuristiek. Bovendien heb je geen oud-Frans geleerd. Je moet hier je doctoraalstudie overdoen.’ Ik had natuurlijk assertief moeten zijn, maar ik was te verlegen. Nog een doctoraalstudie doen was financieel niet mogelijk. Mijn carrière is hierdoor geblokkeerd. Ik ging vervolgens werken als lerares op een middelbare school.”

- Grootste mazzel: “Mieke Bal. Zij heeft mij enorm gestimuleerd. Na zes jaar als lerares te hebben gewerkt, wilde ik meer uitdaging, iets van de lange adem. Ik kon solliciteren op een promotieplek in Utrecht. Mieke hielp me met mijn plan.”

- Was het allemaal anders gelopen als je een man was geweest? “Ik denk het wel. Ik zou assertiever zijn geweest en me niet hebben laten mangelen door de competentiestrijd tussen die twee hoogleraren.”

- Functies: directeur van het Centrum voor Gender en Diversiteit dat is ingebed in de faculteit cultuur- en maatschappijwetenschappen, coördinator van het facultaire onderzoeksprogramma Aesthetic Politics of Cultural Remembrance, lid van het OTO, lid van diverse NWO-commissies, coach voor wetenschappers, redacteur Dutch Studies en jurylid van de VSB Poëzieprijs.

 

“Het was 1993. Ik moest voor de benoemingscommissie van acht heren verschijnen”, herinnert Marja van Dieijen-Visser zich. “Ik kon niet zomaar benoemd worden tot hoogleraar, ik moest een assessment doen. Jaren later – ik was toen vast lid van de benoemingscommissie - kwam ik tot de ontdekking dat ik de enige in de hele faculteit was die zich had moeten bewijzen via een assessment. Ik vond het toen vreemd, maar ik deed het toch. Nu is de tijd heel anders, maar desondanks zijn er nog steeds barrières.”

 

Onzeker gedoe

“Ik zat dit weekend tijdens een wijnproeverij naast een enige man”, zegt Maaike Meijer met een brede glimlach. “Hij vertelde dat hij in dit bestuur zat, in dat bestuur, in die commissie. Ik vroeg hem het hemd van het lijf. Zijn ontspannen houding viel me op. ‘De wereld is van mij’, straalde hij uit. Als vrouw denk je juist vaak ‘de wereld is niet van mij’. En als je dan toch in de wereld terechtkomt” - ze vouwt haar handen samen en kijkt devoot naar boven - “vind je dat je het heel goed moet doen. Die houding heeft te maken met het ontbreken van een basaal vertrouwen in jezelf. Ik ken een voortreffelijke wetenschapper, ze schrijft ontzettend goed, maar ze gelooft niet in zichzelf. Dat is een gruwelijk mechanisme. Vrouwen moeten een rotsvast vertrouwen in zichzelf krijgen: ik mag er wezen, ik kan wél wat. Voor mannen is dat vanzelfsprekender.” Klasien Horstman knikt instemmend en wijst er op dat ze vrouwen wel eens heel bewust een duwtje geeft. “Als het gaat om ‘zeker zijn van jezelf’ zie ik grote verschillen tussen mannen en vrouwen. Dan ben ik soms heel direct tegen vrouwen: ‘Nu moet je stoppen met dat onzekere gedoe.’”

“Sommige mannelijke leiders zijn alleen maar bezig met me, myself and I”, concludeert Meijer. Terwijl de meeste onderzoekers juist op maat gesneden aandacht nodig hebben, vult Ellen Vos aan. En dat geven de vijf dan ook aan hun vrouwelijke (“mannen ook hoor”) aio’s en universitaire docenten. Ze treden op als coach, willen “goede leiders” zijn, voelen zich een rolmodel voor hun vrouwelijke collega’s en in mindere mate (“die staan toch verder weg”, aldus Van Dieijen-Visser) voor de studenten. Meijer: “Ik heb dertig mensen in mijn onderzoeksgroep, ik krijg per jaar zestig uur voor de begeleiding. Ik besteed er zeker drie keer zoveel tijd aan. Het maakt zoveel uit als mensen weten dat ze gezien worden, iedereen gaat dan beter zijn best doen. In onze universiteit ontbreekt dat ‘gezien worden’.”

FNV-voorzitter Agnes Jongerius is door Opzij uitgeroepen tot machtigste vrouw van Nederland. Zij meent dat vrouwen veel te tam zijn, dat ze “nog te veel de neiging hebben om te denken dat ze vanzelf opgemerkt zullen worden als buitengewoon geschikte, capabele, goede collega en harde werker”. “Je moet een grote mond hebben”, zegt Vos. “Zichtbaarheid betekent voor mij geen grote mond”, reageert Van Dieijen-Visser.

Horstman denkt niet dat er maar één weg naar Rome leidt. “Mensen staan verschillend voor sollicitatiecommissies. De een heeft veel poeha nodig, de ander is veel rustiger. Er is niet één norm. Je moet kijken welke performance bij jou past, wat voor jou geschikt is om de top te halen.”

Volgens Meijer solliciteren mannen op een baan die ze willen hebben en vrouwen op een baan die ze aankunnen. “Mannen onderhandelen over het salaris, vrouwen zijn dankbaar voor het salaris dat ze krijgen.” Anita Jansen, tegen Observant: “Jullie zouden eens onderzoek moeten doen naar de verschillende salarissen van hoogleraren, per faculteit. De economen, die hebben toch salarissen!”

 

Hoe meer vrouwelijke hoogleraren, des te ……  de cultuur aan de Universiteit Maastricht.

Meijer, overtuigd: “Beter, dat geloof ik zeker. Er komt meer gevoel voor de menselijke factor, een betere sfeer, meer samenwerking, geen rare risico’s, meer verantwoordelijk handelen. Verbijsterend dat disfunctionerende mannen gewoon door kunnen gaan met hun werk. Ze overschrijden budgetten, maken er als leiders een potje van en toch wordt hen de hand boven het hoofd gehouden. Mannen beschermen elkaar. Vrouwen zijn veel zichtbaarder aan de top. Ze zijn ‘Sneeuwwitje in de etalage’. Functioneren ze niet, dan worden ze eruit gegooid.”

Er komt een hoogleraar ter sprake wier aanstelling onlangs niet werd verlengd omdat ze haar bestuurlijke taken niet goed zou verrichten. Hoongelach. “En al die mannen dan, die al jaren slecht functioneren, niet kunnen communiceren. Daar kraait geen haan naar.”

Maar we moeten de zaken niet omdraaien, waarschuwt Jansen. “Als we straks 80 procent vrouwen hebben, zijn er ook die de boel gaan verstieren. Dan krijgen we dezelfde klerezooi.” “Nee, dan krijg je een andere klerezooi”, vindt Meijer. “We moeten mixen, we moeten een heterogene universiteit opbouwen.”

 

Gooien jullie je charmes in de strijd? Maken jullie gebruik van je vrouwelijkheid?

“Hoe zou je dat moeten doen”, wil Jansen weten.

“Gebruik is een groot woord, ik ga niet met mijn ogen draaien of bevallig met een hand door mijn haar strijken om iets gedaan te krijgen”, zegt Van Dieijen-Visser.

“Ik heb een fantastisch decolleté, maar ik laat het nooit zien”, giechelt Meijer die vandaag gehuld is in een zwart coltruitje. “Uiterlijk speelt wel mee”, vervolgt Jansen. “Als een bloedmooie vrouw binnenkomt bij een commissie van mannen kunnen die kerels niet meer helder denken, dat is bewezen.” “Het geeft zelfvertrouwen als je er goed uitziet”, reageert Van Dieijen-Visser.

“Ik maak vaak een opmerking die te maken heeft met vrouwelijkheid of de man-vrouw-verhouding”, zegt Horstman. “Ik ben het enige vrouwelijke lid van de raad van toezicht van een ziekenhuis. Kom ik daar binnen dan zeg ik: ‘Zo mannen.’ Tijdens het college wetenschapsfilosofie geef ik altijd het voorbeeld van Joke die bij de kopieermachine haar goede idee print als student Klaas langs wandelt. Enkele maanden later verschijnt er een artikel met alleen Klaas’ naam eronder. Waarom ik dat doe? Ik vind het schandalig dat aan de faculteit HML slechts 11 procent van de hoogleraren vrouw is.” Al is er zeker vooruitgang geboekt, betogen Van Dieijen-Visser en Meijer. “De toekomst ziet er rooskleurig uit, maar we moeten de schouders eronder blijven zetten.”

 

Een hond

Het gesprek is beland bij de drukke baan, de talloze taken van een hoogleraar, de combinatie werk-thuis. “Ik zou graag een hond willen, maar dat kan niet. Te druk”, verzucht Meijer. “Ik heb twee jaar geleden een hond genomen, een pup, helemaal zelf opgevoed”, reageert Horstman vrolijk. “Mijn vader schudde zijn hoofd toen hij het hoorde: Heb je verdorie je kind groot, begin je aan een pup. Maar mijn coach vond het een goed idee. Het is een mooie afleiding, ’s avonds wandel ik lekker op de Hoge Fronten.”

Heel zwaar, heel druk, moet je dat allemaal benadrukken? De vijf zijn het niet eens. “Het is een en al presteren. Een hoogleraarschap is hard werken, topsport”, vindt Jansen die met enige regelmaat ’s nachts achter haar bureau te vinden is. Op de vraag van Vos of het in deeltijd zou kunnen, schudt Jansen het hoofd: “Lijkt me uitzonderlijk moeilijk. Je moet onderzoek doen, onderwijs geven, je hebt managementtaken, moet je netwerk bijhouden, zit in commissies, bent leider. Aan het hoogleraarschap hangt zoveel.”

Horstman reageert resoluut: “Ik vind dat gewichtigdoenerij. Het is een gewone baan, je moet hard werken, jij legt het accent op de verkeerde dingen door te spreken van topsport en ’s nachts doorwerken. Dat schrikt vrouwen af.” Zij krijgt bijval van Van Dieijen-Visser: “Als je tegen je pupillen zegt dat het keihard werken is, een soort topsport, dan klinkt dat niet stimulerend.” Vos: “Ik werk juist minder sinds ik kinderen heb. Ik denk dat het in deeltijd kan, maar dan moet je het zo organiseren dat bepaalde taken door een ander worden overgenomen.” Jansen wil niemand afschrikken, maar “ik ben gewend om volledig voor het vak te gaan. Ik doe alles voluit, wil het perfect doen. Dat kun je gewichtigdoenerij noemen, maar ik heb die drive, ik werk me te pletter, maak korte nachten.”

Op het schoolplein van haar kinderen ziet Jansen veel vrouwen die daar helemaal geen zin in hebben. “Zij vinden een baan van twintig uur genoeg. Zij willen leuke dingen doen, met de kinderen op pad gaan. Die hebben toch een fantastisch leven?  Zij hoeven de top niet te bereiken.” Horstman denkt dat het een het ander niet uitsluit. “Ach, veel werk gebeurt heel inefficiënt. Er wordt veel geouwehoerd. Intellectueel vernieuwend werk heeft niet te maken met het aantal uren dat je draait.” Ze betreurt bovendien de verspilling van talent. “Het is een groot maatschappelijk probleem. Er zijn genoeg vrouwelijke hoogopgeleiden die een topfunctie aan zouden kunnen als ze de mogelijkheid zouden krijgen om het in minder uren te doen. Maar ja, tegenwoordig is het idee van een jong talent een jongeman van 32.” Jansen: “Inderdaad. Ze redden het niet in de concurrentie met de jonge prinsen die dynamisch zijn, 60 uur per week achter de computer zitten, geen kinderen hebben.”

 

Jan Doedel

“Netwerken wij wel genoeg,” vraagt Van Dieijen-Visser zich hardop af. Vos, uit de grond van haar hart: “Ik heb er eigenlijk geen zin in.” Meijer: “Ik heb al zoveel contacten. Less is more.” Van Dieijen-Visser organiseert ieder half jaar een etentje voor vrouwelijke hoogleraren. Het eerstvolgende is in december. “Achttien vrouwen hebben zich opgegeven, geen slechte score.” Ze geeft het niet op en vraagt nog een keer: “Zijn wij zichtbaar genoeg? Kennen we elkaars expertise zodat we een vrouw kunnen aanbevelen als ons om namen voor een lidmaatschap van de raad van bestuur wordt gevraagd?”

“Ik vind het vreselijk tijdrovend, al is het wel belangrijk. Maar soms sta je weer gezellig met een Jan Doedel te praten, terwijl je nog zoveel andere dingen moet,” verklaart Jansen.

“Ik zag weinig vrouwelijke hoogleraren tijdens de opening van het academisch jaar. Maaike was er, ikzelf. Waar waren jullie,” vervolgt Van Dieijen-Visser. “Aan het werk,” antwoordt Horstman. “Maar als ik weet dat ik er leuke mensen tegenkom, ga ik de volgende keer ook.”

 

Moederhart

“Ik moet naar huis, het is al laat, er zit een kind thuis dat sociale controle nodig heeft”, antwoordt Horstman tegen het einde van het gesprek op de vraag van Vos of ze iets mee gaat drinken in De Tribunal. Een zucht. “Ik ken het”, zegt Jansen wier oudste nu ook in de puberleeftijd is beland. “Je moet ze in de gaten houden.”

Vier van de vijf vrouwen aan deze tafel zijn moeder. En dat onderwerp komt tig keren ter sprake in het twee uur durende gesprek. “De combinatie hoogleraar en moeder is een duivels ingewikkelde”, meent Jansen. “Daar worstelen er heel wat mee. Een heleboel barrières liggen in de organisatie zelf, maar onderschat niet dat vrouwen het zichzelf ook lastig maken.”

Van Dieijen-Visser: “Wij zijn zelf degenen die altijd de verantwoordelijkheid op ons nemen, van het huishouden en de opvoeding. Wij moeten de touwtjes in handen hebben, zorgen dat alles op rolletjes loopt. Dat is volgens mij cultureel bepaald. Want waarom doen mannen dat niet?” Een hormonenkwestie, meent Jansen. “Ik vond het verschrikkelijk om niets met mijn kinderen te kunnen doen. Ik wilde graag een paar middagen per week bij ze zijn. Dat is het moederhart.” Iets heel reëels, dat moederhart, meent Meijer, maar “het is een historisch geconstrueerd gevoel”. Jansen: “Onzin, het is iets biologisch, daar ben ik van overtuigd.”

Vijftig uur per week werken en ook nog eens twee of drie kinderen opvoeden. Geen probleem. Als de “BV Het Huishouden” maar goed geregeld is, benadrukt Van Dieijen-Visser. “Wij hebben goede salarissen en kunnen best iemand inhuren om op de kinderen te passen. Ik heb dat ook gedaan, dat gaf mij rust. Ik werkte van acht tot zes. Mijn kinderen hebben me dat nooit kwalijk genomen en ik had zelf ook geen schuldgevoel. Bij ons op het lab is de helft van de vrouwen Belgisch. Ze werken fulltime, dat doen ze al jaren. Daar is het heel gewoon dat de grootouders voor de kinderen zorgen.”

Een moeder die alleen maar thuis zit, is een slecht voorbeeld voor zonen en dochters, vindt Meijer. Vos vindt dat hard. “Ik zou dat nooit over mijn moeder zeggen. Zij was huisvrouw en heeft mij altijd gestimuleerd. Neem nooit te vroeg kinderen, zei ze tegen me. Die raad heb ik opgevolgd. Misschien ben ik ook wel weer het andere uiterste. Ik heb heel laat kinderen gekregen.” Horstman, nuchter: “Kinderen komen nooit uit. Dus niet aarzelen, maar gewoon doen. Wanneer je wilt en zoveel je er wilt.”

Maar belemmert het moederschap echt een wetenschappelijke carrière? Meijer betwijfelt het. “Dan zouden alle talentvolle lesbo’s en ongetrouwde vrouwen aan de top moeten zitten.”

Sluit venster
Verzend
specials  |   paarltjes  |   rss  |   UM agenda  |   contact  |   adverteren