Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

Zes soorten hoogleraren, meer vrouwen

MAASTRICHT. Bij de werving en benoeming van hoogleraren zal in de toekomst meer ruimte moeten komen voor vrouwelijke kandidaten. Dat staat in de nota van het college van bestuur over de benoeming van verschillende typen hoogleraren. Eén soort hoogleraar zal niet het ius promovendi krijgen.

De nota, die nog door de universiteitsraad moet worden besproken, onderscheidt vier soorten van gewoon hoogleraar. “In beginsel” is dat hoogleraarschap voltijds, maar erg hard lijkt dat beginsel niet te zijn, want “werken in deeltijd is mogelijk”. Naast de vakhoogleraar - de hoofdcategorie - is er de zeer beperkte groep universiteitshoogleraren. Daarvan zijn er nu vier, en volgens Nick Bos van het college van bestuur zullen dat er niet veel meer worden, zo verklaarde hij onlangs in de vergadering met vakbondsvertegenwoordigers in het Lokaal Overleg. Dit type hoogleraar wordt, anders dan bij alle andere categorieën, door het college van bestuur naar voren geschoven maar moet om wettelijke redenen wel bij een faculteit ‘verankerd’ zijn. Wat vervolgens de rol van de faculteitsraad is - normaliter spreekt die zich uit over het ‘structuurrapport’ dat de invulling van de functie beschrijft, en over de kandidaat - blijft onduidelijk. De suggestie is nu dat de raad achteraf wordt geïnformeerd. Bos: “Bij zo’n benoeming moeten we snel handelen, en dan is een bepaalde vrijheid nodig om de kandidaat zekerheid te bieden, anders kunnen we het vergeten.”

De derde categorie behelst de ‘persoonlijk hoogleraar’: iemand die om strategische redenen, bijvoorbeeld een bepaald vakgebied dat extra aandacht behoeft, een leerstoel krijgt die weer verdwijnt zodra de kandidaat stopt. De benoeming geldt voor vijf jaar en kan een keer verlengd worden. Er komt een begeleidingscommissie die ook een coachende rol heeft.

Tot slot is er nog de ‘profileringshoogleraar’: een hoofddocent die in het kader van carrièrebeleid hogerop mag. Ook die krijgt een begeleidingscommissie.

Daarnaast zijn er nog de ‘bijzondere’ hoogleraren, veelal namens een stichting benoemd en met een kleine aanstelling, meestal een dag per week. Aan hen worden inhoudelijk dezelfde eisen gesteld als aan gewone hoogleraren, behalve als het om de subcategorie ‘praktijkhoogleraar’ gaat: die doet niet aan onderzoek en krijgt om die reden niet de bevoegdheid om promovendi te begeleiden.

Het college van bestuur wijst in de nota uitdrukkelijk op het genderbeleid van de UM: als er vijf kandidaten zijn moeten daar minimaal twee vrouwen bij zitten. De benoemingsadviescommissie dient evenredig (m/v) samengesteld te zijn, en uit haar rapport moet blijken “welke acties ondernomen zijn om vrouwen persoonlijk te bereiken en te interesseren voor de vacature”.

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

2017-04-13: g.van eys
Heerlijk, al die begeleidingscommissies voor hoogleraren. Een hoogleraar moet in staat zijn zijn eigen broek/rok op te houden. Als hij/zij dat niet kan, moet hij/zij geen hoogleraar worden. Functies als universitair (hoofd) docent bieden mogelijkheden zich voor te bereiden op de verschillende aspecten van het hoogleraarschap. Heeft men in een dergelijke functie bewezen professorabel te zijn dan kan met vervolgens hoogleraar worden. Als deze functies dus correct gebruikt worden kan het circus van (meestal inhoudsloze) begeleidingscommissie achterwege blijven.
2017-04-15: j.gerards
Het moet onomstotelijk vaststaan dat een hoogleraar hoort tot de wetenschappelijke top van zijn/haar vakgebied. Een goede benoemingsprocedure met advisering door zusterfaculteiten over de professorabliteit is een belangrijk aspect van deze kwaliteitstoets.
Het instellen van begeleidingscommissies voor de sub top, quasi hoogleraren bevestigt n.m.m. dat het nieuwe beleid niet meer beoogt uitsluitend de top wetenschappers aan de UM te verbinden. Niet alleen zijn begeleidingscommissies voor de mindere goden stygmatiserend, erg kostbaar, maar waarschijnlijk gaan ze ook niet werken. Zie de vele niet functionerende commissies bij de bijzondere hoogleraren; daar is het bestaan van een commissie immers een wettelijke vereiste.
Onbegrijpelijk is het voorstel voor een praktijkhoogleraar. De UM solliciteert hiermee naar omzetting naar een HBO statuur; in het HBO is onderzoek vooral een afwezig domein. In het WO is onderzoek en onderwijs op het hoogste niveau gewenst. Het is niet bestaanbaar dat in een universiteit een hoogleraar geen onderzoekstaak op het hoogste niveau kent.
En over het ius promovendi: het college gaat er kennelijk van uit, dat het bevoegd is om te beslissen wie wel en wie niet dit recht heeft. Dat is niet juist. Wettelijk hebben alle hoogleraren het ius promovendi. Wanneer je niet wilt dat een medewerker dit recht verkrijgt moet hij/zij niet benoemd worden.
Dit beleid leidt verder tot inflatoire betekenis van het hoogleraarschap aan de UM. De rode toga zal aan waarde inboeten, hier, maar ook aan zusterinstellingen. Suggestie om de functie van 'lector' weer te introduceren voor de personen die graag hoogleraar worden, maar niet echt voldoen aan de eisen. Of geef hen een andere kleur toga of in plaats van de baret een bolhoedje. Dan is het voor eenieder duidelijk wie echte hoogleraren zijn en wie daar eigenlijk nog niet aan toe zijn.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)