Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

Waargebeurd!

Waargebeurd!

Photographer:Fotograaf: Beeld Simone Golob, foto's archief Observant

Veertig jaar UM: anekdotes en herinneringen

MAASTRICHT. Een decaan die uit woede het licht uitdoet tijdens een vergadering en vertrekt, een SBE-medewerker die omringd door naakt vrouwelijk schoon in een bubbelbad op de nationale tv verschijnt, en een bouwdecaan die knikkebollend een congres bijwoont, maar om vijf uur ‘s middags  toch met een verbluffende samenvatting komt. Sterke verhalen? De onderstaande anekdotes uit het veertigjarig bestaan van de Universiteit Maastricht zijn waargebeurd, verzekeren de vertellers.

 

Maastrichtse maffia

“Co Greep, decaan van geneeskunde (1978-1985) en chirurg, was berucht om zijn woedeaanvallen. Soms was dat strategisch, vaak echt. Hij is ooit berispt omdat hij een secretaris van een faculteit een schop onder zijn kont gaf omdat iets niets ging zoals hij wilde. Tja, de een schopt tegen een blikje, de ander richt zijn woede op billen”, vertelt Hans Philipsen, onder andere oud-rector van de UM.

Soms werkte dit gedrag in Greeps voordeel. “Tijdens een avondlijke vergadering met cardiologen uit het voormalig Annadal Ziekenhuis over de zeer traag verlopende afkoop van hun privépraktijken - ik zat daarbij als lid van het college van bestuur -  werd Greep heel kwaad. Hij riep: ‘Nu zijn we uitgepraat’ en ‘Maastrichtse maffia’, liep naar de deur, deed het licht uit en trok de deur met een knal achter zich dicht. Het gezelschap van doorgewinterde ziekenhuisbestuurders en hun advocaten bleef achter in het donker, stil en verbijsterd. De onderhandelingen werden hierna wel weer vlot getrokken. Greep won.”

Opstand

“Toen in 1974 de universiteit een eigen bureaucratie moest ontwikkelen, bleken nieuwe ambtenaren Haagse richtlijnen al te letterlijk te nemen, zoals ver van Den Haag wel vaker voorkomt”, herinnert Hans Philipsen zich. “Wij kregen de door het ministerie bepaalde standaarduitrusting voor een wetenschappelijk medewerker: bureau, tafel, archiefkast, enzovoort. Ik hoefde geen bureau, een ander geen archiefkast. We richtten onze kamers in naar eigen inzicht. Op een ochtend kwamen we op het werk en had er een grote verhuizing plaatsgevonden: op iedere kamer stond de standaarduitrusting. Zo moest het van de minister, verklaarde het hoofd bouwzaken, hierin gesteund door voorzitter Sjeng Tans. Er kwam opstand en uiteindelijk weer geschuif met meubilair.”

Hollandse allochtoon

“Tijdens de officiële opening van de Rijksuniversiteit Limburg in 1976 moesten we allemaal gasten begeleiden”, vertelt Hans Philipsen. “Tot mijn onmetelijke vreugde kreeg ik bisschop Gijsen van Roermond toebedeeld. Dat was bewust zo door voorzitter Tans en rector Tiddens georganiseerd, neem ik aan. Ze waren bang voor de katholieke invloed en wilden de bisschop op een afstandje houden. Ik ben van protestantse huize en een Hollandse allochtoon. Ze wilden Gijsen laten zien dat hij op de Rijks - met nadruk op Rijks - universiteit Limburg was. En niet op de Katholieke Universiteit Limburg.”

Juffrouw 007

Ine Kuppen, onder andere voormalig alumni officer, heeft bijna overal binnen de UM gewerkt: “Toen ik in januari 1974 bij de latere Rijksuniversiteit Limburg ging werken, was ik de zevende medewerker: 007. Tiny Simon [ nu bestuurssecretaris UM] was er al. Ik moest haar juffrouw Simon noemen, maar dat weigerde ik. Zij was 19, ik was ouder. Onze baas Ben Niessen, later secretaris van de universiteit, hield echter stug vol: ‘Juffrouw Kuppen, kunt u dit even regelen?’”

Babybeker

“Er was een groot gevoel van saamhorigheid. We waren allemaal jong, bezig met de opbouw van de faculteit en (de meesten) met het stichten van een gezin. Toen de eerste kindjes werden geboren, hebben we een rechtsgeleerde babybeker in het leven geroepen waarop alle namen van de baby’s zijn gegraveerd die in deze periode geboren zijn”, herinnert Marlie Sprengers (coördinator post academisch onderwijs aan de rechtenfaculteit) zich van haar begintijd bij rechten. In oktober 1981 begon zij als secretaresse van de commissie die een studierichting Nederlands recht ging ontwikkelen. Daar zat ze tussen mannen als Job Cohen, Karl Dittrich, Gerard Mols, Jeppe Balkema en Victor Rutgers. “De eerste naam op de beker? Ik geloof Suzanne Dittrich, zij is van april 1982. Gerard Mols stak er met kop en schouders bovenuit. Hij kreeg in korte tijd vijf kinderen.” De kersverse ouder mocht de beker mee naar huis nemen tot de volgende baby werd geboren. “Ik hoorde van Gerard dat de beker op de kamer van de decaan staat.”

Vlag

René de Groot, hoogleraar rechtsvergelijking en het internationaal privaatrecht, werd in 1981 door de Rijksuniversiteit Groningen ‘uitgeleend’ aan Maastricht om plaats te nemen in een commissie die zich boog over een nieuwe juridische opleiding. “Het moet ergens in de eerste helft van 1981 zijn geweest dat ik voor de eerste keer naar Maastricht reisde, voor een gesprek met Hans Philipsen, de toenmalige decaan van de Algemene Faculteit. Samen met Hildegard [Schneider, René de Groots echtgenote] stapte ik uit de trein en zag ik een fantastische stad voor me. We liepen de Servaasbrug over en zagen overal rode vlaggen met witte sterren wapperen. ‘Jeetje’, zeiden we tegen elkaar, ‘is hier een vergadering van de communistische partij geweest?’ We spraken een passant aan die ons enigszins verbaasd meedeelde dat het de vlag van Maastricht is!”

Prachtige stem

Ria Wolleswinkel (universitair hoofddocent en opleidingsdirecteur bij rechten) zat bij de eerste lichting rechtenstudenten. September 1982. “De officiële opening was in de koepelkerk achter het station. Ik had verkeerde post gekregen (van de opening van gezondheidswetenschappen) en moest dus onverwacht naar een andere locatie, waardoor ik laat en wat geïrriteerd binnenkwam. Ik was die zomer uit Amsterdam verhuisd en nog niet zo bekend in Maastricht. Op alle lijsten stond ik blijkbaar met de achternaam van mijn man, wat me enorm ergerde. Zo ongeëmancipeerd. Dat werd overigens gelukkig redelijk snel hersteld. Victor Rutgers, directeur, keurige dictie, veel gevoel voor understatement, vond dat ook niet kunnen. Van de openingsverhalen op de eerste dag herinner ik me vooral de stemmen en de klankkleuren. Karl Dittrich was aan het woord, een Ivo de Wijs-achtige stem, gemoedelijk en gezellig. Een terugkerend mantra was: ‘Wij leiden hier generalisten op!’ Dat vond ik wel oké. Ik verwachtte – door die stem – veel grappen, maar eigenlijk was hij heel streng. We werden geacht veertig uur te werken en beschikbaar te zijn. ‘Hoe moest ik dat doen met mijn zoontje van één jaar’, dacht ik nog. Daarna kwam Job Cohen. Prachtige stem en dictie, hij zei: ‘Wij leiden hier geen andere juristen op dan in de rest van het land, we leiden ze alleen anders op.’ Was ik daarvoor verhuisd! Gelukkig bleek het mee te vallen en kregen we de gelegenheid om zelf het curriculum mee vorm te geven. Job was, net als alle andere stafleden, heel toegankelijk voor studenten.”

Klachten

“In het begin hadden we om de zes weken een bloktoets”, herinnert Leo Schouten zich. Hij behoort tot de tweede lichting geneeskundestudenten, en is nu universitair hoofddocent kankerepidemiologie aan de UM. “Daar waren veel klachten over. Wij als studenten vonden ze niet goed en ook de coördinatoren zelf waren er niet over te spreken. In februari bleek dat we op de uitslag van die toetsen werden afgerekend. Die zou bepalen wie er naar het tweede jaar mocht. Uit protest heeft ongeveer de helft van onze groep zijn naam niet op de eerstvolgende toets gezet. Ook ik. Ik kan me, nu ik zelf in de Maastrichtse examencommissie van gezondheidswetenschappen zit, niet meer voorstellen dat we daarmee wegkwamen. Maar toen werkte het; de bloktoetsen verdwenen en pas in mijn derde jaar werden de voortgangstoetsen ingevoerd.”

Lijm

 “Nu is de open dag een groot, soepel georganiseerd evenement. Toen ik in oktober 1974 informatie over de geneeskundeopleiding wilde, werd ik in m’n eentje rondgeleid door Roelof Willighagen, die later decaan werd. Ik weet nog dat het studielandschap, waar nu de mensa van economie zit, stonk naar lijm. Het tapijt was die dag gelegd.  Als ik besloot naar Maastricht te komen, zou hij me persoonlijk opwachten, zei Willighagen”, vertelt Leo Schouten. “Dat is hij vergeten, daar was ik wel een beetje teleurgesteld over.”

Stille waters

"Hij was een introverte man, een stil water met een diepe grond, alle uitbundigheid was hem vreemd." Dat zei minister-president Van Agt (eind jaren zeventig) over zijn minister van Sociale Zaken Wil Albeda. In 1984 werd hij bouwdecaan van de toenmalige faculteit der economische wetenschappen. Hoofddocent Ad van Iterson kent hem alleen van openbare optredens. “Zo was er die legendarische studiedag ergens in de jaren tachtig”, zegt hij. “De universiteit was nog klein en men gunde zich nog de luxe van een debat van een hele dag. Albeda was de dagvoorzitter. Al mompelend introduceerde hij de panelleden en de rest van de dag hoorde je hem niet meer. Hij brak geen moment in en na de lunch zat hij zelfs te knikkebollen. Toen werd het half vijf, tijd voor de afsluiting. Albeda ging rechtop zitten, schraapte de keel en gaf een sublieme samenvatting van alles wat gezegd was. Plus een reeks gratis wenken voor de toekomst. Iedereen was verbluft.”

“Een strontslecht proefschrift”

Het was in 1983 dat rector Coen Hemker zorgelijke geluiden bereikten over de kwaliteit van een Maastrichts proefschrift. Het betrof een dubbelpromotie over de rol van psychiatrische ziekenhuizen, in opdracht van Den Haag. De promotor was Marius Romme, hoogleraar sociale psychiatrie. Haast was geboden, het proefschrift zou een week later verdedigd worden. Hemker stelde daarom in allerijl, net vóór het weekend, een leescommissie van hoogleraren in. Op maandag 9.00 uur zou de knoop worden doorgehakt. Hemker: “Iedereen was er. Romme ook, met een grote pleister op zijn hoofd. Hij had in het weekend paard gereden en was met zijn hoofd tegen een tak geknald. Ik richtte mij toen bij aanvang van de vergadering tegen de notulist met de woorden: ‘Wilt u noteren dat de heer Romme er al zo uitzag vóór de vergadering begon.’” En het proefschrift? Dat was afgekeurd. Tot woede van Romme die er een politieke manoeuvre in zag (op psychiatrische ziekenhuizen moest je toen niet al te veel kritiek hebben). Toch concludeerde de leescommissie dat de dissertatie aan alle kanten rammelde. “Strontslecht”, meende medisch socioloog Riet Drop. “Vodde”, vond Hemker.

Naakt in een bubbelbad

De medewerkers van de School of Business and Economics (SBE) die de bewuste aflevering van tv-programma Sex voor de Buch zaten te kijken, moeten zich wild zijn geschrokken. Het was kort na de millenniumwende toen een SBE-docent nogal prominent in beeld verscheen, liggend in een bubbelbad en geflankeerd door naakte prostituees. Een van hen kan goed zijn vrouw zijn geweest want die werkte in het bordeel Regals men’s club in Cadier en Keer. De docent zelf was ook aan de club verbonden, als een soort gastheer. Wie de uitzending had gemist, kon zich een dag later rond een televisie scharen op de faculteit, waar een videoband circuleerde. De docent, van Amerikaanse komaf, is niet lang daarna ontslagen maar dat had niets te maken met het tv-optreden, zegt René Verspeek, destijds directeur. “We vonden al langer dat de medewerker onder de maat functioneerde. Hij zag dat anders en vocht zijn ontslag aan. Hij vond dat hij als buitenlander werd gediscrimineerd. Zoals bleek op de vele rechtszittingen die ik toen heb bijgewoond, zag hij mij als een Amerika-hater.”

Een dreigende Jezuïet

Midden jaren zeventig had de Maastrichtse ondernemer Fred Weerts in de Dordogne een gehucht gekocht en opgeknapt. U leest het goed: geen huis maar een dorpje. Maastrichtenaren maar later ook UM-medewerkers logeerden daar met een zekere regelmaat en ontmoetten elkaar aan de dis. Eenmaal schoof de Maastrichtse psychiater Verheij aan, lid van de benoemingscommissie voor de eerste UM-hoogleraar psychiatrie. Een van de kandidaten was Marius Romme, zoon van de voormalig politiek leider van de katholieke KVP. Tijdens een vergadering, vertelde Verheij in de Dordogne, zwaaide de deur open en stond plotsklaps De Provinciaal - de overste van de Jezuïeten - in de kamer. En dreigde: “Als de heer Romme niet tot psychiater wordt benoemd zal de KVP haar politieke steun voor de Universiteit Maastricht intrekken!” En Romme werd hoogleraar psychiatrie en zou het 25 jaar blijven.

De anekdote gaat rond maar of-ie klopt, is zeer de vraag. Vader Romme was al twaalf jaar weg uit de politiek. En zoon Romme moest er zeer om lachen, toen historica Annemieke Klijn hem het gerucht voorlegde.

Tekst: Wendy Degens, Cleo Freriks, Riki Janssen, Maurice Timmermans

 

 

Een lamp op je pet en een accu op je kont

Begin jaren negentig. In de nog zeer jonge faculteit Cultuurwetenschappen hadden we in samenwerking met Aken, Luik en Diepenbeek het project Mines et Mineurs gestart: research die zich richtte op de cultuur- en technologiegeschiedenis van de mijnbouw in de euregio. Faculteitsdirecteur Ben van Wersch arrangeerde een bezoek aan de modernste steenkolenmijn in Europa, de Sophia-Jacoba in het Duitse Hückelhoven. Onder de deelnemers: Wiebe Bijker, Ernst Homburg, Henk Muntjewerff, Jos Perry, Joseph Wachelder, Ben van Wersch, Rein de Wilde en ik. Ook van de partij: Eugène Baak en fotograaf Franco Gori van Observant. Het was een onvergetelijke ervaring, die ermee begon dat we voorafgaand aan de afdaling naar de 800-meterverdieping een verklaring moesten ondertekenen die het volledige risico bij onszelf legde.

Ik had veel beelden gezien van en gelezen over de omstandigheden ondergronds. Maar nooit had ik beseft dat alleen al de bijna een uur durende tocht naar het kolenfront zo afmattend was. Rechtop lopen was maar heel even mogelijk. Daarna was het bukken, kruipen, tijgeren geblazen, achter mekaar aan. Een lamp op je pet en een accu op je kont. Soms kon je even op het voor kolen en stenen bedoelde transportband gaan liggen, maar het was een hele toer daarop terecht te komen zonder dat die band tot stilstand kwam. Wanneer dat ook maar even gebeurde klonk vanuit het duister hartgrondig gevloek. En dan: het gruwelijke geraas van de machines, de tropische warmte in combinatie met ijskoude luchtstromen. Goed voor het groepsgevoel. Maar er was een moment dat ik tot mijn vader bad, die mijnwerker was geweest: ‘Pap, hoal miech hei droes.’ Na afloop met z’n allen onder de douche. Franco Gori heeft foto’s van ons gemaakt. Maar onze zwarte gezichten en lijven zijn niet terug te vinden in mijn archief. Vermist. In het diepe duister achtergebleven?

Tekst: Wiel Kusters

 

Kersen, kronselen en grummelen

De kinderjaren van een instituut zijn een goudmijn voor legendevorming. Professor Co Greep die het licht uitdoet tijdens een hem onwelgevallige vergadering en vertrekt. Lachen! In de eerste decennia van de UM was ‘assimilatie’ nog een thema waaruit helden, schurken en piassen werden geboren. Het is nu ondenkbaar, maar vroeger werd van buitenlandse medewerkers geëist dat ze zich het Nederlands machtig maakten. Nederlands spreken, dat in ieder geval. Hoe wil je je anders in de planningsgroep weren? Op termijn ook Nederlands schrijven. Taken! Blokboeken! Tutorinstructies! De A-publicaties van vóór 1992. Dus daar reisde de brave nieuwkomer naar Taleninstituut Regina Coeli in Vught, waar hij de klok rond met nonnen Nederlandse woorden moest scrabbelen.

Aan welke cultuur had de vreemdeling zich aan te passen? De Hollandse? De ‘RUL’ was immers een rijksuniversiteit. In ’t Panhuis op de Markt kocht hij klompjes, molentjes, Delfts blauw, en zette ze op zijn monitor. Of was de Limburgse cultuur leidend? Immers, rijksuniversiteit Limburg. Geen probleem. De nieuweling kocht een roodgeelgroene trui en sjunkelde op vrijdagmiddag voor carnaval in café de Belsj mee. Vaan Eijsde tot de Mookerhei…

De Limburgse cultuur was bovenal: vlaai. Ik zie Jan van de Poel, hoogleraar accounting, nóg komen aanlopen, bij de Berenkuil. Trots! Hij had drie vlaaien gekocht. “Kersen, kronselen en grummelen.” Hij hield zijn boodschappentas omhoog. Daar stak het nog warme trio in. Verticaal. Bij een collega van hem verliep het aanpassingsproces moeizamer, al was ook hij van goede wil. “Waar trakteer je op als je jarig bent?” Hij hoorde zijn secretaressen in koor zeggen: “Vla. Alsjeblieft niet één vla. Verschillende soorten.” Hij kwam met een volle tas terug. Hij zette ze één voor één op de balie van het secretariaat neer. Een pak blanke vla. Een pak chocoladevla. Dubbelvla. Karamelvla. En hopjesvla. Toen werd er heel lang voor hem gezongen.

Tekst: Ad van Iterson

 

 

Categories:Categorieën:
Tags:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)