Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

Hoe in de mijnstreek een traditie werd uitgevonden

Hoe in de mijnstreek een traditie werd uitgevonden

Journalist Marcia Luyten over de arbeidersheilstaat in Zuid-Limburg

Het voert te ver om Zuid-Limburg te vergelijken met de Sovjet-Unie, maar de manier waarop de trojka van staat, mijn en kerk een hechte gemeenschap probeerde te kweken, doet wel denken aan een heilstaat van arbeiders. Dat zegt UM-alumna, oud-Observantmedewerker en Buitenhof-presentatrice Marcia Luyten in een gesprek over haar onlangs verschenen boek Het geluk van Limburg.

Het was tijdens haar verblijf in Oeganda dat journalist Marcia Luyten (Wijnandsrade, 1971) ontdekte hoe weinig ze wist van haar eigen geboortegrond, de mijnstreek. Ze had als freelancer voor Nederlandse kranten rondgereisd in Afrika, had in artikelen uitgelegd hoe de kopermijnen in Zambia voor een wankele welvaart zorgden, hoe de strijd om olie ontbrandde in Oeganda, maar over de steenkoolwinning in Zuid-Limburg kon ze nauwelijks een verhaal houden.

“Als kind hoorde je daar op school niets over”, zegt Luyten. “Het was vieze, oude industrie waar een hoop gêne omheen hing. Ik kom zelf niet uit een mijnwerkersgeslacht. Mijn opa’s hadden wel een tijdje ondergronds gewerkt, maar mijn vader was maatschappelijk werker bij de sociale dienst in Heerlen, waar al die werkloze mijnwerkers zich meldden voor een uitkering. Ook aan de rand van de mijnstreek, in Wijnandsrade, voelde je de verslagenheid, moedeloosheid, apathie en ik dacht als puber: ik moet weg hier. Ik wilde studeren in Amsterdam maar ging voor het pgo naar Maastricht.”

In Het geluk van Limburg verweeft de oud-cultuurwetenschapper en economiestudent de sociaal-economische geschiedenis van de Nederlandse steenkoolindustrie met de lotgevallen van een familie in Kerkrade. “Ik had een boek voor ogen als Het zwijgen van Maria Zachea van Judith Koelemeijer of Hoe God verdween uit Jorwerd van Geert Mak. Tot mijn verbazing bleek dat over de mijnstreek niet te bestaan. Ik heb archieven doorgespit, vele interviews gehouden, ook met mijn ouders. Aanvankelijk ben ik met de postbode en de SRV-wagen op pad geweest. Gewoon de wijk in, op zoek naar verhalen. En zo zat ik op een dag aan de keukentafel van zanger Jacques Vinders, de hoofdpersoon uit mijn boek.”

Het was in het begin van de 20e eeuw dat het “soezerige Limburg uit zijn sluimer werd gewekt door de goudkoorts die grote investeerders naar de kolen dreef”. In minder dan twintig jaar was de agrarische economie grotendeels verdwenen. Arbeidsmigranten uit Polen, Italië, Slovenië stroomden massaal toe en steden en dorpen barstten uit hun voegen.

Om de chaos te beteugelen richtte de overheid in 1902 de Staatsmijnen op – dit op advies van een commissie waarin geen enkele Limburger zat. Den Haag had “een wingewest” ontdekt in een afgelegen hoek van het land. Wat volgt, doet denken aan een kolonisatie, schrijft Luyten. De mijnkolonies, die al snel uit de grond werden gestampt, leken sprekend op de nederzettingen voor plantagearbeiders in Suriname of Nederlands-Indië. Daar hadden veel mijnbazen zelfs al gewerkt. Voormalig plantagebezitter Anton Dinger leidde het bouwbureau van de Staatsmijnen en zat graag in zijn witte tropenpak op de veranda. In Heerlen.

Voormalig PvdA-senator Nic. Tummers sprak in 1974 van “carboonkolonisatie”. De “randstedelijke elite” streefde volgens hem naar “maximale opbrengst door onderwerping en overheersing”. Samen met het mijnbedrijf en de katholieke kerk werd de bevolking in een verstikkende greep gehouden.

Je schrijft dat de staat, kerk en mijn een zogeheten ‘mijnwerkersstam’ wilde opkweken? Wat bedoel je daar precies mee?

“Om moreel verval en het socialisme op afstand te houden, dé twee zaken waar de katholieke kerk doodsbang voor was, ontstond een plan voor wat men nu social engineering noemt: het creëren van een gemeenschap die werkt voor hetzelfde doel. Hiervoor vond men een ‘eeuwenoude’ traditie uit waarin kameraadschap hoog in het vaandel stond, maar ook het fysieke werd gecultiveerd en de heilige Barbara werd vereerd. Mijnwerkers waren de helden onder de grond. Dat werd ook uitgedragen en geromantiseerd in tijdschriften en kinderboeken als Hans en Nellie ontdekken kolenland. Zuid-Limburg was geen Sovjet-Unie, maar het had in de verte wel iets weg van een arbeidersheilstaat. Dat is in Nederland nergens zo ver doorgevoerd.”

Uit het boek rijst het beeld van een volgzame bevolking die zich zonder al te veel protest de grond in liet drijven.

“Ja, dat is dus het gevolg van social engineering. Van de wieg tot het graf was het bestaan volledig gecontroleerd. Iedereen lette ook op elkaar. Als je te veel onkruid in de tuin had, vermoedde men al socialistische sympathieën. Die volgzaamheid is Limburgers later vaak verweten. ‘Allemaal NSB’ers toch’, hoorde ik in Amsterdam. In de jaren dertig stemde 12 procent van de Limburgers inderdaad op de NSB, maar in de oorlog was het verzet bovengemiddeld groot. Geen gewapend maar humanitair verzet. In Limburg is de helft van de joden weggevoerd, tegenover driekwart in de rest van het land. Dus die volgzaamheid is er niet altijd geweest.”

Wat heeft het schrijven van dit boek je geleerd over je geboortestreek?

“Ik begon met een gevoel van ergernis. Veel klagen en toch op Wilders stemmen, dacht ik, terwijl de PVV’er de ellende alleen maar vergroot. Kijk op de landkaart en je ziet meteen dat de Euregio cruciaal is voor de mijnstreek. Dan stem je toch niet op een anti-Europese partij. Toch stemden in 2005 veel Limburgers tegen de Europese grondwet. Maar goed, mijn ergernis veranderde gaandeweg in compassie toen bleek hoe groot de offers waren geweest, die de bevolking had gebracht, en hoezeer het leven in dienst heeft gestaan van de mijnen. En hoe ontluisterend het is afgelopen. Het heeft volledig ontbroken aan ambitie om de regio nieuw leven in te blazen.”

Eerst verleid en een halve eeuw later afgedankt.

“Ja, al mag je dat ‘afdanken’ niet al te hard roepen, want de herstructurering was verreweg de duurste in de Nederlandse geschiedenis. Feit blijft dat er een hoop geld over de schutting is gegooid. Particuliere mijnbedrijven kregen geld om zelf voor vervangende werkgelegenheid te zorgen. En wat kwam er zoal: een kinderwagenwielenfabriek en een schroefboutenfabriek. Alsof je in een verhaal van Roald Dahl bent beland. Het enige wat slaagde, was DSM.”

Al met al had je boek ook ‘Honderd jaar ontevredenheid’ kunnen heten.

“Nee, toch niet. Er waren wel degelijk tijden van geluk. Mijn titel is niet sarcastisch bedoeld, zoals sommige lezers denken. Waar komt anders de nostalgie naar het mijnverleden vandaan? In zekere zin waren het onbekommerde tijden. Het enige gevaar lag onder de grond. Bovendien waren mijnwerkers de best betaalde arbeiders van het land. Toen na de Tweede Wereldoorlog het hele land op zijn gat lag, werkten de mijnwerkers speciaal op zondag door voor het vaderland. Daarvoor zijn ze later in ‘Hollandse’ steden geëerd. In Amsterdam zijn ze met muziek van het station gehaald, daarna liepen ze in optocht over het Damrak. Ze werden meegenomen naar Marken en Volendam en in het Olympisch Stadion is een sportshow voor ze opgevoerd.”

Tijdens een UM-jubileum heette het: Heerlen is gebombardeerd en Maastricht krijgt de wederopbouw. Rector Luc Soete noemt het een weeffout in de herstructurering.

“Dat vind ik ook. Van de UM, niet eens een technische universiteit, heeft de mijnstreek nauwelijks geprofiteerd. Evenmin van het vele geld dat is gestoken in het opwaarderen van Annadal tot een academisch ziekenhuis.”

Het geluk van Limburg, door Marcia Luyten. Uitgeverij De Bezige Bij, 19,90 euro 

Categories:Categorieën:
Tags:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)