Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

“Er zit een houdbaarheidsdatum op jong zijn”

“Er zit een houdbaarheidsdatum op jong zijn”

Photographer:Fotograaf: Loraine Bodewes

Prof. Aagje Swinnen over oud worden en zijn

Wat is oud? Wanneer ben je oud? Wat betekent het om oud te zijn in onze westerse cultuur? Om die vragen draait het - kort door de bocht - in het onderzoek van Aagje Swinnen, universitair docent Aging Studies in Maastricht en bijzonder Socrates-hoogleraar International Humanism and the Art of Living aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht. Onlangs vroeg ze  dichters uit de regio, ouder dan 65, hoe zij tegen hun creativiteit aankijken.

Een man van zeventig die zich een coma zuipt. Een vrouw van zestig die een kind baart. Een student van achttien die in het huwelijk treedt. Een vrouw van tachtig die het haar felblauw verft. Intuïtief weten we welk gedrag bij een leeftijd ‘past’, ook al zit er ontwikkeling in die opvattingen. Leeftijd is dan ook veel meer dan alleen de feitelijke kalenderleeftijd, er zitten tal van culturele betekenissen aan.  “Het is niet alleen wat je (vier, zestien, vijftig of tachtig jaar) bent, maar ook wat je doet. We moeten ons realiseren dat leeftijd meer is dan alleen een chronologisch en biologisch gegeven, meer dan gezondheid, fitheid en uiterlijke verschijning.”

Ouder worden hoort bij het mens zijn, vindt prof. Aagje Swinnen. Ze kan zich dan ook totaal niet vinden in de opvatting van een onderzoeker als Andrea Maier (Zomergast bij de VPRO in 2016) die ouderdom wil benaderen als ziekte. Zo’n benadering zou een remedie tegen de ‘kwaal’ zijn en dus zicht op een langer gezond leven dichterbij brengen. “De zoektocht naar onsterfelijkheid (in de zin van eeuwige jeugd) is van alle tijden. Maar zo maak je van de oudere een ander, iemand die afwijkt van de norm. Iemand waarop alles wat afschuwelijk en ondraaglijk is, kan worden geprojecteerd.” Het is de bejaarde die ziek en afhankelijk is, die in de vierde en laatste levensfase wordt gepositioneerd. “Al ons beleid is erop gericht om mensen zolang mogelijk in de derde leeftijd te houden; die van de gezonde, fitte oudere die er met de fiets op uit trekt. Het is een ideaal dat zelfs de gemiddelde tachtigplusser ambieert: ook hij heeft vaak een hekel aan ouder worden. Maar die derde leeftijd is op de lange duur natuurlijk niet vol te houden. Er zit een houdbaarheidsdatum op zo lang mogelijk jong zijn.”

Swinnen wijst op de voltooid leven-discussie die onlangs opnieuw is aangezwengeld door een wetsvoorstel van minister Schippers. “We zijn zo bang voor die vierde leeftijd dat we - extreem geformuleerd -  ons leven liever als voltooid beschouwen, dus liever dood gaan, dan de confrontatie met onze kwetsbaarheid aangaan. In plaats van het wegpoetsen van de kwetsbaarheid zouden we beter een levensvisie kunnen ontwikkelen die haar omarmt.” En kwetsbaar is de mens niet alleen als hij oud en der dagen zat is. “We zijn dat ons hele leven, zowel fysiek als relationeel. We willen dat niet onder ogen zien, schuiven alles weg en leren er niet mee om te gaan. Ben je eenmaal afhankelijk van zorg, dan is de kans groot dat je geen tools hebt om in al je kwetsbaarheid toch nog zin te geven aan je leven.”

Hoe heeft het zover kunnen komen? “In de jaren zestig is de jeugdcultuur ontstaan. Die heeft generaties tegen elkaar uitgespeeld en een bepaald consumentistisch lichaamsideaal naar voren geschoven. Jeugdigheid staat voor schoonheid en dat betekent geen rimpels, geen kwabben, geen cellulitis. We kunnen ons vandaag de dag bijna niet meer indenken dat een oud iemand ook aantrekkelijk kan zijn. En als je dat niet beseft dan begrijp je ook niet dat ouderen seksueel actief kunnen zijn. We bootsen allemaal de jeugdigheid na, we moeten allemaal succesvol ouder worden en proberen dat onder andere te bereiken met gezond eten, bewegen, botox, facelift, et cetera. Maar stel dat we ons daar minder mee bezig zouden houden? Dan zouden we meer tijd hebben voor andere dingen die misschien bevredigender en zinvoller zijn. Wat vind ik belangrijk in het leven? Waar wil ik in investeren? Misschien zijn dat wel totaal andere dingen dan het vermijden van kipfiletjes aan je bovenarmen.”

Swinnen is onder anderen geïnspireerd door filosoof Joep Dohmen, tot voor kort ook verbonden aan de Universiteit voor Humanistiek, en zijn levenskunst. Levenskunst heeft weinig te maken met een lifestyle die vooral bestaat uit shoppen, lekker uit eten, de juiste kledinglijn of de boodschap die bladen als Happinez uitdragen. Daarover zei Dohmen zelf eerder in een interview met het Humanistisch Verbond: “Alle ambivalentie wordt uitgesloten, moeilijkheden worden snel overwonnen en dan lonkt het zogenaamde geluk. Dit is eigenlijk een ‘glossy gladstrijken van de plooien’.” Swinnen: “Joep Dohmen heeft het over de the art of living: leren omgaan met jezelf  en de wereld door na te denken over waar je staat, wat je wilt en welke mogelijkheden je hebt om dat te bereiken. Zelfbevraging is cruciaal. Levenskunst beoefenen is misschien nog urgenter wanneer je ouder wordt. En dat is wat anders dan fietsen, op een terras zitten, reizen en sporten. Dat is het consumentistisch model. Ik hoop juist dat mensen losser komen van het dominante model en vrijer manoeuvreren. En daar heb je creativiteit voor nodig.”

De mens kan misschien leren van professionele kunstenaars, denkt Swinnen. Zij praatte met vijf oudere dichters uit de streek – Frans Budé, Emma Crebolder, Leo Herberghs, Wiel Kusters en Kreek Daey Ouwens - en vroeg hoe zij tegen hun eigen creativiteit aan kijken. “Zij hebben niet al een leven lang over platgetreden paden gelopen. Zouden zij anders tegen hun creativiteit aan kijken nu ze ouder worden? Binnen de kunsten leven veel aannames over jeugdigheid en ouder worden. Innovatie komt van de jeugd, er is een piek rond de dertig, daarna wordt het alleen maar minder, al beleeft de artiest vlak voor het sterven nog een hoogtepunt of zwanenzang. De gesprekken met de schrijvers nuanceren die veronderstellingen.”

Opvallend is dat de dichters nog voortdurend bezig zijn met “het heruitvinden van zichzelf”, aldus Swinnen. “Ze staan veel vrijer ten opzichte van gangbare literaire opvattingen en ontwikkelen meer en meer een eigen stem. Ze weten beter wat ze willen zeggen en hoe.” Ook gaan ze nieuwe uitdagingen aan. “Ze zijn dus verre van epigonen van zichzelf.”

Hun dagelijkse schrijfroutine daarentegen is nauwelijks veranderd. Zo kiest Emma Crebolder nog altijd voor het schrijven in de avond, wanneer het stil is in huis, terwijl Leo Herberghs vasthoudt aan gedichten maken op basis van zijn wandelingen door de natuur. Ook dromen de meesten nog steeds van nationale literaire prijzen en erkenning, al hangt hun eigenwaarde er veel minder van af. Jammer is dat de literaire critici vaak blijven vasthouden aan het beeld dat ze ooit van de dichters opbouwden. “Zij herhalen vaak de stereotiepe beelden en zien de ontwikkeling niet voldoende die de dichters zelf wel zien.”

“Schrijven is een soort levenskunst geworden voor de vijf,” concludeert Swinnen. “Een manier van goed en betekenisvol leven. Ze blijven doen wat ze belangrijk vinden ook als er beperkingen komen en dromen zich een toekomst, blijven zich ontwikkelen en nemen verantwoordelijkheid voor het eigen soms heel kwetsbare bestaan.”

 

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)

CAPTCHA Afbeelding
Enter the code shown above: