Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

“Integer zijn, ook als anderen niet kijken”

“Integer zijn, ook als anderen niet kijken”

Photographer:Fotograaf: Loraine Bodewes

Prof. André Knottnerus weg bij de WRR

Zeven jaar lang heeft hij als voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) het kabinet gevraagd en ongevraagd advies gegeven over maatschappelijke ontwikkelingen. Onlangs heeft André Knottnerus, hoogleraar huisartsgeneeskunde in Maastricht, afscheid genomen. Een gesprek over het aanzien van de wetenschap, de impact van WRR-adviezen en het boek dat hij gaat schrijven.

‘Wie had het voor mogelijk gehouden’, schrijft Knottnerus in zijn afscheidsrede als WRR-voorzitter, ‘dat een Amerikaanse president zou koketteren met de gedachte dat zuigelingenvaccinatie autisme veroorzaakt.’ En wel jaren nadat de bewuste onderzoeker ontmaskerd is als een oneerlijk en onverantwoord wetenschapper. Schermen met alternatieve feiten is niet meer alleen voorbehouden aan autoritaire regimes, vervolgt Knottnerus, maar zien we nu ook in de grootste moderne democratie.

“Gelukkig treden meteen de checks and balances in werking", zegt hij op zijn werkkamer aan het Debyeplein, bedachtzaam en zorgvuldig formulerend. “Wetenschappers verschijnen op straat tijdens de March for Science, maar ook de rechters en de media roeren zich en tonen moed. Het is bizar wat er gebeurt, maar ik ga ervan uit dat het goed komt. Meer zorgen maak ik me over Turkije waar je niet zulke democratische controlemechanismen hebt.”

Minder rooskleurig is dat wetenschap niet geliefd is bij de opkomende, populistische partijen.

“Ik zou eerder spreken van opkomend opportunisme: wel verwijzen naar de wetenschap als het goed uitkomt, terwijl het in de andere gevallen ‘ook maar een mening’ is. Dat is ernstig, maar nog ernstiger vind ik feiten verzinnen voor eigen doeleinden, soms over kinderachtige zaken als het aantal bezoekers van de inauguratie. Dat ondermijnt het gezag van de president, wat hij zelf misschien nog niet eens in de gaten heeft. Dat is, zeker gezien de internationale verhoudingen, niet geruststellend.”

Precies in jouw periode van WRR-voorzitter is het aanzien van de wetenschap ook in Nederland flink beschadigd. Een jaar na je aantreden in 2011 kwam de fraude van Diederik Stapel aan het licht. Wat dacht je toen?

“Het was verbijsterend hoe een gezaghebbend onderzoeker van zijn voetstuk viel... Enfin, het verhaal is bekend. Een jaar later hebben we samen met het Rathenau Instituut een survey gedaan en daaruit bleek dat het vertrouwen in de wetenschap toch nog steeds hoog was, een stuk hoger dan in de media en de politiek. Maar dat vertrouwen neemt af als (commerciële) belangen een rol spelen, en als de wetenschap niet scherp reageert op integriteitsschendingen. In Nederland komt echte fraude zelden voor. Bovendien is de reactie van de KNAW doorgaans vlot en gedegen, en zijn universiteiten daar transparant over.”

Toch waren de fraudegevallen niet de enige dieptepunten, er was ook het replicatiedrama in de sociale psychologie. Van de honderd studies, die zijn herhaald, toonde slechts eenderde de oorspronkelijke uitkomsten. Iets wat ook in de geneeskunde het geval lijkt. Moeten we niet gewoon concluderen dat wetenschap minder betrouwbaar is dan we dachten?

“De overspannen citatiecultuur, de hoge publicatiedruk op jonge onderzoekers, het gebrek aan replicatieonderzoek, daar moeten we allemaal oog voor hebben. Maar bedenk wel dat een deel hiervan boven is komen drijven omdat we er opener over zijn. In het verleden kwam dit ook voor.”

De concurrentie tussen onderzoekers is nu venijniger dan ooit.

“Dat klopt. Daarom is de kritiek op het belang van citatiescores, waarover ik al in mijn oratie in 1988 sprak en waar Science in Transition de laatste jaren werk van heeft gemaakt, terecht. En kom je met salami-publicaties [één studie in meerdere, kleine artikelen beschrijven] niet meer weg. Ook publicatiebias [overmatige ruimte voor positieve uitkomsten in de vakliteratuur] is een issue geworden, net als de toegang tot ruwe data, ook voor replicatieonderzoek. Transparantie is hierbij belangrijk, maar het begint wat mij betreft met persoonlijke integriteit en verantwoordelijkheidsgevoel. Met andere woorden: integer zijn, ook als anderen niet kijken. Het is trouwens nu zaak om door te pakken, want onze houding is nog ambivalent. We vinden de nadruk op citatiescores onwenselijk, maar ze staan nog steeds centraal, ook omdat het makkelijk tellen is. Je hoeft dan al die publicaties niet te lezen. Dat is juist iets wat we veel meer moeten doen als we onderzoekers beoordelen, maar dat kost tijd en geld.”

Is de wetenschap mede verantwoordelijk voor de afbrokkelende geloofwaardigheid?

“Het vertrouwen is er nog steeds, maar het vereist wel onderhoud. En vergeet niet dat we zoiets als publicatiebias eerst zelf moesten ontdekken. Dat was een pijnlijk leerproces. Daar kunnen de media misschien nog iets van leren. Hoe komen reportages tot stand? Een programma als Zembla zou bijvoorbeeld het ruwe interviewmateriaal kunnen publiceren op internet, zodat iedereen kan zien waar en hoeveel er geknipt is.”

Knottnerus benadrukt dat de KNAW en niet de WRR de lead heeft als de wetenschappelijke integriteit in het geding is. “De WRR houdt zich niet bezig met policy for science maar science for policy, en geeft onafhankelijk advies over belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen, vaak op de lange termijn. Daarvoor heb je geloofwaardige wetenschap nodig, en mensen die de top van hun vakgebied vertegenwoordigen.”

Je bent zeven jaar voorzitter van de WRR geweest en daarvoor negen jaar van de Gezondheidsraad. Welke eigenschappen maken van jou een goede voorzitter?

“Of ik een goede voorzitter ben moeten anderen beoordelen, maar een wetenschappelijke achtergrond en de bijbehorende beschouwende blik kunnen wel helpen om een probleem te analyseren en verantwoorde conclusies te trekken. Ook het vak van huisarts kan van pas komen. Je bent gewend aan een generalistische benadering, om breed en integraal te kijken, om te luisteren. Maar het is meer dan psychologie, het is een vak. Je moet bijvoorbeeld ook zorgen dat er veel kwaliteit in huis is, dat de beste mensen in commissies en raden terechtkomen.” 

Welk WRR-advies is van bijzonder belang gebleken in jouw periode?

“Daar kan ik geen simpel antwoord op geven. Ieder advies heeft zijn eigen betekenis en impact, al betekent meer aandacht niet automatisch een beter advies. Zo hebben we gewezen op de scheve verhouding van vakkennis op de ministeries, waar veel juristen en economen werken en te weinig gedragswetenschappers. Dat kreeg weinig publieke aandacht, maar heeft inmiddels wel veel invloed op het beleid in Den Haag. Een rapport dat sterk zichtbaar was in de media en in de Tweede Kamer, is Naar een lerende economie. Dat verbond economie met onderwijs, onderzoek, het poldermodel en de positie van Nederland in de wereld, en analyseerde het maatschappelijke verdienvermogen op een brede manier. Daarna is het zogenoemde Toekomstfonds opgericht voor investeringen in research & development en het intiatief genomen voor een brede welvaartsmonitor naast het bruto binnenlands product.”

Valt te voorspellen hoeveel aandacht een rapport krijgt?

“Soms weet je dat, maar vaak is het een verrassing. Het hangt ook af van de dag waarop het rapport uitkomt. Financiële sector en samenleving in evenwicht presenteerden we op dezelfde dag dat het kabinet zijn plannen rond voltooid leven bekend maakte. Dat trok veel media-aandacht. Op een ander moment denk je, dit korte advies zal weinig teweegbrengen, en prompt zie je het overal terug. Zoals een stuk over migratie en terminologie, eind vorig jaar. We stelden voor om de term allochtonen te vervangen door ‘Nederlanders met een migratieachtergrond’. Dit vanwege de geladenheid, het stigmatiserende effect en de onduidelijkheid van de term ‘allochtoon’. Is Maxima dat dan ook? En onze koning? Technisch wel: zijn vader is van Duitse afkomst. Hoe dan ook, de impact was enorm. Ons voorstel werd snel en breed overgenomen:  door het Journaal, in de krant en in officiële statistieken.”

Welk laatste advies heb je voor de toekomstige bewindspersonen?

“Probeer bevolkingsgroepen met elkaar te verbinden die meer en minder onder de crisis hebben geleden. Een kwart van de Nederlanders is onzeker over de toekomst en vraagt zich af: neemt de samenleving nog wel verantwoordelijkheid voor mij? Ze maken zich zorgen over hun baan en hun woning, hebben flink wat veren moeten laten en zien de migratie met angst en beven tegemoet. Ze voelen zich mede door de globalisering bedreigd in hun bestaan. Allemaal heel begrijpelijk maar de politiek heeft daar in de afgelopen tien jaar te weinig oog voor gehad. Wij hebben daarom bijvoorbeeld geadviseerd om regelingen voor vluchtelingen met een verblijfsstatus ook toegankelijk te maken voor Nederlanders die al langer wachten op een woning of een baan.”

Staan er nog adviezen op stapel?

“Vorige week is een rapport over internationale veiligheid en defensie verschenen. In het najaar verschijnt een rapport over gedifferentieerde samenwerkingsvormen in de Europese Unie. Vaak moeten alle lidstaten instemmen met beleid, anders gaat het niet door. Om die impasse te doorbreken, kun je ook zeggen: niet elke lidstaat hoeft overal aan mee te doen. Kijk naar de subgroep die aan de euro meedoet. Zo kun je ook op het vlak van defensie afspraken maken met een beperkt aantal landen, bijvoorbeeld om samen zoiets als een JSF aan te schaffen. Je voorkomt daarmee de spanning van het alles of niets.”

Wat ga je nu doen?

“Ik blijf hoogleraar in Maastricht en kan weer meer tijd besteden aan onderzoek. Daarnaast houd ik mijn bezigheden in den lande. Ik ben vorige maand voorzitter geworden van de adviesraad van KWF Kankerbestrijding. Tegelijk wil ik ruimte houden voor schrijfwerk, voor ervaringen en ideeën die lang op de plank zijn blijven liggen.”

Je gaat terugblikken op je tijd bij de WRR en de Gezondheidsraad?

“Ik ga niet terugblikken, maar cruciale thema’s bespreken op het snijvlak van wetenschap en politiek. Hoe zorg je ervoor dat wetenschappelijke adviezen impact hebben? Hoe breng je, onder de kortetermijndruk van media en politiek, de langetermijnontwikkelingen voor het voetlicht? Je moet steeds een haakje vinden in het hier en nu. Je moet politici het gevoel geven dat ze vandaag iets goeds kunnen doen, ook al is het maatschappelijke resultaat pas over vijftien jaar merkbaar. Een attitude die vergelijkbaar is met de kathedralenbouwers. Ze ontwierpen iets waarvan ze wisten dat ze niet zelf het lintje zouden doorknippen. Ook een belangrijk thema vind ik de verbindende kracht van wetenschap, essentieel in deze tijden waarin de politiek met grenzen worstelt. Ik heb daar laatst nog met de Britse KNAW over gesproken en de conclusie was: de wetenschap kent geen Brexit.”

Het wordt dus geen boek voor wetenschappers die politici voor hun karretje willen spannen?

“Nee nee, als wetenschapper moet je zorgen dat je boodschap de moeite waard en goed onderbouwd is, en je moet haar effectief brengen. Maar pas op dat je geen belangenbehartiger wordt van je eigen onderzoek, dan verlies je je onafhankelijkheid. Dat geldt ook voor adviesorganen. Als je je aanbevelingen hebt gedaan, moet je ze uitleggen, ervoor zorgen dat ze op de juiste plek landen, en dan een stap terug doen. Dus niet blijven aandringen dat het advies wordt uitgevoerd. Als wetenschapper moet je kiezen: blijf ik wetenschapper, word ik activist of ga ik een bv oprichten? Hier schuilt ook een risico bij publiek-private samenwerkingen waarbij die rollen niet altijd gescheiden blijven.”

Je bent al vele jaren lid van de PvdA. Wat als je gevraagd wordt voor een functie in de politiek?

“Daar zit ik niet op te wachten. Wel vraag ik me soms af: hoe zou ik het zelf aanpakken op zo’n positie? Maar ik heb andere plannen en ik verwacht ook niet dat ik gevraagd zal worden. Als het wel gebeurt, zal ik daar serieus over nadenken.”

Is je beeld van de politiek na jaren in Den Haag veranderd?

“Als je jong bent, denk je: als politici alle informatie krijgen voorgeschoteld, zullen ze verstandige beslissingen nemen en komt alles goed. Maar inmiddels weet ik: er is niemand, geen instantie in de wereld, die beschikt over een totaalplaatje. Het is eerder een mozaïek van allerlei invloeden. Gelukkig heb ik ook geconstateerd dat verreweg de meeste mensen op verantwoordelijke posities het goede willen. Ook zijn ze zich bewust, al hoort scoren op de korte termijn erbij, van het belang van de lange termijn. Ik ben daar optimistisch over.”

 

Wie is André Knottnerus?

André Knottnerus (1951, Nieuw-Beerta) stamt uit een predikantenfamilie in Oost-Groningen. Op zijn vierde verhuisde het gezin naar Den Haag. Het geloof speelde een belangrijke rol in de opvoeding, zei hij eerder tegen Observant. Al was de verticale relatie tot God ondergeschikt aan de horizontale verhouding tot de medemens; alles draaide om de verantwoordelijkheid tegenover de samenleving. Thuis gingen de gesprekken nauwelijks over het geloof maar meer over politiek en wetenschap. Als student was André, die vier broers had, actief in het studentenprotest aan de Vrije Universiteit.

1979      Huisarts in Amsterdam

1986      Gepromoveerd aan de UM op methodologie van diagnostisch onderzoek

1988      Hoogleraar huisartsgeneeskunde aan de UM

1990      Decaan Geneeskunde UM

1994      Wetenschappelijke directeur Onderzoeksschool CaRe

2001      Voorzitter Gezondheidsraad

2010      Voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid

Knottnerus is getrouwd met Ria Wolleswinkel (hoofddocent bij de rechtenfaculteit). Ze hebben twee kinderen.

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)

CAPTCHA Afbeelding
Enter the code shown above: