Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

Over geheime plannen en de voorliefde voor teckels

Over geheime plannen en de voorliefde voor teckels Over geheime plannen en de voorliefde voor teckels Over geheime plannen en de voorliefde voor teckels

Photographer:Fotograaf: archief Observant

Jubileumboek in zestien stukjes

MAASTRICHT. Het is al vaker gezegd: dat er hier in Maastricht überhaupt een universiteit staat, die bovendien een tamelijk solide reputatie heeft verworven, mag een wonder heten. Want het was vaak vechten tegen de bierkaai. Het deze week onder alle UM-medewerkers verspreide jubileumboek getuigt daar nog eens van.

Tegen de bierkaai, dat wil in het geval van de Rijksuniversiteit Limburg (RL), later de Universiteit Maastricht, zeggen: tegen Haagse ambtenaren en politici die het prille initiatief in de jaren zeventig en ook nog tachtig graag zagen kelderen om op die manier in één klap bezuinigingen te realiseren waarover anders ellenlang onderhandeld moest worden. En tegen de collega’s, de zusteruniversiteiten, vooral die in het zuiden, Tilburg, Nijmegen, Eindhoven. Want die stonden op hun achterste benen zodra Maastricht met een plannetje kwam waar ze ofwel zelf op zaten te broeden, ofwel concurrentie voor hun eigen bestaande richtingen van verwachtten. Zo was de Technische Universiteit Eindhoven niet blij met het plan voor een Science College, zo was Nijmegen overdonderend niet blij met de plannen om in Maastricht psychologie in te voeren, zo was (onder veel meer) Tilburg, na bezuinigingen op de eigen letterenafdeling, niet geporteerd van de Maastrichtse plannen voor cultuurwetenschappen.

Het was dan ook precies om die reden dat ingenieur en wetenschapsfilosoof prof. Gerard de Vries in het grootste geheim aan zijn plan werkte dat uiteindelijk zou resulteren in cultuur- en wetenschapsstudies.

De Vries was in 1987 vers ingevlogen vanuit Groningen om hier hoogleraar wijsbegeerte te worden bij de faculteit Algemene Wetenschappen (AW) ‘in oprichting’; geen echte faculteit maar meer een verzamelplaats voor vakgebieden die de bestaande faculteiten (geneeskunde, gezondheidswetenschappen, rechten en economie) met ‘serviceonderwijs’ moesten bedienen: wijsbegeerte en geschiedenis, iets later ook informatica en wiskunde. ‘Basisvoorzieningen’ heette dat toen. Het was een van die typische gelegenheidsconstructies waar deze universiteit altijd zeer creatief in is geweest. Maar de pas gearriveerde De Vries liep in Maastricht wel tegen een paar verrassingen aan. Niet alleen de grote aantallen priesters en monniken die nog in pijen over straat gingen - zoiets zag je in Groningen niet, en De Vries kwam uit een ongelovig nest. Wat hem vooral rauw op zijn dak viel was de mededeling van Karl Dittrich, lid van het college van bestuur, dat hij geen flauw idee had wat een filosoof hier eigenlijk kwam doen. En verder dat de nieuwe faculteit AW trouwens niet met veel bestuurlijke geestdrift in het leven was geroepen; het was de universiteitsraad die er op had aangedrongen; die invloed had de U-raad destijds nog. In die sfeer stapte De Vries de universiteit binnen.

Het valt allemaal te lezen in Het Maastrichts experiment, over de uitdagingen van een jonge universiteit 1976-2016 van Annemieke Klijn, historica en verbonden aan de faculteit die De Vries even later in het leven wist te roepen: cultuurwetenschappen, nu meestal Fasos genoemd, de Faculty of Arts and Social sciences.

Geheim

Daar zat hij dan, in een ‘nep’faculteit zonder eigen studenten, zonder eigen studierichting. Zoiets was geen lang leven beschoren, daarvan was hij overtuigd. En dus moest er iets gebeuren. Er liep al een initiatief, gedragen door een aantal reeds eerder aangetrokken jonge wetenschappers als Tannelie Blom en Maarten Doorman, om samen met de kunstacademie en de toneelacademie een studierichting Kunst- en Cultuurwetenschappen te ontwikkelen. Maar De Vries zag daar niets in, hbo en universiteit waren te verschillend, vond hij. Klijn schrijft nog net niet dat De Vries de plannen saboteerde, maar enthousiast meewerken was er in ieder geval niet bij.

Het zaakje mislukte dus, De Vries concentreerde zich op eigen plannen, in een onderonsje met de nieuwe collegevoorzitter Loek Vredevoogd. Dat was de man die op uiterste geheimhouding aandrong omdat er anders te veel weerstand bij de andere universiteiten dreigde, en op termijn dan ook bij het ministerie. En daar moest de toestemming vandaan komen om ook echt te beginnen. De Vries nam die geheimhouding nogal letterlijk: hij werkte thuis aan de plannen, zelfs zijn eigen secretaresse wist van niets, laat staan de staf. Medio 1989 overviel hij die met het voorstel dat uiteindelijk tot cultuur- en wetenschapsstudies zou leiden, en kreeg de wind van voren. Het was zelfs aanleiding voor iemand als Pieter Mostert, filosoof en medewerker van het eerste uur, om de universiteit te verlaten: dat plannen in het geheim ontwikkeld werden - hoeveel vertrouwen had De Vries in zijn eigen staf? - en vervolgens doorgedrukt werden zonder fatsoenlijke facultaire discussie was al laakbaar genoeg, maar ook inhoudelijk had Mostert stevige bezwaren. Het nieuwe plan had, anders dan het eerdere Kunst- en Cultuurwetenschappen, nauwelijks nog iets met kunst van doen: het cultuurbegrip was te zeer verengd en verlegd naar techniek, wetenschap en samenleving, vond hij, en hij niet alleen. Dat was toen de richting die werd ingezet, en de stelling is niet te gewaagd dat die trend tot nu toe voortduurt.

Het was dus een stevig inhoudelijk conflict, daar bij de cultuurwetenschappers rond 1990. Het jammere is dat Klijn nauwelijks op dat debat, over de koers van de opleiding en de latere faculteit Fasos, ingaat. Wat Mostert betreft beperkt Klijn zich tot diens kritiek op het ‘autocratische’ optreden van De Vries.

Debatten en conflicten

Helaas is die nogal afvlakkende benadering ook elders in dit boek te vinden. Wie het doorleest en zelf iets van de geschiedenis van RL/UM weet - en dat geldt voor veel medewerkers, de universiteit is nog jong immers - zal het niet ontgaan, ook in de hoofdstukken over de medische faculteit, bij het latere gezondheidswetenschappen enzovoorts. De debatten en de conflicten worden wel genoemd, of op zijn minst aangestipt, maar lang niet altijd genoeg om de scherpte ervan en de portee voor de koers van faculteit en universiteit werkelijk te kunnen vatten. Of de sfeer ook maar te proeven.

Een voorbeeldje: in het hoofdstuk met sociaal psychiater Marius Romme - het boek is opgebouwd uit zestien hoofdstukken waarin telkens een ‘bouwer’ centraal staat - wordt gewag gemaakt van de rel rond een dubbelpromotie in 1983. Wat gebeurde er? Niets. Die ging namelijk niet door. De rel had alles te maken met het langlopende conflict over een nieuw te bouwen academisch ziekenhuis. De machtige medisch decaan Co Greep liep daarvoor het vuur uit zijn sloffen, mensen als Romme maar ook heel veel anderen, en zeker ook studenten, hielden meer vast aan het oorspronkelijke idee dat de medische faculteit Maastricht ‘andere’ artsen op zou leiden en zich vooral op de eerste (huisartsen) lijn zou richten; de klinische praktijk kon wel bij bestaande ziekenhuizen worden ondergebracht.

Pro- of contra een nieuw ziekenhuis; het verdeelde de nog jonge universiteit, en in die sfeer wilden twee promovendi van Romme tegelijkertijd op één proefschrift promoveren dat kritisch was over (psychiatrische) ziekenhuiszorg. Het was het eerste sociaalwetenschappelijke proefschrift aan de RL, de plechtigheid was geregeld, de bitterballen al ongeveer besteld toen het op instigatie van Greep en de toenmalige rector Coen Hemker werd afgeblazen. De dissertatie was methodologisch echt onder de maat, zo had ook een snel bijeen geroepen commissie waarin onder meer Hans Philipsen prijkte, al geconstateerd. Philipsen kwam uit Leiden, waar hij hoogleraar methoden en technieken van sociaalwetenschappelijk onderzoek was. De man wist dus iets van het onderwerp. Ook Philipsen vond het proefschrift te licht, en anders was er altijd nog de eerste vrouwelijke hoogleraar aan de UM, de sociologe Riet Drop, die in het vorige jubileumboek van de UM, uit 2001, al liet optekenen dat het proefschrift “echt strontslecht” was. Waaraan ze even later toevoegde dat Romme weinig kaas gegeten had van wetenschappelijk onderzoek, net als meer  hoogleraren van het eerste uur.

Hoe verschijnt deze kwestie, die zelfs de landelijke pers haalde, in dit nieuwe jubileumboek? Klijn plaatst de affaire adequaat in de context van het ziekenhuisdebat, daar valt niets op af te dingen. Maar de sfeer, de scherpte van de tegenstellingen, het onmiskenbare oordeel ook dat Romme er destijds faliekant naast zat; dat ontbreekt allemaal. Hier krijgt een nog altijd verongelijkte Romme opnieuw alle ruimte voor zijn stelling dat het proefschrift om politieke redenen onderuit was geschoffeld door de ‘ziekenhuislobby’.

Teckels

Klijn presenteert het boek in haar lange en boeiende inleiding als ‘oral history’, vooral gebaseerd op interviews. Die methode geeft ruimte aan ‘petite histoire’, aan sfeertekening, aan aandacht voor al die toevallige en vaak persoonlijke dingen en dingetjes die toch zo belangrijk kunnen zijn voor de loop van de geschiedenis. En gelukkig, er staan een paar van dat soort anekdotes in; te weinig helaas, de auteur heeft ondanks haar beleden uitgangspunt zwaar geleund op klassieke, geschreven bronnen. Maar één leuke verdient hier zeker vermelding. Het gaat om de voorliefde voor honden van de eeuwige en zeer succesvolle ‘bouwer’ Louis Boon, (psychologie, University College, Science Program, University College Venlo) en dan vooral voor het type met korte pootjes, de teckel. Hij nam ze vaak mee naar kantoor, liet zich tijdens gesprekken met deze of gene gewillig onder de baardige kin likken door zijn vriendjes, en bleek op een gegeven moment die teckelliefde te delen met de voorzitter van een landelijk adviesorgaan dat op een cruciaal moment ja moest zeggen tegen het plan om een psychologieopleiding te beginnen. Een in het land zwaar omstreden initiatief, en ja, de suggestie is dat deze gezamenlijke voorliefde “een band schiep” en daarmee Boon en de universiteit een stapje verder hielp.

Feestboek

Het nieuwe jubileumboek is zeker niet het definitieve over de geschiedenis van deze universiteit, Klijn is de eerste om dat in haar inleiding te erkennen. Ze stelt daarbij ook de vraag of het niet eens tijd wordt voor een echt grondig aangepakte studie. Het antwoord moet natuurlijk ja zijn. Want veel meer dan het gedegen maar nogal droge werk van P.J. Knegtmans over het begin van de RL (De Medische Faculteit Maastricht. Een nieuwe universiteit in een herstructureringsgebied, 1969-1984) is er niet verschenen. Het jubileumboek van 2001 was een compilatie van allerhande bijdragen door vele auteurs en in sterk verschillende stijlen. Men is hier meer geneigd tot de ‘feestboek’-traditie, meldt Klijn. Dat mag dus wel eens veranderen. En omdat de UM op weg is naar de halve eeuw, omdat de conjunctuur aantrekt en deze universiteit op dit moment weinig financiële problemen kent, ligt de gedachte voor de hand om nu al met vooruitziende blik een vakhistoricus aan te trekken die ruim de kans krijgt om alles van begin tot eind grondig uit te spitten.

Die opdracht moet dan natuurlijk van het college van bestuur komen; Klijn is begonnen in opdracht van de Kunst en Erfgoed Commissie, waarna het college pas later over de brug kwam.

En nog een laatste opmerking: laat het college van bestuur dan meteen iedereen die daarvoor gevraagd wordt verplichten, op straffe van inhouding van de kerstgratificatie, om mee te werken en informatie te verschaffen. Klijns selectie van zegslieden in dit boek is allicht vatbaar voor kritiek, maar een deel daarvan was overbodig geweest als mensen die gevraagd zijn, gewoon hadden meegewerkt. “Niet iedereen stond open voor een dialoog over het verleden”, schrijft ze. Dat is een schandaal, eigenlijk.

Categories:Categorieën:
Tags:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)

CAPTCHA Afbeelding
Enter the code shown above: