Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

"Ik dacht: Dit land wordt mijn thuis. Nu hoef ik niet meer te verhuizen”

"Ik dacht: Dit land wordt mijn thuis. Nu hoef ik niet meer te verhuizen”

Photographer:Fotograaf: Loraine Bodewes

Ook aan de UM werken of studeren vluchtelingen, en kinderen van vluchtelingen. In deze Observant-serie komen enkelen van hen aan het woord. Over de vlucht, over hun leven voor en na, over Nederland, over de vluchtelingencrisis en het debat daarover. Deze week Deeba Shahidi uit Afghanistan: “Ik ben zo vaak verhuisd, ik heb altijd het gevoel dat ik er niet bij hoor.”

Haar laatste verhuizing was die van Amsterdam naar Limburg. De laatste in een lange rij, vanaf het begin van haar leven bijna. De eerste twintig jaar heeft ze nooit lang op één plaats gewoond: Afghanistan en Pakistan wisselden elkaar af, al naar gelang de politieke situatie in haar vaderland. Eenmaal (2006) in Nederland werd dat niet anders, hier trok het gezin langs de gebruikelijke carrousel van opvangplaatsen voor asielzoekers. En altijd probeerde Deeba Shahidi zo snel mogelijk in te burgeren, de taal te leren, “erbij te horen”.

Nu werd het Maastricht. Ze had een plaats bemachtigd bij de AKO-opleiding van geneeskunde (arts-klinisch onderzoeker), na een bachelor biomedische wetenschappen aan de Vrije Universiteit. Wéér afscheid nemen van vrienden en vriendinnen, wéér een nieuwe omgeving. Deeba Shahidi: “Ik stapte hier een keer in een bus maar verstond de buschauffeur niet, hij praatte dialect. Toen begon hij over ‘Hollanders’, ik begreep dat niet, we zijn toch allemaal Hollands, zei ik, bij het voetballen is het toch van: Hup Holland?”

Het was nieuw voor haar, de gevoeligheden tussen Limburgers en ‘Hollanders’. Intussen gaf deze buschauffeur haar wel het idee dat ze er wéér niet bij hoorde. “Dus ik dacht: ik moet Limburgs leren. Ik heb het echt geprobeerd, maar het ging niet, mijn Nederlands werd er weer slechter van, ik ben er mee opgehouden.”

Russen

Ze is Afghaanse, maar ze kwam niet in haar eigen land ter wereld. Haar ouders waren in 1985 naar Pakistan gevlucht.

“In 1979 vielen de Russen Afghanistan binnen, langzamerhand werd dat steeds meer een echte oorlog met het verzet, de opstandelingen. Mijn ouders studeerden aan de universiteit van Kaboel: mijn vader scheikunde – hij had geneeskunde willen doen maar had net de toelatingseisen niet gehaald -, mijn moeder biologie. Ze hebben elkaar daar ontmoet. Allebei waren ze tegen de sovjetbezetting, mijn moeder deed mee aan protestacties. Toen mijn vader door het leger werd opgeroepen om met de Russen tegen de opstandelingen te vechten, besloten ze te vluchten. Ze moesten natuurlijk wel eerst trouwen, en de dag daarop vertrokken ze al. Lopend met ezels en paarden door de bergen, van Kaboel naar Peshawar, in een dag of acht. Later reisden ze door naar Islamabad. Ik zie dat nu een beetje als een spannend avontuur, maar als ik dat zeg, wordt mijn moeder boos. Het was heel angstig allemaal. Ze was jong, 20, mijn vader was 23. Ze kwamen in een vluchtelingenkamp terecht, en een jaar later werd ik geboren.”

Shahidi bleef tot haar zevende in Pakistan. Eerst in het kamp, “waar de omstandigheden slecht waren”, later bij kennissen. Onderwijs was een probleem, “als vluchteling mocht je niet naar school. Mijn vader heeft er veel werk van gemaakt, gesmeekt bij het hoofd van een privéschool om zijn kinderen - ik kreeg daar nog een broertje - toe te laten. Dat lukte, dus ik heb vloeiend Urdu geleerd, ik spreek het accentloos. Daar heb ik mijn best voor gedaan want je wilt meedoen, ergens bij horen. Dat bleef daar moeilijk, Pakistani zijn niet zo aardig tegen Afghanen dus we hoorden vaak genoeg dat we er niet bij hoorden.”

Ze is geëmotioneerd als ze over haar vader spreekt: “Ik ben een beetje daddy’s girl. Dankzij hem zit ik nu hier”, klinkt het. Hij hield zich in Pakistan staande door de taal te leren, en ook Engels; daarnaast volgde hij computerlessen. Hij deed zwaar werk in een meelfabriek “waardoor hij nu last van zijn rug heeft”.

Talibaan

Na acht jaar - de Russen verlieten Afghanistan in ’89, vervolgens brak een burgeroorlog uit - leek de situatie in Kaboel iets rustiger. Ze gingen terug, maar niet voor lang. Het zou de eerste keer zijn van een pendelbeweging tussen de twee landen. “Ik ben in mijn jeugd van hot naar haar verhuisd, heb, op de eerste periode na, nooit langer dan een of twee jaar ergens gewoond. Dus ik heb nooit iets kunnen opbouwen met vaste vriendinnen.”

Ze heeft ook een tijd onder het Talibaanregime geleefd. “In die periode was het relatief rustig en wilde mijn vader weer naar Kaboel. Ik mocht als meisje niet naar school, moest een boerka dragen, ik was 13, 14 en zat de hele dag thuis. Niet fijn, want ik ben leergierig, ik huilde vaak. Mijn moeder was actief in de beweging voor vrouwenrechten, ze organiseerde geheime schooltjes, gaf ons thuis les. Zij had haar studie nooit kunnen afmaken en is dichteres geworden, en later ook schilderes. Haar woonkamer hangt nu vol met haar schilderijen, het is een manier van verwerken van al die traumatische ervaringen. Mijn moeder komt uit een zeer liberale familie. Dat de vrouwen gingen studeren was heel normaal. Ik heb foto’s van mijn oma die in de jaren zestig met een kort rokje op de fiets naar haar werk ging. Vóór de Russen kwamen was het qua vrouwenrechten veel beter, zeker in de hoofdstad.”

Haar middelbare school maakte ze in Pakistan af. Na haar eindexamen ging het opnieuw richting Kaboel, nu voor het laatst. “Er was iets met de familie van mijn vader, opa was ziek geloof ik. Intussen was ‘11 september’ achter de rug en waren de Amerikanen begonnen met bombarderen. Dat werd erger en erger, wanneer de hoofdstad aan de beurt zou komen was niet duidelijk, maar toen is het besluit gevallen dat we zouden vertrekken. Mijn moeder met inmiddels vier kinderen. Zonder mijn vader, die bleef bij opa. En deze keer niet naar Pakistan maar echt weg, want in Afghanistan ging het voorlopig niet meer goed komen.”

De reis ging naar Nederland. Daar woonden opa en oma van moederskant al sinds de jaren negentig, samen met een tante van Deeba. Ze waren per ongeluk hier terechtgekomen, op weg naar de VS (“daar woonde al een oom van mij”) maar de smokkelroute via Iran, Turkije en Griekenland (“gelukkig toen nog met goede boten”) liep uiteindelijk vast op Schiphol waar ze met valse paspoorten uit de rij werden geplukt. Ze vroegen asiel aan en werden erkend: opa had als atheïst en communist inderdaad wat te vrezen in Afghanistan.

Deeba’s moeder volgde - jaren later - met het gezin de smokkelroute naar Turkije, om van daaruit gewoon met het vliegtuig door te reizen naar Amsterdam.

Sterke vrouw

“Het was zomer 2006, we belandden in het AZC in Ter Apel, eigenlijk een soort gevangenis want je mocht er niet zo maar uit, maar ik dacht wel: ‘Dit land wordt mijn thuis. Nu hoef ik niet meer te verhuizen.’ Ik mocht dragen wat ik wilde, een broek, geen hoofddoek meer, ik mocht mannen gewoon een hand geven, als een sterke vrouw want zo voelde ik me toen van binnen. Mijn moeder was daar wel een voorbeeld in, die deed dingen die niet mochten, ze had in Afghanistan drie dichtbundels clandestien laten drukken en verspreid.”

Shahidi wilde actief zijn, iets doen en ook zo snel mogelijk Nederlands leren. Alleen ging dat niet zonder slag of stoot. Naar school, dat was alleen mogelijk als je nog geen 18 was. “In het AZC werkte ik in de crèche en in de keuken. Ik tolkte ook veel want in Pakistan heb ik goed Engels geleerd. Maar Nederlands leren mocht niet, ik ben naar het COA-kantoor gegaan, heb met ze gediscussieerd, het bleef nee. Toen dacht ik: ik regel het zelf. Op tv keek ik naar Engelse series met Nederlandse ondertiteling, zo pikte ik al wat op. En ik ging naar de school van mijn jongere zusje, een ROC, en via Vluchtelingenwerk Nederland kon ik meedoen met bepaalde lessen. Zo heb ik de taal kunnen leren.”

Maar ze wilde meer. Ze wilde studeren. Op de middelbare school had ze altijd hoge cijfers, ze wilde dokter worden en niet haar hele leven in een AZC-keuken slijten. En dus nam ze contact op met het Universitair Asiel Fonds, UAF. “Op een gegeven moment, toen ik daar in de keuken zat te huilen, vol wanhoop over mijn toekomst, werd ik gebeld door een van hun studentenbegeleiders. Een geweldige vrouw, ze liet me weten dat ik de week daarop een toets moest maken op de VU en dat ik bij goed gevolg in het voortraject voor anderstalige studenten opgenomen zou worden. Zij had het allemaal voor me uitgezocht. Snap je nu waarom ik in mirakels geloof? Dit was goddelijk, het UAF is goddelijk, wil je dat alsjeblieft opschrijven?”

Maar ze had zich toch zelf aangemeld? Bijna juichend: “Ja, maar niet iedereen krijgt zo’n belletje!”

Ze begon aan het schakeljaar, de wiskunde zat anders in elkaar dan ze gewend was, haar leraar voorspelde dat ze het niet ging redden. “Als je dat tegen me zegt, wordt er iets in mij wakker. Dan zal ik het even laten zien.” Ze haalde een negen. Voor de studie geneeskunde werd ze uitgeloot; het werd een bachelor biomedische wetenschappen.

Verscheurd

Uiteindelijk belandde het gezin, eenmaal erkend, in Haastrecht, bij Gouda. Shahidi kreeg de volgende schok te verwerken toen bleek dat vader definitief niet meer zou komen: haar moeder had de scheidingspapieren al klaar. Shahidi vertelt het aarzelend “want in Afghaanse kringen is dit soort dingen taboe. Voor mij was het een enorme schok, ik was boos op haar, nu was de familie voorgoed verscheurd. Maar ook trots dat ze zoiets aandurfde. Het had mede te maken met hun achtergrond, mijn moeder liberaal en atheïstisch, mijn vader gelovig en conservatief. Mijn wereld stortte in, ik ben depressief geworden en in therapie gegaan.”

Ook dat vertelt ze met de nodige aarzeling. Met therapie, in Nederland iets doodgewoons, moet je bij een Afghaan niet aankomen. “Ze zijn trots. Therapie? Dat kan niet.”

Bomaanslag

Shahidi is, anders dan haar moeder, gelovig. “Die vindt het dom om in iets te geloven dat door mensen verzonnen is, maar ik heb er veel houvast aan. Ook als we weer slechte berichten horen. Vergeet niet, de oorlog in Afghanistan gaat maar door, niet lang geleden zijn twee neven van me omgekomen, 16 en 17 jaar, bij een bomaanslag. Dat geeft een enorm machteloos gevoel. Bij ons allemaal, ook bij mijn iets jongere broer bijvoorbeeld. Die heeft het er heel moeilijk mee gehad.”

En dan spelen culturele gewoontes op. Sinds haar vader wegbleef was haar broertje de oudste ‘man’ in huis. Maar zeggenschap over de rest van het gezin, dat is er in Nederland niet meer bij. Dat zijn oudere zus Deeba na drie jaar Amsterdam naar Maastricht verhuisde voor een vervolgstudie, vond hij maar niets. Veel te ver van zijn woonplaats Den Haag. Hoe kon hij zo op haar passen?

Shahidi is intussen blij dat ze hier is. Ook dat noemt ze “een mirakel: iemand hier boven moet invloed hebben gehad. Als ik in Afghanistan was gebleven had mijn leven er anders uitgezien. Ik ben een uitgesproken wezen, ik ga altijd de discussie aan, maar daar krijg je van de mannen klappen als je tegenspreekt. En neem mijn nichtjes, die worden uitgehuwelijkt tegen hun zin. Mijn vaders familie wilde dat ook voor mij,. Dat ik nog geen man en kinderen heb op mijn leeftijd, dat kan helemaal niet, vinden ze. Gelukkig heeft mijn vader me nooit onder druk gezet. Hier een partner vinden is trouwens best lastig. Nederlandse jongens vinden me te feministisch.”

Niet dat ze altijd overloopt van zelfvertrouwen. Ze doet de vierjarige opleiding tot Arts-Klinisch Onderzoeker maar loopt al anderhalf jaar uit. “Daar schaam ik me voor, wat heb ik nu eigenlijk bereikt? Het komt doordat ik vaak naar Haastrecht moest als er problemen in de familie waren, ik ben de oudste. Die dingen bevorderen ook mijn concentratie niet. Aan de andere kant gaat het nu heel goed in mijn coassistentschap, net als in de wetenschapsstage, daar doe ik onderzoek naar colorectaal kanker.”

Buiten de UM is ze onder meer actief in het Maastrichtse AZC, bij het Refugee Project Maastricht. Ze spreekt Arabisch en Engels, naast Nederlands en de Afghaanse variant van het Farsi, en ze kan dus goed tolken.

“Het is er anders dan in mijn tijd. Op een kamer voor twee personen zitten er nu zes. En de sfeer in Nederland is veranderd, het woord vluchteling is iets negatiefs geworden terwijl het mensen zijn met doorzettingsvermogen, die graag iets willen bijdragen aan de maatschappij. In zo’n AZC merk je nu ook dat de ene categorie tegenover de andere wordt gezet. Syriërs en andere Arabieren komen er sneller uit, Afghanen zitten er vaak langer dan een jaar. Dat geeft spanningen. En ze worden teruggestuurd, terwijl er elke dag bombardementen plaatsvinden waar je hier nooit iets over hoort.”

 

Ze maakt zich zorgen om haar vader, in Kaboel. “Ik mis hem, skypen gaat nauwelijks, bellen is heel duur. Ik zou het liefst veel geld gaan verdienen en hem hier naartoe laten komen.”

Zou hij dat doen?

Aarzelend: “Nee, ik ben bang van niet, hij is daar intussen hertrouwd. Maar toch.”

 

 

 

CV

De Afghaanse Deeba Shahidi kwam op haar twintigste in Nederland, met haar moeder, twee broers en een zusje. Ze leerde Nederlands, studeerde biomedische wetenschappen aan de VU en volgt nu de opleiding tot Arts-Klinisch Onderzoeker aan de UM. Ze werkt bij het Refugee Project Maastricht en is vicevoorzitter van UAEM–NL, Universities Allied for Essential Medicines, een studentenorganisatie die probeert medicijnen goedkoop beschikbaar te stellen aan derdewereldlanden.

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)