Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

Een speurtocht naar wrakke opleidingen

Een speurtocht naar wrakke opleidingen

Photographer:Fotograaf: simonegolob.nl

Inholland-toestanden aan de universiteit?

Onder de maat, luidde onlangs het oordeel over vier opleidingen van de Hogeschool Inholland. Is zoiets ook mogelijk bij de universiteiten, dat opleidingen hun academische status niet waard zijn? Want ook daar leveren diploma’s geld op. “Zeg maar hoeveel punten je nodig hebt voor een zes.”

Zou het echt allemaal koek en ei zijn in het wetenschappelijk onderwijs? Natuurlijk niet. Vraag studenten om voorbeelden van al te makkelijk behaalde studiepunten en ze komen geheid ergens mee, uit eigen ervaring of die van collega’s. De inmiddels afgestudeerde Jeroen Postma (international business, Maastricht): “In 2009, bij een moeilijk vak waar zelfs na de herkansing driekwart voor zakte, ging ik met mijn vijf komma zoveel naar de inzage en daar werd me gewoon gevraagd: ‘Hoeveel punten – per vraag kreeg je punten – heb je nodig voor een zes?’ Die heb ik toen gekregen. Ik werd wel gesommeerd om er mijn bek over te houden. Anderen zijn gaan rellen, want er waren ook tweeën en drieën. Daarop kwam er een nieuw herexamen wat veel makkelijker was, met allemaal achten en negens als resultaat.”

Andere incidenten? Hardnekkige berichten willen dat vele oogjes werden toegeknepen toen enige jaren geleden grote aantallen studenten ‘oude stijl’ ingehaald werden door de bama-structuur en de opleidingen nog wel graag de drs-bonus wilden incasseren. “Ook bij schakelprogramma’s voor hbo’ers die aan een wo-master wilden beginnen hoorde je die geluiden”, zegt hoofdredacteur Frank Steenkamp van de Keuzegids Universiteiten. “Maar de tijd van dergelijke grootschalige arrangementen is volgens mij wel voorbij.”

 

Kwaliteitsstempel

Het zou ook allemaal niet eens mogelijk moeten zijn, gezien het systeem van kwaliteitsbewaking dat in ons land is opgetuigd met visitaties, accreditatie, de inspectie. Maar ja, zelfs de gewraakte Inholland-opleidingen hadden van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie een keurig kwaliteitsstempel ontvangen. Ex-Inhollandbaas Geert Dales vindt dat hij daarop “moest kunnen varen”, zei hij onlangs nog tegen NRC Handelsblad.

NVAO-voorzitter Karl Dittrich: “Zo werkt het niet. We geven eens in de zes jaar ons oordeel en dan gaat het per definitie over het verleden – over het gerealiseerde niveau. En tja, het is net als bij de banken, resultaten uit het verleden… , enzovoorts.”

Belangrijk is ook dat de wettelijke regels enige soepelheid bij de visitatiecommissies in de hand werkten. Dittrich: “Bij een negatief oordeel kon de tent meteen sluiten want dan geef je als NVAO vervolgens geen accreditatie meer. Dat wordt nu anders, er komt een herstelperiode van een of twee jaar. Ik heb in het verleden wel rapporten gezien met de uitkomst: niet goed genoeg. Dan kreeg die opleiding de ruimte om in een paar maanden verbeteringen aan te brengen. Vervolgens was het nog steeds onvoldoende maar als de commissie goede intenties zag, gaf men het voordeel van de twijfel.”

En dan verdween zo’n opleiding weer voor zes jaar onder de radar. Dat is iets wat nu gaat veranderen: de onderwijsinspectie krijgt de mogelijkheid om tussentijds te controleren.

 

Studentenoordeel

Een hulpmiddel om wrakke universitaire studies op te sporen is mogelijk het oordeel van studenten over het onderwijsniveau: dat zegt natuurlijk wel iets. De Nationale Studentenenquête vraagt daar periodiek naar, en bij de Keuzegids Universiteiten wil hoofdredacteur Steenkamp wel een lijstje maken van de laagste scores. In 2010 staan bovenaan wat talen: Italiaans, Roemeens en Duits, in Amsterdam, Leiden en Groningen. Ze krijgen net een zesje voor het niveau van de stof en soms nog minder. Probleem is alleen dat het heel kleine opleidingen zijn. Dat maakt die uitkomsten “volgens onze eigen normen niet voldoende betrouwbaar”, meldt Steenkamp, tevens directeur van het Centrum voor Hoger Onderwijs Informatie. “In het hbo zijn ze er wel, daar kun je duidelijk constateren dat studenten hun opleiding beneden de maat vinden.”

En als er dan eens een grote opleiding is die laag scoort, zoals de bachelor bouwkunde in Delft met een mager zeventje van de eigen studenten, dan is men er daar niet bepaald van onder de indruk. Directeur onderwijs Christian van Ees: “Ik neem dat met een korreltje zout. Onze afgestudeerden worden zeer gewaardeerd. Een aantal van onze mastertracks geeft rechtstreeks toegang tot het register van architecten, dat is een nationale en ook Europese benchmark. De werkstukken in de bachelor- en de masterfase worden altijd door een tweede beoordelaar bekeken. Wel gaan we wat meer aan het wetenschappelijk niveau doen, maar ja, de studenten willen gewoon architect worden en dat is nu eenmaal niet zo’n wetenschappelijk vak.”

 

Dieptepunt

Een andere indicatie voor onvoldoende niveau zou de studietijd per week kunnen zijn. Die zegt iets over het gemak waarmee men door de studie rolt. Als studenten naar eigen zeggen nog geen twintig uur per week nodig hebben, is duidelijk dat je daar niet Einstein hoeft te heten. Volgens de meest recente gegevens was dat bij de Rotterdamse bachelor rechten het geval. Een landelijk dieptepunt, maar een rechtstreeks verband met de kwaliteit van het diploma – dat is toch iets te kort door de bocht.

Niettemin hebben de Rotterdamse juristen ervan geleerd, zegt onderwijsdecaan Suzan Stoter: “Mede door die uitslag hebben we het curriculum omgegooid. We gaan per 2012 nog een stap verder: geen massaal onderwijs meer met herkansingen, want dat levert veel te veel mogelijkheden voor vlucht- en uitstelgedrag. Ons nieuwe didactische model gaat uit van kleine groepen met aanwezigheidsplicht, activerend onderwijs, en in plaats van herkansingen de mogelijkheid om (lichte) onvoldoendes te compenseren met hogere cijfers voor andere onderdelen. Ik verwacht dat het aantal studie-uren per week al is gestegen en nog verder stijgt.”

 

Cynisch

Zijn er dan echt geen ‘Inhollandjes’ in het wetenschappelijk onderwijs? “Het kan bijna niet anders, met de grote druk op rendementen en de financiën”, denkt voorzitter Sander Breur van de Landelijke Studenten Vakbond. “Niet waarschijnlijk”, zegt Dittrich, “ook al omdat de cultuur in het wo anders is: er is een hardere houding tegenover elkaar. Door de concurrentie tussen de onderzoekers zijn ze daar meer gewend elkaar de maat te nemen.” Frank Steenkamp: “De cultuur is inderdaad anders, in het hbo hebben managers – met hun rendementseisen – meer te zeggen. Wetenschappers aan de universiteiten staan daar veel onafhankelijker, soms zelfs cynischer tegenover.”

En Jan-Willem Swane, woordvoerder van de Inspectie van het onderwijs: “Je kunt het niet uitsluiten maar er zijn geen aanwijzingen. Wij hebben alle hoger-onderwijsinstellingen gevraagd naar onregelmatigheden. Zoals die speciale afstudeertrajecten van Inholland, maar ook andere dingen. Uit de universiteiten kwamen nauwelijks signalen; niets wat een nader onderzoek op locatie rechtvaardigde. Dat zegt wel iets. Verder werkt men in het wo met een visitatiecommissie per sector en niet per individuele opleiding. Dat maakt de kans kleiner dat een opleiding die onder het niveau belandt, onopgemerkt blijft.”

 

Voldoende

De instantie die de visitaties bij de universiteiten voor haar rekening neemt is de Qanu: Quality Assurance Netherlands Universities. Sietze Looijenga is coördinator van de onderwijsvisitaties, en ook hij is redelijk positief gestemd. “We zijn sinds 1990 met de vierde ronde visitaties bezig. Als er serieuze problemen waren, was dat wel opgemerkt.” Weliswaar vinden commissies soms dat een scriptie – “we vragen ze op met een zes en hoger” - een te hoog cijfer kreeg, “maar het gaat erom of het nog voldoende is. Bij Inholland was met veertig procent van de scripties iets aan de hand, dat heb ik in het wo nog nooit meegemaakt.”

Echte onvoldoendes hebben de visitatiecommissies niet uitgedeeld, zegt Looijenga, “maar een paar jaar geleden zag je wel dat universiteiten na een matig commissieoordeel afzagen van hun plan om een doctoraalspecialisatie om te bouwen tot een master. En de letterenvisitaties van 2008 leverden zuinig commentaar van de deskundigen op, er was weinig goed of excellent. Maar onder de maat was het ook niet.”

 

NVAO-voorzitter Dittrich: “Bij een accreditatie kijken wij of de visitatie volgens de regels heeft plaatsgevonden, of het panel goed is samengesteld, of er voldoende scripties zijn bekeken. Dan is er geen reden om argwaan te koesteren. Het stelsel is gebaseerd op vertrouwen. Ja, dat kan een probleem zijn. Maar ik verwacht een bepaald ethos van de beoordelaars, de docenten. Zij gaan ten slotte over de cijfers. Belangrijk is een kwaliteitscultuur binnen de instelling, waarin docenten zich veilig voelen om hun werk te doen en een onvoldoende kunnen geven als het moet. Een dergelijke veiligheid ontbrak bij die opleidingen van Inholland.”

 

 

Wammes Bos

 Voorzitter examencommissie Henk van Berkel

 

“Nee, dat is geen sjoemelen”

 

Hoofddocent onderwijskunde Henk van Berkel is al tien jaar lid van de examencommissie bij gezondheidswetenschappen. Het laatste jaar als voorzitter, net als in het begin. Examencommissies hebben de wettelijke plicht de kwaliteit van de toetsing en het eindniveau van de studenten in de gaten te houden. Ze zijn volstrekt onafhankelijk. Van Berkel: “Ze kunnen je niet afzetten, maar je machtsmiddelen zijn formeel. In de praktijk loopt het anders. Een docent die niet doet wat in het examenreglement staat kun je zijn bevoegdheid tot examineren afnemen, hij kan dan ook geen blokcoördinator meer zijn, maar als je dat te ver vindt gaan kun je als commissie alleen maar praten.

“Wat examencommissies doen en vinden verschilt per faculteit en universiteit. Ik krijg als voorzitter 850 uur per jaar, dat is de helft van mijn tijd. Laatst hield ik in Baarn een praatje voor opleidingsdirecteuren en hoorde toen dat het bij andere universiteiten soms maar een paar uur per week is. Dan worden zaken dus administratief afgehandeld.

“Over kwesties als plagiaat wordt kennelijk ook binnen de UM anders gedacht. Laatst dat geval bij rechten, waar de examencommissie zei dat een geplagieerd paper niet over hoefde; dat kan bij ons echt niet. Ik houd hier wekelijks plagiaatgesprekken, zoiets zie je niet door de vingers, dat moet gewoon altijd over. Binnen de UM probeert de rector nu wat meer uniformiteit in de regelingen te krijgen. Dat lijkt me een goed idee.

“Ik heb niet de indruk dat docenten en blokcoördinatoren bij GW in de regel makkelijk zijn jegens de studenten, integendeel. Het geeft status om onvoldoendes te geven, vooral bij die vakken, zoals statistiek, die zich als ‘moeilijk’ afficheren. Men legt de lat hoog, het is hùn vak.

 “Genadezesjes, een genademondeling, dat komt voor. Iedere docent denkt wel eens: hoe is die student in godsnaam zo ver gekomen? Van de 300 studenten per jaar bij ons is er altijd wel een of twee van wie je zegt: gelukkig, die is vertrokken. Waar wij geen zicht op hebben is of de docent zijn werk gewetensvol doet. We letten wel op de signalen. Er was een docent die zoveel studenten liet slagen dat we hem in de gaten hielden. Maar hij bleek zeer intensief te begeleiden. Een ander gaf iedereen at random achten, negens, tienen. Die bleek zwaar overspannen te zijn, hij keek niets meer na. Toen hebben we ingegrepen, we hebben de cijfers herroepen.

“Van bovenaf is er geen druk op de normen. Van de directeur van het onderwijsinstituut, nu decaan Albert Scherpbier, kregen we wel eens te horen dat we de rendementen bij de besluiten van de commissie in het oog moesten houden. Dat ging dan om praktische zaken als het niet organiseren van herkansingen in de nieuwe onderwijsperiode. Niet om de eisen lichter te maken.

“De normen liggen bij de docent. Meestal begint die met iets absoluuts: 55 of 60 procent moet correct zijn. Maar dan blijkt vaak dat te veel studenten zakken en wordt het naar beneden bijgesteld. Te veel wil zeggen: ten opzichte van het jaar er voor of ten opzichte van andere toetsuitslagen in hetzelfde jaar. Ook het Cito werkt zo.

“Een toetsuitslag is gebaseerd op twee dingen: de kennis bij studenten en de moeilijkheid van toetsvragen. Toetsvragen kunnen toevalligerwijs makkelijker of moeilijker uitpakken dan gewenst. Docenten zijn niet in staat een juiste schatting te geven van de moeilijkheid van een toetsvraag, daar heb ik mijn proefschrift over geschreven. Daarom zoek je andere ijkpunten. Dat kan de vergelijkbare toets van een jaar eerder zijn of toetsen uit hetzelfde jaar. Nee, dat is geen sjoemelen.

“Naema Tahir bepleitte laatst als columnist in Buitenhof dat er ook in het hoger onderwijs met vaste eisen wordt gewerkt, zoals met het landelijk rijexamen. Maar daar hanteren ze een itembank met vragen waarvan je weet hoe moeilijk ze zijn. Door een juiste manier van steekproeftrekken krijg je dan een toets waarvan de moeilijkheid van te voren bekend is, omdat de vragen al zijn afgenomen bij een vergelijkbare groep deelnemers.

Binnen het hoger onderwijs zijn er nog nauwelijks itembanken. Docenten maken steeds nieuwe vragen en daarvan weet je niet hoe moeilijk die zijn. Ik vind dat ook wij meer met itembanken moeten werken. Ik ben een sterk voorstander van landelijk examineren, ook in het universitaire onderwijs.”

                                                           

 

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)