Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

“Wie de meeste stukjes schrijft, heeft gewonnen”

“Wie de meeste stukjes schrijft, heeft gewonnen”

Photographer:Fotograaf: Philip Driessen

Prof. Paul Knipschild maakt zich zorgen over onderzoeksklimaat

Er is “veel mis” in de universitaire medische wereld, zegt hoogleraar epidemiologie Paul Knipschild in zijn afscheidsrede. In hun race om zoveel mogelijk publicaties lappen heel wat onderzoekers de wetenschappelijke regels aan hun laars. Er wordt gesjoemeld met data en onderzoeksresultaten en veel onderzoek “stelt niets voor”, of is een zoveelste herhaling van hetzelfde.

Hij wil geen schreeuwerig artikel in Observant, zegt prof. Paul Knipschild (bijna 59) halverwege het interview, en hij wil ook niet roepen dat vroeger alles beter was. Vol vuur: “In de jaren zeventig was het allemaal te vrijblijvend aan de universiteit. Je schreef of je schreef niet, de sfeer was: als je het niet doet is het ook goed. In de jaren tachtig ontstond het idee dat er gepubliceerd moest worden. Prima, ik schreef al en ben dat blijven doen. Maar in de jaren negentig is dit verworden tot: wie de meeste stukjes schrijft, heeft gewonnen. Het aantal ging tellen, niet de geleverde kwaliteit.”

“Ik heb heel wat flauwekulonderzoek langs zien komen”, verklaart hij in zijn afscheidsrede Uit de contramine die hij vrijdag 16 september zal uitspreken. Niet alleen als lid van de Maastrichtse Medisch Ethische Commissie (“ik zit er sinds 1998 in en beoordeelde zo’n duizend aanvragen voor onderzoek met patiënten”), maar ook als voorzitter van een groep epidemiologiehoogleraren, samengebracht door de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), en als referent van enkele tijdschriften. “Er zaten natuurlijk pareltjes tussen de onderzoeksaanvragen en nogal wat studies die niet spectaculair zijn, maar gedaan moeten worden. Maar tussen het koren zat ook kaf, veel kaf, onderzoek dat medisch-ethisch net door de beugel kan, maar veel belangrijker, dat ik zelf nooit of te nimmer zou willen doen. Het stelt eigenlijk niets voor en vaak wordt het op andere plaatsen ook al gedaan.” Om vervolgens met een stortvloed aan “onzinnige” onderzoeksprojecten te komen: “Waarom moet een universiteit nog meewerken aan onderzoek naar de effectiviteit van het zoveelste antidepressivum, of bètablokker nummer zestien? Of de invloed van passief roken van een zwangere op het ongeboren leven? Of de zoveelste grootschalige studie naar de relatie tussen van alcoholgebruik en borstkanker, of tussen melkconsumptie en botontkalking? Dat kan toch niet meer. Sommige dingen zijn al twintig keer onderzocht, en hebben alleen nut voor de farmaceut die wil verkopen. Andere zaken kun je niet onderzoeken, want er zijn geen eerlijke vergelijkingen mogelijk. De tijdschriften, nationaal en internationaal mogen dan vol staan met relatieve gezondheidsrisico’s, maar wat weten we als er staat dat een glaasje rode wijn goed is voor hart- en bloedvaten? Het onderzoek zit steeds vol haken en ogen, hoe groot het cohort ook is. En de perceptie van risico is zo anders bij kranten- en tijdschriftlezers van verschillende pluimage.”

Dit alles is niet een typisch Maastrichts fenomeen, benadrukt hij, en ook niet iets specifiek voor de medische wereld: “Dit zie je overal in Nederland gebeuren.”

Onontgonnen gebied

Het ware beter, zo meent Knipschild, als de medische wereld zich veel meer zou richten op talloze onontgonnen gebieden. “Laten we eens allerlei studies starten naar de effectiviteit van bijvoorbeeld de podotherapeut, de wijkverpleging, de ergotherapeut of de mondhygiëniste. Ik was laatst bij de mondhygiëniste om mijn gebit helemaal schoon te laten maken, onder verdoving. Heb ik daar echt wat aan, vroeg ik, op welk onderzoek is de behandeling gebaseerd? Tja, dat wist ze niet. Ik heb toen een aantal professoren gebeld en wat blijkt: het is helemaal nergens op gebaseerd. We weten zo weinig in de geneeskunde. Ik wil als patiënt bijvoorbeeld weten of het zin heeft dat mijn voet wordt afgezet. Maakt dat niets uit, dan wil ik hem houden. Zo zouden we ook in kaart moeten brengen bij welke chirurg je moet zijn voor een bepaalde operatie. En daar dan consequenties uit trekken.”

We komen op een ander heet hangijzer. “Er is een sfeer ontstaan dat onderzoek altijd een positieve uitkomst moet hebben. Dat is een verkeerd idee. Wie een goede vraag stelt moet geïnteresseerd zijn in de uitkomst, of die positief of negatief is. Als iets niet werkt, is dat ook erg nuttig om te vertellen.” Punt is wel dat de journalist dan minder geïnteresseerd is, en juist de pers oefent een grote aantrekkingskracht uit op wetenschappers, merkt Knipschild. Ook op zijn eigen promovendi. Met iets van ongeloof: “Ik zit toch dicht bovenop mijn aio’s, en dan nog lees ik in de krant, ik wist van niks, over de positieve uitslag van een onderzoek naar de effecten van gedragstherapie bij kinderen met chronische hoofdpijn. Uit dat onderzoek kwam helemaal niets! Ik heb meteen naar de onderzoekster gebeld: hoe kan dit, waarom doe je dit, de uitkomst van je eigen studie vertelt een ander verhaal. Gelukkig ging het op de promotie wel goed. Iets soortgelijks gebeurde bij een onderzoek naar oudere mannen met plasproblemen en het effect van veel water drinken. De uitslag was negatief, maar alle persaandacht ging vervolgens naar een pilotstudie, uitgevoerd zonder controlegroep en dus niet wetenschappelijk betrouwbaar. Als dit al bij mij gebeurt, wat denk je dat er gebeurt bij meer rekkelijke begeleiders?”

Sjoemelen

De waarheid en niets dan de waarheid, vindt Knipschild. “Het is verboden te sjoemelen bij het uitvoeren en opschrijven van onderzoek. Ik herhaal: het is verboden.” Toch ziet hij het voortdurend om zich heen, “bij Caphri (onderzoeksinstituut, red.), binnen de verschillende hoofdthema’s van onderzoek van ons aller UMC+ en daarbuiten. ‘Men’ vergist zich een beetje bij het willekeurig indelen van de patiënten. ‘Men’ schrijft achteraf vooral over de subgroep die positief op de therapie reageert en noemt andere deelnemers nauwelijks. En ‘men’ laat achteraf studies weg met een heel andere uitkomst dan die van het eigen onderzoek.” Om grinnikend te vervolgen: “Ik had miljonair kunnen zijn als we een onderzoek naar het effect van voedingssupplementen, die worden gebruikt tegen beginnende dementie, niet gepubliceerd hadden. De fabrikant vroeg het heel netjes, wij hebben heel netjes nee gezegd en toch gepubliceerd.”

Verlaat hij een zinkend schip? Nee, zo pessimistisch is hij niet. “Het zijn golfbewegingen, de publicatiegolf van nu is een uitwas. Ik hoop dat we straks, over een paar jaar, weer onderzoek krijgen waar je niet omheen kunt. En dat we overgaan op het Angelsaksische systeem: dat je bij een sollicitatie de beste publicaties van de afgelopen vijf jaar moet laten zien.”

Riki Janssen

Afscheidsrede van prof. Paul Knipschild ‘Uit de contramine’, vrijdag 16 september 

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Name (required)

Email (required)