Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

Drie geneeskundestudenten overvallen in Ghana

Drie geneeskundestudenten overvallen in Ghana

Photographer:Fotograaf: archief Gitte Snijders

Drie Maastrichtse studenten geneeskunde zijn eind maart in Ghana door een groep gewapende mannen overvallen. De faculteit heeft nu besloten de stages in het West Gonja District Hospital in Damongo voorlopig stil te zetten. Eerst moet er zekerheid komen of de veiligheid en de begeleiding van de studenten kan worden gegarandeerd.

Het is zondag 27 maart. In het dorpje Damongo stappen de zesdejaars geneeskunde Gitte Snijders en Inge Rutten in een pickup truck. Zij gaan, vergezeld van de chauffeur van het ziekenhuis, hun studiegenoot Meike Elferink ophalen in Tamale; een stad die op twee uur rijden ligt en – niet onbelangrijk - beschikt over een pinautomaat. Elferink is de dag ervoor geland in de Ghanese hoofdstad Accra (“ik heb hier anderhalf jaar naar toegeleefd”), en wil net als Rutten, die half maart al aankwam, vijf maanden als semi-arts in het ziekenhuis gaan werken. Snijders was al eerder in Ghana en is nu vier weken bezig aan haar tweede stage in het West Gonja District Hospital.

Rond vier uur ‘s middags ontmoeten ze elkaar, eten gezamenlijk frietjes (“eindelijk weer eens een westerse maaltijd”), gooien Elferinks rugzak in de laadbak en zetten om 18.00 uur de terugreis in die normaal zo’n twee uur in beslag neemt. Tijdens een korte tussenstop schaft de chauffeur enkele zakken varkensvoer aan die bovenop de rugzak terechtkomen.

Een half uur later neemt de pickup de afslag naar Damongo. “Vanaf dat moment zit je op de onverharde weg en moet je nog anderhalf uur”, vertelt Snijders. “Het was al donker, pikkedonker. Er is geen straatverlichting, geen huizen waar lichtjes branden, niets.” Na een paar honderd meter trapt de chauffeur op de rem; de weg ligt bezaaid met rotsblokken, er is geen doorkomen aan. Rutten: “Onze chauffeur zei meteen: ‘Armed robbers.’ Hij zei het zo cool dat ik dacht dat het wel vaker zou gebeuren en we zo konden doorrijden.” Er duiken zes tot acht mannen uit de bosjes die zich met geweren en kapmessen rondom de auto posteren. Elferink, koud twee dagen in Ghana, hoort de chauffeur in het Engels en de lokale taal Twi uitleggen dat ze van het ziekenhuis zijn, dat de studenten hier zijn om te werken. “Ik dacht: ze zullen ons wel doorlaten.” Niets blijkt minder waar. Lichten uit, motor af, waardevolle spullen inleveren, commanderen de overvallers. De chauffeur wordt de auto uitgesleurd en tegen de grond gewerkt. Er klinkt een waarschuwingsschot. “Nu is het menens”, weten de drie. “Wat moeten we doen? Blijven zitten?”, vragen ze aan elkaar.

De deur achter de chauffeur gaat open en Rutten, van wie de handtas meteen wordt afgepakt, moet op de grond in het zand gaan liggen. Snijders, die naast haar op de achterbank zit en in een reflex het sluitknopje van de deur heeft ingedrukt, begrijpt een seconde later dat dat geen slimme actie is. “Er stond een kerel bij mijn deur die het raam met een kapmes begon te bewerken. Ik durfde de deur niet meer open te doen en ben via het andere achterportier naar buiten gegaan.” Elferink volgt.

 

Doodsbang

“We lagen op rijtje, met de benen opgetrokken en de hoofden in het zand. Een soort yogahouding. De chauffeur lag tegenover ons. We hielden elkaars handen vast, uit een reflex, om elkaar te beschermen en seintjes door te geven.” De struikrovers willen geld, halen alles uit de auto en fouilleren de drie studenten tot vier maal toe “op een handtastelijke wijze”. “Je houdt niets meer achter, je bent alleen maar doodsbang. Bang dat ze je verkrachten of vermoorden”, vertellen ze. Hun hoofd mogen ze niet optillen, laat staan de benen strekken, terwijl daar nauwelijks nog bloed doorheen stroomt. Er komen motoren aan, een auto en een vrachtwagen. Er klinken schoten. Alle bestuurders en passagiers blijkt eenzelfde lot beschoren. Snijders: “Uiteindelijk lagen er zeker twaalf mensen, wij waren de enige vrouwen en de enige blanken. We hielden ons muisstil, bang om op te vallen, maar knepen af en toe in elkaars handen. Hoe langer we daar lagen, hoe kleiner ik de kans achtte dat we het er levend van af zouden brengen.”

Na een klein uur in het zand wordt het stil. Zijn ze vertrokken? De drie strekken en bewegen al liggend hun benen. Elferink: “Als we de kans kregen om de vluchten, moesten we wel op onze benen kunnen staan.” Ze blijven wachten tot ze een motor langs horen komen die niet wordt aangehouden. Ze springen in de auto, om een minuut later weer naar buiten te keren. Rutten: “We keken of er gewonden waren. Dat was niet zo.” Het gerucht in Maastricht dat er een dode is gevallen, klopt dus niet, benadrukken ze. “We hebben Meikes paspoort nog teruggevonden, de sleutels van het co-huis, visumpapieren van een vriend.” Maar Elferinks laptop, I-phone, MP3-speler, zonnebril, geld en bankpasjes zijn verdwenen. Snijders mist haar telefoon en I-pod en een beetje geld. Rutten, die net 250 euro heeft gepind, is die kwijt en twee telefoons.

 

Stoppen en omdraaien

Eenmaal in de auto en weer op weg wordt er stoom afgeblazen en maken ze grapjes. “Wie heeft er van de schrik in zijn broek gepoept of gepiest?” Niemand. Er wordt gelachen tot de pickup na tien minuten, in de buurt van het volgende dorp, weer vaart mindert. Rutten: “Een nieuwe wegversperring, we zagen wel honderd mensen met geweren, bijlen en kapmessen.” De moed zakt hen in de schoenen. We hebben geen geld of waardevolle spullen meer, nu gaan we er zeker aan, bedenkt Elferink. “Stoppen, omdraaien”, roept ze tegen de chauffeur. “Kan niet”, antwoordt hij. “Dan denken ze dat wij rovers zijn.” Hij heeft gelijk. De horde dorpsbewoners heeft zich verzameld nadat ze in de verte schoten hebben gehoord. Ze willen de bandieten gaan pakken. De drie: “Dat gaf ons een fijn en opgelucht gevoel. Als we daar langer hadden gelegen dan waren ze gekomen om ons te redden.” Ze mogen doorrijden.

Driekwartier verder komen ze nog een politieauto met sirene tegen, bij hun dorp is een politieversperring. Hun verklaringen worden nog die avond snel opgetekend. Snijders: “We zijn heel goed opgevangen door lokale mensen daar. Ik ken een aantal van hen, ik ben er al eerder achttien weken geweest. Het is een soort familie.” Ook de hulp vanuit de UM was prima, vinden ze. Er was iedere dag contact en in Maastricht is geregeld dat ze met hetzelfde vliegtuig naar huis konden.

 

Trillend rietje

Nee, ze zitten niet als trillende rietjes hun verhaal te doen. Eerder nuchter en zakelijk. Ze slapen ook goed, al weten ze niet hoe dat over een tijdje zal zijn. De keuze om naar huis te gaan was een moeilijke. Elferink: “Ik zou vijf maanden blijven, had er zo lang naar toegeleefd. Maar mijn vriend en familie waren zo ongerust, ik kon het ze niet aandoen om te blijven.” Snijders: “Je familie is ongerust en je bent toch afhankelijk van die onverharde weg. Maar de stage is zo leuk en gevarieerd, het land is mooi en de mensen – op die paar rotte appels na die wij toevallig tegenkwamen – zijn zo enorm warm en vriendelijk.” Rutten knikt instemmend. Zij had deze stage – net als Elferink - bedoeld als een test voor haar toekomst. “Ik wil de tropenopleiding gaan doen, maar dat plan staat nu een beetje op losse schroeven. Ik heb de risico’s van het vak nu gezien.” Toch is zij vastbesloten om haar droom nog een kans te geven en dus terug te gaan naar een ontwikkelingsland. Elferink denkt er net zo over.

Of dat weer het West Gonja District Hospital kan worden, is de vraag. De faculteit Health Medicine and Life Sciences zoekt uit of de stage gehandhaafd kan worden, vertelt Pauline Vluggen, hoofd onderwijszaken FHML. “In augustus zouden nog twee studenten gaan, maar die vertrekken nu niet.” Eerst moet er helderheid komen over de veiligheid en de begeleiding van de co-assistenten. Het is de eerste keer dat Vluggen zoiets dergelijks meemaakt. “Ik houd me al 25 jaar bezig met internationalisering, we sturen iedere jaar een paar honderd studenten naar het buitenland. Er is nog nooit zoiets gebeurd.”

Het faculteitsbestuur, zo liet decaan Martin Paul afgelopen dinsdag aan de faculteitsraad weten, gaat samen met Mustangh kijken naar andere stages in de regio. Mustangh – een stichting opgericht en gerund door Maastrichtse studenten – ondersteunt al jaren het West Gonja District Hospital, zowel financieel en materieel.

 

Pech

En Snijders? “We hebben pech gehad. Ik zie dit als een goede waarschuwing voor mijn volgende reis. Zodra het donker is, moet je niet meer reizen over landwegen. Ik ga terug, deze zomer alweer. Daarna wil ik de opleiding huisartsgeneeskunde gaan doen en één keer in de twee jaar een tijd in een ontwikkelingsland werken.”

“Weet je wat ik het ergste vind”, zegt Elferink tenslotte, “dat ik nu weer hier in Maastricht ben, op zoek naar een coschap, terwijl deze stage in Ghana mijn grote droom was.”

 

Riki Janssen

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)