Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

“Ik ben nog steeds een pubertje”

“Ik ben nog steeds een pubertje”

Photographer:Fotograaf: Loraine Bodewes

Geneeskundestudent in gesprek met haar decaan

Het ongeschoren gezicht van Albert Scherpbier: Anna Verhulst, zesdejaars geneeskundestudent, zit er niet mee. De decaan van de Faculty of Health, Medicine and Life Sciences is net een paar uur terug van een vijfdaagse werkreis in het Noord-Ghanese Tamale. Hij excuseert zich ervoor tijdens de fotoshoot. Voor Observant gaat het tweetal een gesprek aan, met Verhulst als hoofdinterviewer. Vraag maar raak, luidde de opdracht. Of het allemaal in de publiciteit mag, zien we later wel, meent Scherpbier. Want moet iedereen weten wat zijn grootste managementfout was?

Eerst de foto, dan het interview. En het liefst een foto waarop Albert Scherpbier zijn pupil Anna Verhulst in een witte doktersjas helpt. Beiden knikken bij het idee, “leuk”. “Maar waar halen we die witte jas vandaan”, wil Verhulst weten. “Hier hebben we die niet”, antwoordt Scherpbier in zijn kantoor op de zesde etage van de bestuurstoren van het MUMC. “Zullen we maar even naar de linnenkamer gaan?” suggereert Verhulst. Het tweetal loopt Scherpbiers kantoor uit en ziet, jawel, een witte jas! Dermatoloog Joep Veraart wacht op een afspraak. Scherpbier reikt hem de hand, een klopje op zijn rug: “Joep, ik heb een vreemde vraag. Mogen we jouw witte jas lenen voor een foto?” Verhulst loopt nog geen minuut later met de jas naar de lift, incluis pieper. “Ik hoop niet dat-ie afgaat, ik weet niet heel veel van dermatologie.”

Verhulst: Mag ik ‘je’ zeggen?
Scherpbier: Zeker.

Jij hebt ook geneeskunde gestudeerd. Heb je je daarna ooit gespecialiseerd?
Ik studeerde in Groningen. Wat een slecht curriculum hadden ze daar! Pas tijdens de coschappen begon ik er plezier in te krijgen. Ik wilde chirurg worden, maar rolde na het afstuderen in het onderwijs omdat ik als onderwijscoördinator bij chirurgie meer kans had op een opleidingsplek. Ik heb die baan zeker tien jaar gehad. En toen kwam er een vacature in Maastricht, de geneeskundefaculteit zocht een docent voor het skillslab [les in medische vaardigheden, red.].

Aan de andere kant van het land.
Ik was gescheiden en er was gedoe wanneer ik mijn kinderen mocht zien. Mijn ex-vrouw besloot naar het midden van het land te verhuizen en ik dacht: ‘Tja, wat maakt het uit of ik in Groningen blijf of naar Maastricht verhuis.’ Ik was een aantal keren eerder op het Maastrichtse skillslab geweest, maar vond het slecht georganiseerd. De decaan en directeur waren het met me eens en maakten mij het nieuwe hoofd. Het was 1991. Intussen deed ik steeds meer onderzoek naar medisch onderwijs en promoveerde in 1997. Ik was al twee keer eerder aan een proefschrift begonnen, maar vond het niks, ik was nogal een pubertje.

Nog steeds?
Een beetje. Ik had mijn kritiek op het curriculum in Maastricht, onderbouwde die ook en probeerde zoveel mogelijk mensen mee te krijgen. Ons groepje heette de Z-side, een parodie op de F-side, we waren aardige kwajongens met een visie. Er zat ook een aantal ‘traditionele’ mensen bij, voor de draagkracht – als die het zagen zitten, zou het met de rest van de faculteit ook wel lukken. Er was eerder geprobeerd om iets in de coschappen te veranderen, maar de clinici wilden daar niet aan, die zeiden: ‘No way, die zijn van ons.’ Het probleem was de kloof tussen de universiteit en de kliniek. Ik vond bijvoorbeeld dat studenten eerder met patiënten in contact moesten komen, niet pas tijdens hun coschappen.

                "Ons groepje heette de Z-side, een parodie op de F-side,
                  we waren aardige kwajongens met een visie"

Wie was aanvoerder van dat gezelschap? Jij?
Ja. We schreven een rapport voor het toenmalige bestuur. Decaan Vic Bonke vond het een goed plan. Die zei: ‘Albert, ga jij het maar doen.’ Het onderwijsinstituut werd opgericht, in 1999 werd ik er directeur. In de tussentijd heb ik allemaal managementfouten gemaakt waar ik ook weer van heb geleerd natuurlijk.

Je grootste managementfout?
Oei, die was pijnlijk. In een vergadering van alle skillslabmensen vertelde een medewerker hoe goed het ging. ‘Goed? Het gaat helemaal niet goed’, zei ik als nieuwe baas. Ik liet hem in het bijzijn van zijn eigen medewerkers afgaan. Niet slim van me – voor die man voelde het als een dolk in zijn rug en wat zou het betekenen voor de loyaliteit van de mensen? Ik ben met alle medewerkers gaan praten, en wat bleek? Zij waren blij dat eindelijk eens iemand zei hoe het zat.

Dat klinkt niet eens als een fout.
Misschien, maar het was het domste dat ik kon doen.  

Maak je lange werkweken als bestuurder?
Ja, maar dat ligt ook aan mijzelf. Ik houd van variatie, ik reis veel en doe veel onderzoek. Ik heb nog steeds zo’n veertien promovendi. Ik begeleid graag en bovendien kan ik andere hoogleraren makkelijker aanspreken over hun begeleiding en het aantal promoties dat ze afleveren. De vice-decaan [Nanne de Vries, red.] en ik hebben een tijd geleden geconstateerd dat een aantal hoogleraren geen tot weinig promoties verzorgt. Dat kan niet. Iedere hoogleraar zorgt voor één promotie gemiddeld per jaar. Consequentie is nu dat we de meeste nieuwe hoogleraren een tijdelijke functie hebben gegeven en dus hun titel kunnen verliezen.

              "Het is niet de bedoeling dat je hoogleraar wordt
              om vroegtijdig in de ruststand over te schakelen"

Wat erg: je titel verliezen. Maar er zal toch een goede reden zijn dat het niet lukt?
Die mensen waren daar kennelijk niet mee bezig, maar tijden veranderen. Het is niet de bedoeling dat je hoogleraar wordt om vroegtijdig in de ruststand over te schakelen. Dan moet je wat anders gaan doen. Je hebt de plicht om bij te dragen aan promoties. Het is lastig om dit soort dingen bespreekbaar te maken, maar dat hoort ook bij je rol als bestuurder.

Moet iedere arts een leider kunnen zijn?
Nee. Het is goed als artsen, net als andere medewerkers, begrijpen hoe dingen in organisaties werken, welke rollen en posities er zijn. Maar niet iedereen past de leidersrol. Je moet vooral doen waar je zelf blij van wordt, en niet onbelangrijk, waar de organisatie blij van wordt. Je wilt niet dat het gaat wringen, dan krijg je gedoe.

Hoe zorg je dat je je werk kan volhouden, dat er een balans is tussen privé en werk?
Ik heb heel bewust pauzemomenten. Ik slaap altijd als ik vlieg. Vaak ben ik al voor de start vertrokken.

Heb je kinderen?
Ik heb vier kinderen, tussen de 25 en 35, en zeven kleinkinderen. Ik zie ze niet heel vaak, ze wonen verspreid over het land.

Zitten er artsen en bestuurders tussen?
Nee, mijn oudste heeft een eigen bedrijf in het begeleiden van groepen, teambuilding, coaching. Iets dat ik ook leuk vind. De jongste heeft altijd gewerkt bij een boer en een hbo sportopleiding afgerond. Die is nu een bedrijf binnen de boerderij aan het opzetten. Het liefst had ik ook een eigen boerderijtje met een tractor, maar dat is een droom, het zal er waarschijnlijk niet meer van komen. Ik ben graag buiten, houd van wandelen. Ik heb nog maar één hond, een oudje. Omdat ik veel weg ben, wacht ik even met een nieuwe. Ik wil het beestje ook graag opvoeden. Daarnaast ben ik fanatiek houthakker, bomenzager.

Op zaterdagochtend hakken en ’s avonds marshmallows roosteren in je tuin?
Nee, dat hout moet eerst drogen, anders brandt het niet goed. We hebben houtkachels thuis, buiten en binnen. Ik heb een vriend met een grote houtgestookte boerderij, daar verwerk ik veel hout voor. Het is heerlijk, lekker afreageren. Hier mag ik niemand slaan hè?

Het houtblok is dan het hoofd van…
Vroeger wel, haha, maar nu ben ik daar rustiger in geworden.

Twee zonen hebben een eigen bedrijf. Zit dat in het bloed?
Mijn huidige vrouw roept dat ik het bedrijfsleven in had moeten gaan.

Maar een faculteit runnen is toch iets heel anders dan een commercieel bedrijf?
Dat weet ik niet. Natuurlijk draait het bij ons om kwaliteit en niet om winst, maar we zijn ook continu bezig met geld verdienen om extra te investeren. Voor meer diploma’s krijgt de faculteit meer geld, voor meer promoties: geld, slimme projecten: geld. Als je dat creatief kunt doen, krijg je beweging in de faculteit, en dat wil ik. Ja, daar komt dat pubertje weer. De enige manier om vooruit te komen, is bewegen en kijken of je dingen kunt veranderen. Dat gaat langzaam in grote organisaties en het is vaak allemaal langetermijndenken. Ik heb ooit overwogen om hier weg te gaan, om ergens interim te worden. Maar ik kwam tot de ontdekking dat men in het bedrijfsleven hetzelfde doet als wij: langetermijndenken, klanten tevreden houden, strategieën bepalen.

              "Maar als iemand mij aan mijn hersenen opereert,
                hoop ik op een neurochirurg die dat zestig uur per week doet
                en niet te veel andere hobby's heeft"

Nog tien minuten te gaan. De opzet was een tweegesprek maar al gaandeweg blijkt dat Verhulst vooral de vragen stelt en Scherpbier antwoordt. Misschien de rollen omdraaien? Wil Scherpbier iets van haar weten? Over haar toekomstdromen, hobby’s, noem maar op?
Scherpbier: Je bent nu zesdejaars. Welke kant wil je op?
Verhulst: Ik studeer in augustus af, maar ik kan me niet voorstellen dat ik mijn hele leven alleen arts wil zijn. Ik ga komend jaar nog een lang coschap bij interne geneeskunde lopen en een masterclass bestuur en organisatie volgen.
Veel studenten twijfelen. Er zijn periodes dat ze het weten en dan is het weer weg omdat ze zoveel ervaringen opdoen tijdens de coschappen. Een leuke sfeer bepaalt veel.
Ik heb net een coschap sportgeneeskunde gehad, ik vond het ontzettend leuk, omdat ik een klik had met de artsen. Maar sportgeneeskunde en anatomie, tja, dat is niet echt mijn ding.
Je kunt altijd nog een specialisatie kiezen en daarna verder kijken. Je bent niet je hele leven specialist, je hoeft niet één weg in te slaan. Er zijn zoveel combifuncties mogelijk met onderwijs, onderzoek en management.
Maar als iemand mij aan mijn hersenen opereert, hoop ik op een neurochirurg die dat zestig uur per week doet en niet te veel andere hobby’s heeft.
Ja, dat is waar. Als chirurg moet je productie draaien om je expertise op peil te houden.
Ik dacht altijd: ‘Ik doe mijn studie, dan heb ik mijn basis, en intussen doe ik heel veel dingen erbij’. Maar straks moet ik voor mijn gevoel toch een richting uit, specialiseren of verder met besturen en managen. Ik denk dat ik eerst maar ga reizen.
Slim plan. Welk land?
Ik ben ooit uitgeloot voor geneeskunde met een 7,9 gemiddeld. Dat was heel zuur, vooral omdat ik het eindexamenjaar hard had geploeterd om er een 8 van te maken. Ik ben toen vijf maanden bij de belastingdienst gaan werken en gaan reizen aan de oostkust van Australië. Geweldig. West-Australië, van Darwin naar Perth, staat nog op mijn verlanglijstje, net als Tasmanië, Nieuw-Zeeland en misschien Thailand. Daarna is het denk ik tijd om terug te komen.

ANNA VERHULST (Utrecht, 1991) is zesdejaars geneeskundestudent in Maastricht. Ze is bestuurslid van vereniging De Geneeskundestudent, een federatiepartner van de KNMG (Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst). Ze is onder meer verantwoordelijk voor het oprichten van een faculteitspanel op verschillende geneeskundefaculteiten in het hele land om zo meer feedback te ontvangen van de achterban. Ook leidt ze de studentenwerkgroep van het Platform Medisch Leiderschap. Verhulst stond in oktober 2014 op de bühne van TEDxMaastricht. Haar verhaal – Recipe to losing weight – gaat over haarzelf, over hoe ze als vijftienjarige meer dan honderd kilo woog. Niemand heeft een kant-en-klaar recept om af te vallen, er zijn geen standaardtips die voor iedereen werken, zegt ze. Het is en blijft een persoonlijke strijd (de opname is te vinden op YouTube). Dit jaar heeft ze bij TedxMaastricht opgetreden als sprekerscoach van onder meer de Maastrichtse chirurg Nicole Bouvy en kinderarts Anita Vreugdenhil.
Verhulst schreef columns op de achterpagina van Observant over haar belevenissen als coassistent tijdens het vierde en vijfde jaar van haar geneeskundestudie. Een bundeling van haar columns is dit jaar uitgegeven onder de titel Het is wit en staat in de weg. In haar vrije tijd schrijft en leest ze graag of verkent ze de natuur.


ALBERT SCHERPBIER (Kerkrade, 1954) is hoogleraar kwaliteitsbevordering in het medisch onderwijs en decaan van de Faculty of Health, Medicine and Life sciences. Hij studeerde filosofie en geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Sinds 1991 werkt hij aan de Universiteit Maastricht. Hij is sinds 2011 decaan, doet nog steeds onderzoek en begeleidt promovendi. Hij woont in Gulpen, is getrouwd en heeft vier kinderen en zeven kleinkinderen. In zijn vrije tijd vertoeft hij graag in de natuur. Houthakken is een van zijn favoriete hobby’s.

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)

CAPTCHA Afbeelding
Enter the code shown above: