Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

Verwijs jij naar mij ? Dan noem ik jou

Verwijs jij naar mij ? Dan noem ik jou

Photographer:Fotograaf: Simone Golob

Nederlandse medici cynisch over de publicatiecultuur

In het British Medical Journal (BMJ) spreken medische onderzoekers, verbonden aan vier universitaire medische centra in Nederland, zich voor het eerst uit over de publicatiecultuur, de prestatiedruk, de moordende competitie. Er rijst een beeld op van een verziekte bedrijfscultuur. Een gesprek met Lex Bouter, een van de auteurs van het BMJ-artikel, en Jos Smits, portefeuillehouder onderzoek van de Maastrichtse faculteit Health, Medicine and Life sciences.

Niets zo ergerlijk als honorary authors. Dat zijn auteurs die weinig of niets hebben toegevoegd aan een publicatie maar toch in de auteurslijst hun graantje meepikken. Veel onderzoekers hebben er een gloeiende hekel aan, zelfs als de honorary author hun kans op publicatie verhoogt. Het auteurschap – en zeker ook de volgorde van vermelding - is in veel onderzoeksgroepen een bron van conflicten en ruzies.

“Ik zie dat ook om me heen”, zegt voormalig UM-onderzoeker Lex Bouter, nu hoogleraar methodologie en integriteit aan de Vrije Universiteit. “Meeliftende senior-onderzoekers die zoveel mogelijk publicaties willen verzamelen. Je vraagt je af waarom sommige mensen de wetenschap in zijn gegaan. Om goed onderzoek te doen mag je toch hopen, niet om zoveel mogelijk artikelen te vergaren.”

Het auteurschap is een van de onderwerpen die aan bod komen in het BMJ-artikel How do scientists perceive the current publication culture. Dat is gebaseerd op twaalf focusgroepen waarin hoogleraren, postdocs, hoofddocenten en aio’s een boekje opendoen over de publicatiecultuur in medische kringen. Aan het VU-onderzoek (uitgevoerd door promovendus-psychiater Joeri Tijdink) deden in totaal 79 wetenschappers mee, afkomstig van vier verschillende UMC’s.

Cynisme

Het cynisme en de frustratie druipen van de pagina’s af. Dat is ook wat Jos Smits, portefeuillehouder onderwijs van de faculteit Health, Medicine and Life sciences (FHML), opviel. “Het uitgangspunt van de focusgroepen was: de publicatiecultuur is beroerd. Ik had voor een iets objectiever en opener formulering gekozen.” Daarmee wil Smits, die enkele weken geleden zijn 40-jarig jubileum bij de FHML vierde, helemaal niet beweren dat alles koek en ei is. “Het is allemaal bijzonder prestatiegericht.”

Dat vinden ook de deelnemers aan de gesprekken. Ze voelen constant de druk om te publiceren en vinden het frustrerend dat bij hun beoordeling alles draait om ‘bean counting’ zoals de actiegroep Science in Transition dat noemt. Dus om de aantallen publicaties, niet om de kwaliteit ervan, laat staan om de maatschappelijke of klinische relevantie. 

Bouter is niet verbaasd over de hoge publicatiedruk. Nederlanders staan al jarenlang in de wereldwijde top drie van meest productieve landen. Wel verrast het hem dat medici er zo zwaar onder gebukt gaan. “Uit ander onderzoek van Tijdink blijkt dat de prestatiedruk sterk samenhangt met overspannenheid. Ze vinden het treurig om zo opgejaagd te worden. Het gaat ten koste van de arbeidsvreugde. Onder hoogleraren bespeur je veel cynisme hierover. Onder postdocs is de stress verreweg het grootst. Zij moeten zichzelf in twee jaar zo goed mogelijk bewijzen, anders zijn hun kansen verkeken.”

Dat is niets nieuws, zegt Smits. “Veertig jaar geleden kwamen postdocs ook al in de knel, en gold evengoed: wie het best presteert, mag blijven. Nieuw is dat bij de persoonlijke beoordeling de impactfactoren van tijdschriften en de H-index [persoonlijke score voor wetenschappelijke productiviteit en impact] steeds belangrijker zijn geworden. Ik maak me daar trouwens zelf ook schuldig aan tijdens functionerings- en sollicitatiegesprekken.”

Perverse effecten

De deelnemers aan de focusgroepen erkennen dat ze zich bij de keuze voor een tijdschrift eerder laten leiden door de impactfactor dan door de inhoud van het blad, al weten ze dat dit geen verstandige leidraad is. Sommigen publiceren niet in een tijdschrift met een lage impactfactor (kleiner dan 2) omdat dit schadelijk kan zijn voor hun carrière. Een hoogleraar vermoedt dat dergelijke publicaties niet worden gewaardeerd door de universitaire leiding vanwege de effecten op de ranglijsten en het prestige van de instelling.

Smits kent wetenschappers van wie het artikel in de la verdwijnt als ze het niet kwijtraken aan bladen met een impactfactor van minstens tien. “Dat is hartstikke kwalijk: verspilling van onderzoeksgeld en zonde van de tijd. Dat terwijl een publicatie in Nature Medicine echt niet altijd vaker wordt geciteerd dan een artikel in een minder bekend blad. Als die impactfactoren en H-index zo belangrijk worden, krijg je perverse effecten. Menige wetenschapper vraagt zijn aio’s om hem zo vaak mogelijk te citeren, omdat dan zijn H-index stijgt. Onderzoekers spreken ook onderling af om regelmatig naar elkaar te verwijzen. Dat is natuurlijk van de gekke.”

Wangedrag

Als Smits één ding op eigen houtje mocht veranderen, dan zou hij een einde maken aan wat de gespreksdeelnemers ‘positivitis’ noemen. Ze voelen nauwelijks ruimte om negatieve of neutrale bevindingen te publiceren. Niet de wetenschappelijke kwaliteit maar sexy uitkomsten geven de doorslag bij gezaghebbende tijdschriften.

Door de druk om met positieve uitkomsten te komen, lappen onderzoekers vaak de regelen der kunst aan hun laars. Daartoe is alle gelegenheid volgens de deelnemers. Onderzoek wordt ervaren als solitair, ook bij de analyse van data. Er is bovendien weinig controle van collega’s, wat wangedrag en ‘dubieuze onderzoekspraktijken’ in de hand werkt.

Bouter: “Mijn bezorgdheid hierover was al groot maar is door deze studie alleen maar gegroeid. Wat verreweg het meest voorkomt is selective reporting, waarbij je alleen over het spectaculaire deel van het onderzoek schrijft en de rest weglaat. In sommige onderzoeksgroepen gaat het goed, steekt men regelmatig de koppen bij elkaar, bespreekt men de twijfels en houdt men elkaar in de gaten. Maar in andere groepen werkt men langs elkaar heen en is het risico op vertekening groot.” De PhD’s in de focusgroepen zeggen dat ze huiverig zijn om deze praktijken met hun begeleiders te bespreken; ze ervaren een gebrek aan vertrouwen en vrezen negatieve gevolgen.

Trots

Smits: “Tja, wat kan ik erover zeggen… Het gebeurt gewoon, zo simpel is het. Ook dertig jaar geleden al. Kijk, je hebt tegenwoordig twee begeleiders maar die blijven toch afhankelijk van wat een promovendus hen laat zien. Het liefst zou je alle data met ze willen doornemen maar daar is geen tijd voor. En bovendien, met die gegevens kan al gerommeld zijn. Je weet nooit of onwelgevallige data al verwijderd zijn. Of dat verschillende analysemethoden op de data zijn loslaten en voor die methode is gekozen die de mooiste uitkomsten oplevert.”

De begeleiding van phd’s is cruciaal, zegt Bouter. “Daar ligt een grote verantwoordelijkheid voor de promotoren, maar dan moet je het wel serieus nemen. Er zijn hoogleraren die veertig promovendi onder hun hoede hebben en er trots op zijn dat ze iedereen bij naam kennen, maar daar red je het niet mee. Zorg dan in ieder geval voor goede copromotoren. Dan valt de schade nog te beperken.”

Ondertussen blijft de strijd om onderzoekssubsidie moordend. De onvrede hierover is Smits welbekend, ook van het eigen personeel. “De ruif wordt steeds kleiner maar wat doe je ertegen? Het is niet per se een onrechtvaardig systeem.”

Volgens sommige groepsdeelnemers nemen de kansen aanzienlijk toe als je de juiste mensen bij de subsidieverstrekkers kent. Bouter: “Ik kan me het gevoel wel voorstellen, maar ik ken zelf geen voorbeelden van nepotisme. Bij NWO en ZonMw verloopt de selectie vrij transparant met veelal internationale referenten. Misschien zou je, omdat de verschillen tussen zeer goed en excellent klein zijn, beter kunnen loten onder de voorstellen die voor subsidie in aanmerking komen.”

Antropologie

De beste tip die Bouter aan de UMC-bestuurders kan geven: wees duidelijk over het gewenste gedrag en beloon dat ook in de praktijk. “Toon bij een benoeming voor een wetenschappelijke functie niet louter interesse in de H-index van de kandidaten, maar bespreek ook de kwaliteit van de publicaties. Benadruk het belang van intensieve aio-begeleiding, van goed onderwijs geven en van zorgvuldigheid en transparantie in onderzoek."

Hoe hoog is de publicatiedruk eigenlijk in andere disciplines dan geneeskunde? Dat is nog niet op deze manier onderzocht, zegt Bouter. “Bij sociologie, economie en psychologie weet ik dat het in ieder geval een issue is, maar bij geschiedenis of antropologie ligt dat misschien anders. Daar zijn boeken belangrijker dan artikelen en heeft men nog nooit van de H-index gehoord. Er is op zich weinig mis met het tellen van publicaties en citaties, maar in het biomedische onderzoek is het echt te ver doorgeschoten.”

Het artikel ‘How do scientists perceive the current publication culture’ is op 17 februari in BMJ gepubliceerd; zie bmjopen.bmj.com

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)