Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

“Ze noemen me nog geen meester, dus het valt mee”

“Ze noemen me nog geen meester, dus het valt mee”

Photographer:Fotograaf: simonegolob.nl

O, o, eerstejaars

O, o, die eerstejaars. Wat kunnen ze, en wat eigenlijk niet? Is hun spelling echt zo slecht? Kunnen ze zich nog wel concentreren met een laptop en smartphone voor hun neus? Maastrichtse docenten worden door Observant aan de tand gevoeld. “Ik geef graag onderwijs, maar halverwege het blok denk ik weleens: ‘Waren er maar geen studenten’.”

“Je bent altijd bang dat het aan jezelf ligt, omdat je ouder wordt, maar ik heb de indruk dat onze studenten dommer worden”, meent Fokke Fernhout, hoofddocent bij rechten en coördinator van de eerste twee trainingen in juridische vaardigheden. “Het wordt steeds gekker wat ze niet weten. Van hun algemene ontwikkeling hoef je niets te verwachten, ze hebben niets geleerd op school.”

Dat beaamt hoogleraar Arnold Labrie van European Studies. “De achtergrondkennis van studenten is in de loop van de tijd achteruitgegaan. Ik moet zoveel basale zaken uitleggen. Ze weten bijvoorbeeld vaak niet meer wat de rol van het geloof in onze geschiedenis is. Ik heb het niet over details of jaartallen, maar over de invloed van het christendom, dat er kruistochten waren.” Maar of ze ook dommer zijn? Zover wil hij niet gaan. “De eerstejaars worden niet dommer en ze zijn ook niet intelligenter dan de lichting van tien jaar geleden.”

Rechtendocent Tanja van der Meer merkt ook dat het de eerstejaars soms aan kennis ontbreekt. “Ze zijn heel fragmentarisch opgeleid in geschiedenis, hebben geen idee van chronologie. Ik herinner me tijdens een blok rechtsgeschiedenis – niet in mijn onderwijsgroep, maar van een collega – dat er een student was die vroeg waarom de Tweede Wereldoorlog de tweede wordt genoemd. Een studiegenoot antwoordde: ‘Waarschijnlijk omdat er een eerste is geweest?’”

Ook statistiekdocent Christian Kerckhoffs van de School of Business and Economics (SBE) sluit zich bij Fernhouts opvattingen aan. “Ik sla dit cohort lager aan. Mijn impressie is dat deze eerstejaars zichzelf overschatten en over minder academische capaciteiten beschikken. Bijvoorbeeld de wiskundekennis, die schiet vaak tekort. Dat was altijd wel een beetje maar de laatste jaren is het probleem groter geworden. Ze beheersen de procedures wel, maar zodra je de context verandert, zijn ze de weg kwijt. Dat komt wellicht ook omdat de samenstelling van de populatie economen is veranderd: meer Nederlanders, minder Duitsers. Die laatste groep is gemotiveerder.”

Anderen zijn milder. “Ik kan geen gaten in hun achtergrondkennis ontdekken”, zegt Mark Winands, opleidingsdirecteur bij kennistechnologie. “Het is een goed jaar. Ze blijven enthousiast komen, halen goede cijfers. Er is weinig uitval. Ja, tot nu toe zijn we tevreden.” Michael Capalbo, opleidingsdirecteur en blokcoördinator bij psychologie, hoort van collega’s wel slechte verhalen wat betreft de algemene ontwikkeling, maar zelf merkt hij er niet zoveel van.“Het gaat mij er ook niet om hoeveel algemene kennis ze in huis hebben, maar hoeveel zin ze hebben om die op te bouwen.”

 

Wat zeg je?

Ook op taalgebied laat de kennis te wensen over. “Het valt me op dat ik net zo goed Chinees kan praten, want ze begrijpen gewoon niet wat ik zeg”, constateert rechtendocent Fokke Fernhout. “Ze lezen bijzonder weinig, dat is een van de redenen dat ze geen gevoel voor taal hebben.” In het eerste practicum van de opleiding Nederlands recht is het accent niet voor niets verlegd van schrijven naar lezen. “Gewoon lezen blijkt heel moeilijk. We laten ze in het begin simpelweg zinnen voorlezen, vervolgens vragen we hen naar de betekenis.”

Hoogleraar Arnold Labrie ziet hetzelfde probleem bij het Engels. “Wij hebben doelbewust European Studies als een Engelstalige studie opgezet. In de beginperiode was de taal geen probleem, maar nu heb ik de indruk dat studenten het Engels minder goed beheersen. Het is niet de bedoeling dat dit een talenstudie is, het gaat om de inhoud, de taal is het communicatiemiddel. Ik ben best bereid om een beetje kwaliteitsverlies te accepteren, ik moest in mijn eigen eerste jaar ook wennen aan de Engelse teksten die ik moest lezen, maar ik merk nu dat het gebrek aan talenkennis het niveau van de discussie aantast. Mensen zijn soms stil in de onderwijsgroep omdat hun Engels achterblijft. We moeten de juiste studenten aantrekken. We hebben nu selectie aan de poort, ik hoop dat het gaat helpen.”

 

Yo prof!

“Ik durf te zeggen dat de jeugd van tegenwoordig beleefder is dan in mijn tijd, begin jaren negentig. Al zijn de Nederlanders wel informeler dan de Duitsers, soms over de grens. Niet ongebruikelijk is dat je een e-mail krijgt die begint met ‘Hee’. Ik vind dat niet kunnen,” zegt Christian Kerckhoffs van SBE. Rechtendocent Tanja van der Meer kan er nu wel om lachen, maar staat ook geregeld te kijken van de e-mails van eerstejaars. De ergste? “Yo Tanja”. Maar er zijn er ook die beginnen met “Hoi Tanja”. Dan antwoord ik dat ze een volgende keer de aanhef moeten aanpassen. Kijk, als ík zeg dat ze me bij mijn voornaam mogen noemen, vind ik het geen probleem. Maar als ik de student niet ken, houd ik er niet van als ze overdreven amicaal doen. Ik vind die e-mailetiquette toch wel prettig. Ik ben hun docent, niet hun chum.”

Mark Winands, opleidingsdirecteur bij kennistechnologie, kent het fenomeen. “Je mag me best met mijn voornaam aanspreken, maar ‘hey’ vind ik wel erg familiair. Vroeger was de e-mail voor iets dringends. Nu krijg ik ook berichten over kleine dingen waarvan ik denk, dat had je ook kunnen opzoeken. De dag voor een tentamen krijg ik vaak mail; of ik iets nog even kan uitleggen.”

Daar kunnen zijn collega’s over meepraten. “Ze zijn heel snel met vragen stellen via de mail”, zegt Jonathan van Tilburg, universitair docent bij biomedische wetenschappen. “Ze denken dat de docent of de blokcoördinator alles weet van roosters en EleUM, terwijl ik helemaal niet in hun versie van EleUM kan. Daarvoor moeten ze bij bureau onderwijs zijn.”

“Het is iets van de laatste twee jaar”, concludeert rechtendocent Tanja van der Meer. “Ze zoeken en lezen niet. Ze geven te snel op, doen geen moeite. Gelukkig spreken de studenten elkaar er wel op aan, zo van: ‘Dan moet je beter kijken, daar en daar staat het’.”

Is het luiheid of zelfoverschatting? Fokke Fernhout benadrukt het laatste: “Ze lijden aan totale zelfoverschatting, vinden zichzelf geweldig. Ze hebben narcistische trekjes. Zo vinden ze bijvoorbeeld dat ze al snel veel hebben gedaan. Tijdens het practicum geef ik ze bijvoorbeeld een bibliotheekopdracht. Dan komen ze vervolgens bij mij en zeggen ze: ‘We hebben alles gedaan, maar niets gevonden.’ Als ik het dan met ze doorneem – op welke site heb je gezocht, et cetera – blijkt dat ze niets hebben gezocht. Onbegrijpelijk, want een paar weken eerder hebben we het uitgebreid besproken en kregen ze instructies mee.”

Dat het nooit aan de student zelf ligt, maar altijd aan de buitenwereld, is een punt dat ook Van der Meer aanhaalt. “Als ze niet slagen, geven ze nooit zichzelf de schuld. Het ligt aan het onderwijs, het tentamen of de docent.” Studenten willen graag individuele feedback op een paper of tentamen, weet Van der Meer, “maar slechts 1 procent doet er iets mee. Degene die is gezakt, denkt ‘ach, ik lever een nieuw paper in’. Degene die is geslaagd, heeft zijn punten binnen. Ze maken dus geen gebruik van die feedback.” Studenten die wel naar Van der Meer komen, hebben vaak niet de argumenten in huis om haar van hun gelijk te overtuigen. “‘Ik vind het zo’n goed antwoord’, zeggen ze dan.”

 

Terreur van de smartphone

Smartphones, laptops, iPad’s; de eerstejaars zijn eraan verslaafd, de docent heeft regelmatig de neiging het apparaat uit het raam te gooien. “Het gedrag van studenten wordt voor een deel bepaald door de terreur van de smartphone”, zegt statistiekdocent Christian Kerckhoffs. “Niet per se het gerinkel maar de voortdurende beschikbaarheid. Het ding ligt altijd gereed op tafel en zodra die piept, grijpen ze ernaar. Een nieuw facebook-bericht, een tweet, whatever. De concentratieboog is korter dan vroeger. Als ik een college statistiek geef, dus in een zaal met driehonderd studenten, eis ik dat de laptops dicht blijven. Ze accepteren dat ook.”

Laptops in de onderwijsgroep zijn nuttig, maar tegelijkertijd een bron van afleiding, meent rechtendocent Tanja van der Meer. “Na een half uur in de onderwijsgroep hebben ze het soms alweer gezien. De eerstejaars van nu zijn veel meer afgeleid. De een gaat spelletjes spelen op de laptop, de ander checkt zijn e-mail. Als ik het in de gaten heb, laat ik ze de laptop sluiten.”

“Dit is de internetgeneratie”, zegt Mark Winands, opleidingsdirecteur bij kennistechnologie. “Soms sta je als docent bepaalde dingen te beweren en zoeken ze het op, op Wikipedia. Dat had je een paar jaar geleden niet. Als het daar dan fout staat, kunnen er leuke discussies ontstaan. Het houdt ons scherp.” Ook het onderling contact gaat veel via internet, merkt hij. “Bij projecten doen ze veel via sociale media. Dat gaat niet altijd goed, soms moet je toch echt face to face afspreken. Ik denk ook dat er nog veel winst valt te behalen in hoe ze internet gebruiken. Niet iets klakkeloos van een website overnemen bijvoorbeeld.”

Bij biomedische wetenschappen is het juist opvallend rustig tijdens de colleges. Jonathan van Tilburg: “Ze luisteren aandachtig, zijn stil. Dat valt op, want we hadden gedacht dat het met grotere groepen, zo’n driehonderd studenten, rumoeriger zou worden.” SBE-docent Christian Kerckhoffs zorgt er wel voor dat het stil blijft tijdens zijn college. “Als iemand de orde verstoort, wijs ik zo’n student met humor terecht. Maar over het algemeen gedragen de eerstejaars zich volwassener dan vijftien jaar geleden toen ik studeerde. Ze weten van aanpakken en zijn niet luidruchtig, althans niet als ík college geef.”

 

Naar school

“We gaan naar school, ja dat komt regelmatig voorbij”, zegt Mark Winands, opleidingsdirecteur bij kennistechnologie. “Soms nog tot in het derde of vierde blok van het eerste jaar. Dan denk ik dat ik het ze heb afgeleerd… Toen ik student was, werd je door je medestudenten afgeschoten als je zoiets zei. Maar ach, ze noemen me nog geen meester, dus het valt mee.”

Het woord ‘school’ is verschrikkelijk, vindt rechtendocent Fokke Fernhout. “Dat krijg je er niet uitgeramd.” Dat ze op een universiteit zitten, zeggen ze niet graag, meent Michael Capalbo, opleidingsdirecteur en blokcoördinator bij psychologie: “Ze vinden het arrogant klinken. Voor mij is dit beside the point, want een universiteit is toch echt iets anders dan het hbo of de middelbare school. Een loodgieter is ook geen bakker.”

“Ze hebben moeite met de overstap van middelbare school naar universiteit”, concludeert Jonathan van Tilburg van biomedische wetenschappen. “Het lijkt alsof die stap steeds groter wordt. Ze zijn er aan gewend om duidelijke opdrachten te krijgen. Nu krijgen ze die niet, dus vragen ze; wat is het huiswerk? Eigenlijk zeggen ze; wat moet ik precies doen? Wat wordt er van mij verwacht? Ze willen ook heel graag horen wat ze voor het tentamen moeten weten, dat zie je ieder jaar.”

Onzekerheid. Een punt dat ook Bert Schutte, coördinator van het eerste blok bij geneeskunde, Groei en Ontwikkeling , aanhaalt. “Wat moeten ze leren? Waar moeten ze het zoeken? Hoe diep moeten ze gaan? Allemaal vragen waar ze een antwoord op willen. Ze willen het liefst zoveel mogelijk colleges, en dat terwijl wij juist werken met probleemgestuurd onderwijs. Ze moeten zélf het probleem zoeken en dan merken ze wel hoe diep ze moeten graven. Dat is een leerproces. Daarnaast is het natuurlijk een hele stap van middelbare school naar universiteit. De meesten gaan voor het eerst alleen wonen, ze moeten leren prioriteiten te stellen.”

Een ander overblijfsel van de middelbare school is het aangeleerde knip- en plakwerk. Rechtendocent Tanja van der Meer: “De studenten van nu vinden het heel normaal om zaken te kopiëren van het internet, terwijl ze, als we de discussie voeren over plagiaat en fraude, dondersgoed weten dat het niet mag.” Collega Fokke Fernhout: “Als blijkt dat ze de tekst hebben overgeschreven, krijg je te horen: ‘Ja, maar mijnheer, waarom zou ik het zelf opschrijven als het daar zo mooi staat omschreven’.”

 

Mild eindoordeel

Ondanks bovenstaande kritische geluiden is het eindoordeel van de docenten en blokcoördinatoren vrij mild: aan de UM studeert een gemêleerd gezelschap. Over het algemeen is men tevreden. Een lotingsstudie als geneeskunde, maar ook opleidingen waar veel buitenlanders vertoeven of waar selectie aan de poort bestaat, zoals het University College, spreken van gemotiveerde studenten.

“De eerstejaars van nu zijn zeker niet minder intelligent of gemotiveerd, er zijn net als altijd goede en minder goede studenten”, zegt Pieter Caljé, die dit najaar het nieuwe practicum ‘academische vaardigheden’ aan Nederlandse en buitenlandse studenten cultuurwetenschappen gaf. “Het probleem ligt elders. Studenten van nu zitten in een systeem - denk aan prestatiebeurs, diplomafinanciering - dat gevolgen heeft. Toen ik studeerde, in de jaren zeventig, haalde een kwart van mijn lichting de eindstreep. Nu is het slaagpercentage heel hoog. Wat is het beste? Dat mensen met een half afgemaakte studie de maatschappij in gaan of dat er grote verschillen zijn tussen de afgestudeerden? Ik weet het niet.”

 

Wammes Bos, Wendy Degens, Cleo Freriks, Riki Janssen, Maurice Timmermans

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)