Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

‘Ik heb weer tijd om na te denken’

‘Ik heb weer tijd om na te denken’

Photographer:Fotograaf: Tom Grimes

Robbert Dijkgraaf is de bekendste wetenschapper van Nederland. Maar de oud-president van de KNAW vertrok vorig jaar naar het befaamde Institute for Advanced Study in Princeton. Hij moest een oceaan oversteken om te ontdekken dat het leven heel eenvoudig kan zijn. In mei komt de directeur even terug om in Nijmegen een eredoctoraat in ontvangst te nemen en te spreken op TEDxRadboudU. Annemarie Haverkamp van VOX zocht hem op in New Jersey.

Robbert Dijkgraaf woonde nog nooit zo dicht bij zijn werk. Elke ochtend trekt hij de voordeur van het de houten villa achter zich dicht, steekt de Einstein Drive over, betreedt een grasveld en loopt dan door een laan van bomen naar het Institute for Advanced Study (IAS). De deur van het gebouw waarin hij werkt, ligt pal tegenover de deur van zijn huis.

In zijn woning hangt een foto van Albert Einstein en Robert Oppenheimer, van achteren genomen. Ze lopen onder diezelfde bomen en praten met elkaar. Over wetenschap, waarschijnlijk. Want dit is Princeton, en het universiteitsstadje in New Jersey ademt wetenschap. Het instituut waar Dijkgraaf sinds juli directeur is, kreeg al eens de bijnaam ‘penthouse on top of the Ivory Tower’, maar wordt ook wel simpelweg ‘paradijs’ genoemd. Om verwarring te voorkomen: het is geen onderdeel van de universiteit van Princeton. Die verwarring ontstond toen het instituut bij de oprichting in 1930 zijn intrek nam in een vleugel van de universiteit. En ook nog eens topprofessoren wegkocht bij het befaamde Princeton. Maar het Institute for Advanced Study is iets anders. Het is een plek, volkomen onafhankelijk, waar briljante geesten tot rust komen en zonder enige afleiding pure wetenschap kunnen bedrijven. De afgelopen ruim tachtig jaar werkten er 22 Nobelprijswinnaars.

Een paradijs, dus. Maar een penthouse op de top van de ivoren toren is het IAS anno 2013 niet meer. Het zit ’m in die ivoren toren; zou directeur Dijkgraaf zich daarin wentelen, dan redde hij het niet. Deel van zijn opdracht als nieuw gezicht van het befaamde instituut is nou juist de wereld laten weten dat het IAS bestáát. Was hij eerder de ambassadeur van wetenschappelijk Nederland – van 2008 tot 2012 was hij president van de KNAW – nu is hij vertegenwoordiger van het academisch topsegment in de Verenigde Staten. En omdat hij voor een filantropische organisatie werkt, is hij de man die de middelen moet binnenhengelen. “Dat is een nieuwe wereld voor mij”, vertelt hij in zijn werkkamer met uitzicht op het uitgestrekte park achter het instituut. “Amerika heeft een enorme cultuur van geven. Toen we in Princeton aankwamen, zaten mijn twee zoontjes binnen twee dagen in het footballteam van de school. Ze hadden hun tenue nog niet aan of werden op pad gestuurd om koekjes te verkopen. Fundraising voor het team.”

De grondhouding is: als buurvrouw A geen koekjes wil kopen, lukt het misschien bij buurvrouw B. “Dat vinden ze hier heel normaal. Als je een plan hebt, zoek je gewoon net zo lang tot je de fondsen bij elkaar hebt om dat plan te realiseren.” En zo gaat Robbert Dijkgraaf met zijn eigen koektrommel langs de deuren. Onlangs kreeg zijn instituut honderd miljoen dollar van de chairman van Microsoft en James Simons, wiskundige en miljardair. Ze stelden één voorwaarde: het IAS moest er zelf honderd miljoen bij verzamelen, dan pas werd het bedrag overgemaakt. “Daarvan hebben we nu ongeveer 52 miljoen binnen.”

Dijkgraaf heeft lol in zijn rol als vertegenwoordiger. Want: “Ik mag zo enthousiast zijn als ik zelf wil.” En ‘enthousiast’ is zijn middle name. “In Nederland moet je altijd een beetje gas terug nemen, want iedereen is toch goed. Hier mag ik roepen dat wat wij doen uniek is.” Het ís ook uniek. Wie als member (tijdelijke onderzoeker, red.) bij het IAS komt werken, heeft geen vastomlijnde onderzoeksopdracht. Hij of zij is volledig vrij. Hoogleraren worden niet afgerekend op prestaties of citaties. Een topsectorenbeleid komt er niet in bij het IAS. “Ons beleid is juist dat we geen onderzoeksmiddelen of beurzen mogen accepteren die een voorgeschreven doel hebben. We willen 100 procent zuiver in de leer blijven. Op het moment dat we mensen hier met een boodschap gaan belasten, vervalt de hele premisse waarom deze niche, dit instituut, er moet zijn. In het huidige, mondiale academische klimaat is dat tegen de wind in fietsen.”

Die filosofie betekent dat de staf van het instituut, met Dijkgraaf als aanvoerder van het peloton, heel goed moet nadenken over de selectie van onderzoekers en de besteding van het geld.  Wie wordt uitgenodigd om onderzoek te doen aan het IAS? Het instituut moet vernieuwen. Zó ver vooruit denken, dat over tachtig jaar de nieuwe Einsteins ook hun ontdekkingen doen in Princeton.

Toen Robbert Dijkgraaf ruim een jaar geleden werd gevraagd voor de functie in Amerika, las hij juist een boek over Oppenheimer, de joods-Amerikaanse natuurkundige die ook wel de vader van de atoombom wordt genoemd. Oppenheimer was van 1947 tot 1966 directeur van het IAS. “Toen hij deze baan kreeg aangeboden, zei hij: ‘dat is mooi, dan kan ik een derde van mijn tijd besteden aan natuurkunde, een derde aan beleidsontwikkeling en een derde aan besturen’. Dat vond ik grappig, want dat zijn ook mijn drie interesses. Ik ben blij als ik mijn eigen onderzoeksprojecten heb, houd graag het contact met de buitenwereld maar vind het ook leuk om als een soort chef van het hotel het de mensen naar de zin te maken.”

Die chef van het hotel is de lange, Hollandse directeur inderdaad óók. Twee dagen voor het interview arriveer ik al op het instituut. Dijkgraaf vraagt tijdens de thee de volgende middag – sinds de oprichting van het instituut is de thee om drie uur ’s middags heilig, alle onderzoekers komen dan samen in de Common Room – of mijn kamer bevalt en nodigt me uit voor een public lecture. Diezelfde avond dineert hij aan een grote ronde tafel met zijn collega’s in de dining hall op het terrein. Zijn vrouw, de schrijfster Pia de Jong, schuift ook aan. Zij is het die de andere tafels langsgaat en met alle gasten even een praatje maakt. Het is die combinatie van briljant wetenschappelijk inzicht en uitstekende sociale vaardigheden die Dijkgraaf zo geschikt maakt voor de functie, vertelt fysicus Peter Goddard bij een glas Chardonnay. Goddard is de vorige directeur. Hij stelde Dijkgraaf aan. “Ik zou niemand ter wereld weten die deze baan beter zou kunnen vervullen dan hij”, zegt hij. “We wilden alleen hem.”

Dijkgraaf was er aan toe. Eerder sloeg hij aanbiedingen vanuit de VS af. “Ik voelde dat ik met Nederland nog iets moest doen. Ik wilde een duw aan de kar geven.” Dat deed hij. Niet alleen als baas van de KNAW, maar ook als columnist voor verschillende media, huiswetenschapper bij De Wereld Draait Door en bedenker van de site proefjes.nl, waar hij kinderen warm maakt voor onderzoek. “Nu is het belangrijk dat anderen de kar verder duwen. Dat is hoe wetenschap werkt. Je geeft steeds zetjes en met elkaar houd je de vaart erin.”

Hoe kijkt hij nu, een half jaar en een oceaan verder, naar het academisch klimaat in Nederland? Hij maakt zich wat zorgen. Niet om het niveau van het onderwijs, daar schort het niet aan. Al helemaal niet in vergelijking met de VS. “Je hebt hier een paar topuniversiteiten, maar daarnaast is er ook veel rotzooi. In Nederland is er voor een grote groep studenten toegang tot universiteiten die allemaal kwaliteit leveren.” Maar er komt een plek droog te staan, ziet Dijkgraaf. “Een plek waar men de zuivere wetenschap kan proeven, het individu centraal staat en de hele wereld wordt verwelkomd.” Academisch Nederland neigt naar schaalvergroting. Studenten moeten passen binnen het totaalsysteem. Maar waar kunnen die talenten heen die meer uitdaging nodig hebben, niet in een hokje te plaatsen zijn maar wel het verschil maken? We zeggen te gemakkelijk dat er geen geld is voor een dergelijke plek, vindt Dijkgraaf. De minister komt niet over de brug, dus leunen we achterover. “Terwijl, als je de competitie met de rest van de wereld aan wilt gaan, zul je die extra stap moeten zetten. Dan moet je op zoek gaan naar andere middelen.” Wat hem opvalt, is met hoeveel liefde er wereldwijd over Nederland als wetenschapsland gepraat wordt. “Nederland heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in de internationale handel en staat bekend om zijn talenkennis. Veel getalenteerde wetenschappers hebben er een tijdje gewerkt, maar ze blijven niet. Kijk ik hier om me heen tijdens een lunch met twintig mensen, dan kan het goed zijn dat er geen enkele Amerikaan tussen zit. Dat gun ik Nederland ook.” Het is een lastige discussie, dat weet Dijkgraaf. De dertien Nederlandse universiteiten vliegen in formatie, zonder dat er één vooruit gaat. Maar wil Nederland de boot niet missen, dan moet dat misschien toch anders. De grenzen vallen steeds meer weg: hoe verbinden we internationaal toptalent aan onze kleibodem?

Hij vindt het opmerkelijk dat juist in Amerika, het land van de snelle hap, aandacht is voor het academische ideaal. Bovenin de internationale ‘beste universiteiten’-lijstjes staat een indrukwekkend aantal Amerikaanse instellingen. En dat zijn niet per se allemaal grote universiteiten. Juist niet; kwaliteit zit ’m vaak in kleinschaligheid. Opnieuw maakt Dijkgraaf de vergelijking met het IAS. “Dit instituut is als zo’n glazen sneeuwbolletje met een klein stadje erin. We hebben één vuilnisman. We hebben één chauffeur die het busje rijdt. We hebben 27 hoogleraren en 200 members. Je kent snel iedereen. Tijdens de lunch of de thee praat je met elkaar. Zo kunnen vonkjes overslaan. Kom je misschien net op dat nieuwe idee dat later de juiste afslag zal blijken te zijn.”

Zelf vond Dijkgraaf herkenning toen hij twintig jaar geleden voor het eerst op het IAS arriveerde als onderzoeker. Princeton was een plek die hem stimuleerde en hem als individu de vraag stelde: wat wil jij? “Het werkte bevrijdend. Tegelijkertijd zit er een ongemakkelijke kant aan. De bewijslast ligt namelijk bij jou. Alsof je het podium oploopt en een volle zaal je aankijkt: ‘ik moet nu wel iets gaan zeggen…’”  De Amerikaanse ervaring heeft hem gemaakt tot wie hij nu is. Hij kreeg de ruimte, nam die en boekte succes.

Terug in Princeton heeft hij zich voorgenomen niet meteen weer als een razende tekeer te gaan, zoals soms in Nederland. In New Jersey is hij geen BN’er en dat bevalt hem. Er is weer gelegenheid om na te denken over wetenschappelijke kwesties. De incubatietijd om te komen tot nieuwe inzichten is lang, weet hij uit ervaring. En hij maakt soms een schilderij, want kunstenaar is hij ook (Dijkgraaf studeerde twee jaar aan de Gerrit Rietveld Academie, red.). Evenals zijn vrouw en drie kinderen voelde hij zich meteen thuis in het huis waar Oppenheimer ooit woonde en waar de vleugel van Einstein nog in de kamer staat. “Als gezin zijn we dicht bij elkaar. We beginnen allemaal opnieuw en delen elkaars onkunde. We zijn ook buitenstaanders die soms samen kunnen lachen om die rare Amerikanen.”

Het eredoctoraat dat hij 24 mei in Nijmegen in ontvangst neemt, ontroert hem. De reden: de argumentatie waaróm hij de onderscheiding krijgt. Niet alleen vanwege zijn wetenschappelijke prestaties, maar ook omdat hij de wetenschap toegankelijk maakt voor het grote publiek. “Dat is precies de combinatie die ik in mijn leven belangrijk vind, ik vind het mooi dat die kwaliteit wordt erkend.” De Radboud Universiteit draagt hij een warm hart toe. Waarom? “Die universiteit heeft in mijn ogen de laatste jaren steeds de juiste beslissingen genomen. Er is consequent vanuit wetenschappelijk perspectief gekeken naar wat wel en niet goed is voor de instelling. In een tijd waarin de wis- en natuurkunde het niet gemakkelijk hadden, hebben ze toch doorgezet. En er zijn een paar mooie internationale benoemingen geweest de laatste jaren.”

Zijn leven is eenvoudiger geworden sinds zijn verhuizing naar Princeton, zegt Dijkgraaf na een korte stilte. De toekomst is een leeg vel papier. “Ik ervaar hier dat je soms even moet stilstaan. Niet het pad aflopen, maar even naar de vogeltjes luisteren en je afvragen waar dat pad eigenlijk naartoe gaat. Dit instituut is in een plek die probeert mensen uit hun ritme te halen en terug te voeren naar de vragen die er echt toe doen.”

Annemarie Haverkamp, Vox

 

 

Naam

Robbert Dijkgraaf

Geboren: Ridderkerk, 1960

Opleiding: B.Sc. Natuurkunde (cum laude), Universiteit Utrecht (1982), Gerrit Rietveld Academie, Amsterdam (schilderen) (1982-1984), M.Sc. Theoretische Fysica (cum laude), Instituut voor Theoretische Fysica, Universiteit Utrecht (1986), Ph.D. Universiteit Utrecht (cum laude)

Loopbaan: Dijkgraaf is snaartheoreticus. Werd in 1989 onderzoeker aan Princeton University en daarna bij het Institute for Advanced Study (IAS). In 1992 begon hij als hoogleraar mathematische fysica aan de UvA. Won in 2003 de Spinoza-premie. In 2008 werd hij president van de KNAW. Afgelopen zomer vertrok hij opnieuw naar Princeton om directeur van het IAS te worden. Schrijft columns voor NRC en Folia en maakte de website proefjes.nl. Is redacteur bij wetenschappelijke tijdschriften en adviseur van diverse instituten.

Overigen: Getrouwd met schrijfster Pia de Jong, die in NRC publiceert over het leven in Princeton. Vader van drie kinderen. Heeft synesthesie (ziet kleuren bij woorden, getallen en voorwerpen). De kleur van het IAS? “Donkergroen.”

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Name (required)

Email (required)