Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

We hoeven niet boos te zijn over de boosheid in de politiek

We hoeven niet boos te zijn over de boosheid in de politiek

Photographer:Fotograaf: Matt Johnson (Trump), metropollco.org (Wilders), European Parliament (Le Pen)

De timing kon haast niet beter: de wereld is nog niet bekomen van de verkiezingsoverwinning van Donald J. Trump - en het is de vraag of ze er ooit van zal bekomen -, terwijl op hetzelfde moment Nederland zich door nieuwsverslagen heen werkt over het Wildersproces, aangespannen vanwege het ‘minder Marokkanen’ incident. En precies dan komt het nieuwe boek van Sjaak Koenis uit, De januskop van de democratie, dat in belangrijke mate over de opkomst van het populisme gaat. Zie de ondertitel: Over de bronnen van boosheid in de politiek.

En wat wil je dan lezen als academisch gevormd en redelijk (ja toch?) denkend burger die wars is van datzelfde populisme? Als het even kan graag een ander geluid vanuit de universitaire wereld dan dat van de rechtse Leidse kliek waar Paul Cliteur de leidsman van is, dezelfde die tijdens het jongste Wildersproces met droge ogen verklaarde dat het ‘Minder! Minder! Minder Marokkanen!- gescandeer niets anders was dan een “voorstel tot immigratiebeperking”.

Dan wil je een heldere analyse zien van het verschijnsel, en liefst ook iets geruststellends horen. Zodat we ons minder zorgen hoeven te maken over al die schreeuwers die hun wil aan de rest willen opleggen, over die plukjes ‘boze witte mensen’ - de term is al een cliché geworden - die de komst van asielzoekers in hun provinciestadje met hand en tand trachten te verhinderen, en zeker ook over de Trumps en Wildersen die gedijen op de humus van het gesundes Volksempfinden. Want ja, zeg populisme en “veel mensen zien de bruin- en zwarthemden al marcheren”, zei historicus Jos Perry niet voor niets in zijn inleiding tijdens de presentatie vorige week van Koenis’ boek in de Maastrichtse boekhandel De Tribune.

Levert Sjaak Koenis, bijzonder hoogleraar sociale filosofie bij de faculteit cultuur- en maatschappijwetenschappen (Fasos), keurig het bestelde bij de voordeur af? Dat doet hij, min of meer. De analyse krijgen we, de geruststelling.., ja, tot op zekere hoogte die ook wel.

Om te beginnen: de vergelijking met de jaren dertig van de vorige eeuw moesten we maar niet meer maken, schrijft hij, want die leidt tot niets. Populisten van het moderne genre zijn geen fascisten of nationaalsocialisten. Ze bewegen zich altijd nog binnen de grenzen van het parlementaire stelsel, met hoeveel minachting (het “nepparlement” van Wilders) ze daar ook over spreken. Belangrijker is de vraag of populisme uiteindelijk de bijl aan de wortel van de democratie legt. Dat namelijk is het centrale thema bij Koenis. Of nee, hij stelt de vraag breder: is boosheid, woede, onbehagen, afgunst - of welke termen de lading ook maar dekken - die zich uit in politieke bewegingen van onder meer populistische snit, wezensvreemd aan de democratie? Want tja, waar democratie staat voor redelijk overleg, voor bereidheid tot compromis, voor respect voor minderheden, zijn door boosheid gevoede (radicale) stromingen juist de ontkenning van dat alles.

Gelijkheid

Koenis fileert in zijn boek al die begrippen: wat bedoelen we met boosheid, is dat rancune of ressentiment en wat betekent dat dan weer, vertaald in politieke termen? En ook: wat betekent democratie eigenlijk, gezien in het licht van afgunstige burgers? Dat dat geen nieuw thema is bewijst een beroemd citaat van de even beroemde negentiende-eeuwse Franse politiek filosoof Alexis de Tocqueville, met instemming door Koenis aangehaald: “Men moet beseffen dat democratische instellingen het gevoel van afgunst in het menselijk hart tot zeer grote ontwikkeling brengen. Dat is niet zo omdat zij aan eenieder de middelen bieden om anderen te evenaren, maar omdat deze middelen voortdurend tekortschieten. Democratische instellingen wekken de hartstocht voor gelijkheid op en wakkeren die aan, zonder hem ooit volledig te kunnen bevredigen.”

De Tocqueville schreef dit in 1835-’40, en Koenis maakt er een kleine tweehonderd jaar later dankbaar gebruik van. Want ja, democratie is niet alleen maar de uitdrukking van de volkswil, niet alleen maar het voertuig van belangrijke waarden, van vrijheid, gelijkheid, broederschap en emancipatie, nee, het is ook het omgekeerde: een systeem waarin gelijkheid wordt nagestreefd, die vervolgens deels wordt gerealiseerd maar dan altijd weer nieuwe ongelijkheid creëert, nieuwe achtergestelden, zodat op haar beurt weer nieuwe afgunst ontstaat. Die hoeft zich niet per se te manifesteren in de grimmige wrok van de boze burger, de ‘rancunemens’. Afgunst, Koenis hamert het erin, kan zich negatief uiten maar heeft ook een andere kant. Dan is niet de rancunemens aan het woord, maar de rebel, en dat begrip heeft een heel wat gunstigere klank. De strijd om emancipatie van arbeiders, ‘kleine luyden’, vrouwen, homo’s is niet denkbaar zonder de op zijn minst begrijpelijke, zo niet terechte afgunst jegens lieden die het beter hebben getroffen.

Dezelfde wedstrijd

Zo is in de loop van de afgelopen twee eeuwen de maatschappij ‘gelijker’ geworden, minder hiërarchisch, tot we nu op het punt zijn beland dat het lot van mensen niet meer door hun afkomst maar door hun talent en verdienste wordt bepaald. De meritocratie. Iedereen tevreden? Natuurlijk niet. Want wat als je nu eenmaal minder begiftigd bent met talenten? En je wel de rechtvaardigheid ziet van het meritocratische uitgangspunt als zodanig? Die conditie, zegt Koenis, is wel de pijnlijkste. Wanneer die tot afgunst leidt, vindt die immers geen uitweg: waar zou je tegen moeten revolteren? Zoekt die afgunst toch een uitlaat, dan vaak in de rancuneuze variant die “de ziel vergiftigt” (de Duitse filosoof Max Scheler in 1912) en die een vruchtbare voedingsbodem voor populisme kan zijn.

Daar komt nog iets bij. Waar vroeger de afstand tussen de maatschappelijke standen zo groot was dat men min of meer in verschillende werelden leefde, een afstand die lange tijd geaccepteerd werd ook door de onderliggende klasse (een ‘Jan met de pet’ zou nu eenmaal nooit dokter of advocaat worden), is tegenwoordig het democratische gelijkheidsideaal zo allesdoordringend geworden dat iedereen vindt dat hij ‘in dezelfde wedstrijd’ speelt, schrijft Koenis. En wie dat vindt, is per definitie niet geneigd onderlinge (inkomens-)verschillen voetstoots te accepteren. Is er dan een kloof tussen hoger- en lager opgeleiden, zoals vaak wordt beweerd? Misschien, vindt Koenis, maar dat is het punt niet. Er is zonder twijfel reële maatschappelijke ongelijkheid, maar de spanning ontstaat pas als mensen niet meer zo onder de indruk zijn van de status van de hoger geplaatsten, als men dus iedereen als gelijke beschouwt. Het gaat om die perceptie; die kan tot frustratie leiden. In de metafoor van Koenis: “Ze denken dat ze in dezelfde wedstrijd spelen, maar hebben er tegelijkertijd de pest in dat ze de bal nauwelijks krijgen toegespeeld.”

Verkruimeld

Plaats dit verschijnsel in de ontwikkeling van de West-Europese democratie in de vorige eeuw, en het beeld wordt duidelijker. Koenis onderscheidt drie stadia. De jaren dertig vormden het tijdperk van de bedreigde democratie; dictatoriale stelsels (fascisme, communisme) en hun aanhangers zaagden aan de poten en een weinig democratisch geïnspireerde bestuurlijke elite in Nederland toonde zich nauwelijks weerbaar. Dan komt de oorlog en herleeft de verzuilde partijendemocratie, maar de krachten nemen af als langzamerhand de zuilen - de algemene, de katholieke, de protestantse, de socialistische - aan bindend vermogen verliezen. In de jaren zestig worden de oude partijelites uitgedaagd, in de decennia daarna verkruimelt hun aanhang steeds meer zodat we nu in de nadagen van de partijendemocratie leven, zegt Koenis. Sinds de eeuwwisseling is een ander fenomeen in opkomst, de ‘publieksdemocratie’ met veel lossere relaties tussen kiezers en partijen, een grote rol voor de media en de persoonlijkheid van de politicus. De traditionele maatschappelijke verbanden zijn alleen maar zwakker geworden, en dat betekent dan ook dat hun bemiddelende en kanaliserende rol wanneer er ongenoegen leeft in de achterban, is uitgespeeld. De boze burger is een boos individu geworden. In dit stramien komen mensen als Pim Fortuyn en Wilders bovendrijven.

Betekent dat alles het falen van de democratie? Nee, het is het omgekeerde, betoogt Koenis. Democratie en de daaraan inherente beweging naar emancipatie en gelijkheid roept per definitie ressentiment en boosheid op. Dat hoort er nu eenmaal bij, dat is juist een teken van vitaliteit. Vandaar het beeld van de januskop, het hoofd met twee gezichten. We moeten democratie ook niet als iets heiligs zien, iets dat bezoedeld en bedreigd wordt door boze burgers, door populisten. Daar, en niet alleen daar, verwijst Koenis met veel sympathie naar Menno ter Braak, de schrijver die zich in de jaren dertig teweer stelde tegen zowel de totalitaire bedreigers van de democratie als tegen haar adepten die er ten onrechte een morele verhevenheid aan toekenden.

Schipperen

Wat moet er dan gebeuren? Koenis wijdt daar in zijn slotbeschouwing enkele gedachten aan. Laten we op zijn minst de boosheid van burgers aan een serieuze analyse onderwerpen, vindt hij: in hoeverre is die rebels, in hoeverre rancuneus? De huidige rechtse populisten zijn niet per se het een of het ander. Wat het populisme voorlopig wèl doet is deels de rol overnemen van de oude maatschappelijke zuilen: die van bliksemafleider, van ‘ontladingsmechanisme’. Dat is de positieve kant van de medaille. Of ze met houdbare oplossingen komen is vers twee; zolang ze niet de draai van protest naar ‘meedoen’ kunnen maken is er weinig van ze te verwachten. En als ze in staat zijn om straks het land te mobiliseren tegen ‘Europa’, als een ‘Nexit’ dreigt, is “de schade niet te overzien”, schrijft hij.

Er ligt dus een rol voor onze politici. Daar moeten geen wonderen van worden verwacht, integendeel. Laat ze schipperen, vindt Koenis, met Ter Braak, en hij bedoelt dat uitdrukkelijk positief. Ter Braak schreef bijna honderd jaar geleden: “Ontdek het gezicht der schipperaars in plaats van naar het herstel van oude leuzen te zoeken of romantische dwaasheden als geestelijke herbewapening te cultiveren: dat is het eerste gebod. (…) Het schipperen tussen de leuzen van de bruut en de schoolmeester is een taak, die ik bijna verheven zou willen noemen (…)”

Sjaak Koenis, De januskop van de democratie; over de bronnen van boosheid in de politiek. Uitgeverij Van Gennep, ISBN 9789461644411 / NUR 740

Categories:Categorieën:
Tags:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)