Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

“Er zijn meer prima donna’s binnengehaald dan bouwers”

“Er zijn meer prima donna’s binnengehaald dan bouwers”

Photographer:Fotograaf: Simone Golob

Een reconstructie van het TMFI

Het goede nieuws: tien jaar na oprichting is The Maastricht Forensic Institute er nog steeds. Het slechte nieuws: Het had zoveel meer moeten zijn dan het florerende DNA-lab dat het nu grotendeels is. De Universiteit Maastricht zag kansen na gerechtelijke dwalingen als de Schiedammer Parkmoord, waarmee het machtige Nederlands Forensisch Instituut onder vuur kwam te liggen. Hier, in het zuiden van Nederland, zou men iets nieuws, iets anders en beters, optuigen: een academisch instituut met onderzoek, relevante opleidingen en diensten aan de advocatuur, de politie en het OM. Wat ging er mis? Hoe kon een prachtig idee in tien jaar tijd zo verzanden?

LONGREAD.

Joran van der Sloot die bij een ‘vriend’ in de auto zit en daar min of meer de moord op Natalee Holloway bekent. De beelden uit 2008 met de verborgen camera staan bij menigeen nog op het netvlies. Een opzetje van misdaadverslaggever Peter R. de Vries, die in een vervolguitzending een aantal Maastrichtse deskundigen aan het woord laat over de vraag: sprak Van der Sloot de waarheid? Forensisch psycholoog Corine de Ruiter en de rechtspsychologen Peter van Koppen, Robert Horselenberg en Harald Merckelbach doen hun zegje. Het was een klapper: niet één maar vier Maastrichtse wetenschappers in beeld. PR ten top voor de universiteit, maar wat niet werd genoemd - en kwaad bloed zette achter de schermen - was hun rol binnen het TMFI, een forensisch instituut in oprichting. Ze hadden het meteen op de kaart kunnen zetten.

Waar kwam het idee vandaan?
“Gerard en ik hebben het bedacht. Vooral Gerard”, zegt Peter van Koppen, doelend op Gerard Mols die in 2004 rector werd aan de Universiteit Maastricht en Van Koppen binnen had gehaald voor een leerstoel rechtspsychologie. Beiden zagen toekomst in een academisch instituut voor forensische wetenschappen. Voor de duidelijkheid: forensisch omhelst alles waar voor het forum van de rechtbank vragen over kunnen worden gesteld. Hoe precies liep de baan van de kogel door het lichaam? Wat zegt dat over de standplaats van de schutter? Hoe zit het met de psychische gesteldheid van de verdachte? Is de stem op de telefoontap inderdaad van hem? Hoe verliep het politieverhoor? Is zijn DNA op de gevonden patroonhuls te vinden? Kijk naar een gemiddelde politieserie en dit soort, plus legio andere, vragen passeert de revue.
In Maastricht wilden ze het forensisch gebied niet alleen betreden als ‘dienstverlener’ voor het openbaar ministerie of de recherche, zoals het Nederlands Forensisch Instituut (valt onder het ministerie van Justitie).
Nee, men wilde het hier anders aanpakken: er zou ruimte zijn voor contra-expertises, waar ook de advocatuur vragen zou kunnen neerleggen, bijvoorbeeld over politieverhoren of DNA-sporen. Essentieel was ook de inbedding in onderzoek en onderwijs. In de plannen vinden we aantekeningen over een interfacultaire bachelor, meerdere masters en betrokkenheid van onderzoekers uit verschillende faculteiten. Mols: “Het moest academisch zijn, anders had het geen zin. Kennis bij elkaar brengen en een rol spelen in de bevordering van de kwaliteit van deskundigen in de rechtszaal. Want ook daar was, en is nog steeds, grote behoefte aan.”
Maar er is nog een ander die zegt het TMFI te hebben bedacht: Harry Fekkers, oud-adviseur van het college. Hij zag al eerder mogelijkheden om interfacultair iets met forensische wetenschappen te doen, vooral in een poging om de rechtenfaculteit weer op de rit te krijgen. “Hun onderzoek werd begin deze eeuw slecht beoordeeld, de derde geldstroom was minimaal en er was geen verbinding met de andere faculteiten. Rechten was autistisch.”

Bij wie werd steun gezocht?
“Weet je wat het kost om een lab in te richten? Een vermogen. Dat konden wij niet betalen”, zegt Mols. Maar DSM had labs. De analyse-afdeling in Sittard-Geleen, DSM-Resolve, voerde al sporadisch werk voor de politie uit: materiaalonderzoek, vezels, chemische substanties, dat soort dingen. De samenwerking met het bedrijfsleven was bovendien een eis van de subsidiegevers: de Provincie Limburg, Den Haag en de Europese Unie. Mols had een concreet belang bij samenwerking, maar DSM-Resolve ook. De toenmalige directeur Bert Kip zocht in die periode nieuwe klanten: “We hadden als Resolve te lijden van een verminderde vraag vanuit DSM zelf en wilden graag voldoende kritische massa aan academici en laboranten aan het werk houden.”

DSM wilde ook graag een DNA-lab opzetten, maar dat hield de universiteit tegen: die had met onder anderen (destijds hoofddocent) Bert Smeets van genetica eigen onderzoekers in huis. En Smeets was enthousiast. Het DNA-lab zou ingebed worden in een wetenschappelijke omgeving, in het academisch ziekenhuis. Maar dat ging niet door. Het DNA-lab werd uiteindelijk ‘naast’ het ziekenhuis gebouwd, aan de Oxfordlaan. De facultaire en AZM-bestuurders stonden namelijk huiverig tegenover enige associatie met criminaliteit. Patiënten mochten eens denken dat hun medisch-genetische gegevens in forensisch DNA-onderzoek zouden worden gebruikt en dan bij de politie konden belanden; patiënten met iets op hun kerfstok zouden zich wellicht niet meer durven melden voor medisch onderzoek. Kortom, men wilde er niet aan, “terwijl die zaken heel goed gescheiden kunnen worden”, zegt Smeets. “Bij het Leidse UMC doen ze dat al jaren.” 

Wie deed er mee? Wie niet?                                                                 
Vanaf het prille begin was de respons vanuit de nieuwe fusiefaculteit Health, Medicine and Life sciences lauw. Ja, Bert Smeets van klinische genetica wilde meedoen. Maar toen het DNA-lab buiten de faculteit geplaatst zou worden gaf hij het stokje door aan zijn medewerker Jos Herbergs, die het lab tot een succes zou weten uit te bouwen. Smeets bleef uiteindelijk liever in de ‘academie’.
Als er al sprake was van enthousiasme ging het om individuen. Vakgroepen en bestuurders roerden zich niet. Of hielden bewust de boot af. “De aansluiting bij het TMFI paste niet in de zwaartepunten van de faculteit. Er was ook geen leerstoel voor forensische geneeskunde, een van de randvoorwaarden voor participatie”, zegt Martin Paul, destijds decaan van de FHML. Bovendien was er volgens hem nog een andere hobbel, namelijk het feit dat de klinisch pathologen en radiologen in dienst waren van het ziekenhuis, “en aan de infrastructuur en financiering daar gebonden”.

En dat was ook een van de redenen dat de forensisch radiologen, die al sinds 2009 aan de weg timmeren en nauw verbonden zijn met de afdeling radiologie in het ziekenhuis, zich niet aansloten bij het TMFI. Zeker sinds hun inzet na de MH17-ramp in 2014 heeft de unit forensische radiologie een reputatie verworven. Ook het lichaam van de vermoorde oud-minister Els Borst kwam voor onderzoek bij deze groep terecht. Met een buitenscanlocatie in Amersfoort werken ze inmiddels voor politie-eenheden in het hele land. Ze maken scans van slachtoffers van (vermeende) misdrijven. Die leveren driedimensionale röntgenfoto’s op waarop alles in en op het lichaam te zien is.
Behalve dat het juridisch erg lastig was om TMFI-partner te worden – “dat hebben we wel uitgezocht”, zegt consulent Ingrid Haest –, hadden ze die behoefte niet. “We zaten sinds het begin in een projectgroep met het openbaar ministerie, de politie en de GGD. Zij waren voor ons de meest relevante partners.” Bovendien: met het TMFI zou er weer een instantie bij komen met regels waaraan ze zich moesten houden. Desondanks had Mols ze graag erbij gehad. Uiteindelijk is er alleen op wetenschappelijk gebied samengewerkt.

Toch wilde het TMFI een breed pakket aan ‘forensisch medische’ diensten kunnen aanbieden, waaronder autopsies. Als dat niet in huis kon, dan maar deskundigen van buiten ingehuurd, zoals forensisch patholoog Frank van de Goot die in Utrecht en Leiden werkte. Het betekende wel een gesleep met lijken door het land.
Of die constructie met freelancers nu zo goed was? Van Koppen noemt het “de dood in de pot. De wetenschappelijke basis had aan de universiteit zelf moeten zitten.”
Ook vanuit andere faculteiten was er weinig animo, zoals economie en algemene wetenschappen. Zelfs rechten, waar Mols toch zijn thuisbasis had in de vakgroep strafrecht, “wilde helemaal niets”, zegt Harry Fekkers. “Heringa [decaan van 2003 tot 2011] heeft er nooit aan getrokken. Het idee is de faculteit door de strot geduwd.” Voor die terughoudendheid was, zo meldt Aalt Willem Heringa, ook wel enige reden. De faculteit moest bezuinigen en het forensische project vergde uiteindelijk investeringen die haar draagkracht te boven ging, zegt hij. “En de afspraak was dat we zouden aanbieden wat we in huis hadden.” Vooral rechtspsychologie dus. De psychologiefaculteit had ook al iets in huis: forensische psychologie. “Ik zag wel het nut van een forensisch instituut”, zegt prof. Corine de Ruiter. “Ik vond het wetenschappelijk ook interessant.”

In 2009 leek het er zelfs even op dat de psychologen bij elkaar zouden komen in één pand: Sint Servaasklooster 32, een rijksmonument, om de hoek bij rechten. De forensisch psychologen zouden er de Maas voor over moeten, maar die hobbel wilden ze graag nemen. Helaas, er kwam niets van. Er zouden psychologielabs moeten worden gebouwd in de kelder. Te duur. Die bleven dus in Randwijck. Maar dan zouden medewerkers telkens heen en weer moeten: te veel gedoe.

DSM, een eigen BV: moest dat nou?
“Als de rechtspsychologen rapporteren in een strafzaak en ze maken een fout, of als er iets mis is gegaan in het DNA-lab en er komt een verkeerde dader uit, kan je aansprakelijk gesteld worden. Dat kan tonnen kosten, miljoenen misschien, dat kan een vakgroep nooit opbrengen. Een BV is daarvoor verzekerd.” Dat was, zegt Gerard Mols, de reden dat er samen met DSM voor de oprichting van een besloten vennootschap is gekozen. Die BV kwam centraal te staan, daar ging het geld verdiend worden met ‘zaaksonderzoek’: contractwerk voor derde partijen, OM, politie, advocatuur of anderen, verzekeraars bijvoorbeeld. De verdiensten zouden weer worden teruggepompt in onderzoek en onderwijs. Want de subsidies van Limburg, Europa en Den Haag (‘Pieken in de Delta’) waren niet voor eeuwig.
Iemand als Peter van Koppen had echter stevige bedenkingen bij de link met DSM en de samenwerking in een BV. Hij heeft nog steeds spijt als haren op zijn hoofd dat hij toch akkoord ging: “Het was de grootste fout om DSM erbij te halen en samen die BV op te richten. We ‘gingen de markt op’ en zo, maar DSM had geen flauw idee van forensisch werk en stelde wel een directeur aan voor tweeëneenhalve ton per jaar. Dat moest dan opgebracht worden door een beginnend instituutje.”
Steen des aanstoots was de verdeling van de opbrengsten. Die zou een steeds grotere splijtzwam worden. De aandelen waren fifty-fifty verdeeld, en dat gebeurde dus ook met de inkomsten. Hoewel die voor zeker 80 procent door de UM werden verdiend, met rapportages van bijvoorbeeld de rechtspsychologen of de spraakdeskundigen en in toenemende mate het DNA-lab.

Bert Kip, oud-bestuurder van TMFI namens DSM Resolve: “Aan de UM-kant vonden ze dat heel onrechtvaardig. Daar dachten ze: 80 procent omzet, dan ook 80 procent winst. Maar dat is onlogisch. Je bent 50-50 eigenaar, dan doet het er niet toe wáár je winst maakt.”
Kip constateerde een groeiend wantrouwen bij de universiteit (“bij academici heerst een soort basisgevoel dat het bedrijfsleven winst maakt over hun rug”), maar had zelf ook zijn twijfels over het gebrek aan zakelijkheid aan UM-kant. Daar konden de dingen “wel eens even duren”, constateert ook Fekkers: “Dan hadden ze weer een adv-dag, of iets anders was belangrijker.”

Boterde het een beetje tussen de kopstukken van het TMFI?
“Als de een wat zei, zat de ander op zijn telefoon te kijken. En omgekeerd.” Aldus een beleidsmedewerker die een vergadering met de twee toenmalige directeuren meemaakte, Ton Broeders en Nico Jansen.
Broeders was naar Maastricht gehaald als wereldvermaard forensisch spraakdeskundige, voormalig chief scientist bij het NFI. Een grote vis, die nu wetenschappelijk directeur werd. Maar het huwelijk tussen Broeders en de eerste zakelijk directeur namens DSM, Nico Jansen, was niet bepaald gelukkig. Hier botsten twee werelden. Broeders die zichzelf met een knipoog “misvormd door mijn academische achtergrond” noemt, tegenover een puur zakelijk ingestelde Jansen die gelikte presentaties hield voor een publiek dat daar weinig affiniteit mee had. Broeders hoorde “veel managementjargon, grote lege woorden waar dynamiek uit moet blijken. Het was ook me niet duidelijk wat Jansen eigenlijk deed.”

Na een jaar werd Jansen vervangen door Bert Kip, met wie de verstandhouding veel beter was maar die - ook hij - niet ondersteboven was van Broeders’ managementkwaliteiten. Want dat is een constante bij alle zegslieden: Broeders was wetenschapper, geen manager, en zeker geen commercieel denker. Sterker, Broeders geeft het zelf volmondig toe: van geld heeft hij geen kaas gegeten. Terwijl dat wel nodig was. Vandaar, zegt Corine de Ruiter, dat de latere directeur Sebastiaan Huntjens in het gat sprong en zelfstandig de boer op ging. Dat bleek vervolgens eveneens een bron van conflicten.
Om te beginnen tussen Huntjens en Broeders. Die laatste: “Ik had soms ruzie met Sebastiaan. Hij vertelde me niet alles, wist dingen die ik niet wist. Van beide kanten was er ontwijkgedrag.”
En in de stem van Peter van Koppen klinkt nog steeds de verontwaardiging over diezelfde Huntjens door. Hij heeft het consequent over “die jongen”, die “meer in de weg liep dan iets nuttigs deed”. Het toppunt was wel dat Huntjens zich in de media presenteerde als TMFI-kopstuk, ook een keer zelfs met een witte jas aan. Dat ging van Koppen helemaal te ver. Want Huntjens was geen hoogleraar, niet eens wetenschapper.

“Niet handig, dat optreden”, vindt ook Mols, maar verder neemt hij (en ook Harry Fekkers) het voor Huntjens op. Hard gewerkt, niets verkeerd gedaan, luidt het oordeel. Mols: “Hij moest de BV runnen, er moest geld worden verdiend, hij moest verantwoording afleggen bij de holding, zorgen dat de tent gecertificeerd en geaccrediteerd was, dat er kluisjes waren voor opslag en munitie, dat mensen geen usb-sticks in de trein achterlieten, van alles. Dat deed hij goed.”
Het gedrag van Peter van Koppen daarentegen beviel Mols minder. “We hadden met DSM de afspraak dat al het forensisch onderzoek via TMFI zou lopen. Dan moet je dus niet thuis rapportjes gaan schrijven en die onder eigen naam insturen, zoals hij deed, Ik moest dat gaan uitleggen bij DSM. Het ergerde me, dit was een bijl aan de wortel van het instituut.” Van Koppen: “Ik wilde geen doorgeefluik worden van rapporten die vanuit een kantoortje in Randwijck naar opdrachtgevers werden gestuurd. Er is geen instituut verantwoordelijk voor mijn werk, ik heb altijd geweigerd om het briefpapier van TMFI te gebruiken. Ik ben verantwoordelijk voor mijn eigen rapporten.”

Harald Merckelbach vindt het vooral jammer: “Van Koppen had een goed uithangbord kunnen zijn voor het TMFI. Dat wilde hij niet. Hij is eigenwijs, een goede eigenschap voor een wetenschapper, maar, hoe zal ik het zeggen: hij laat zich bestuurlijk slecht dresseren.”
Merckelbach zag de conflicten met lede ogen aan: “Ik werd getrakteerd op al die verhalen. Heel vervelend.”
Want ook tussen Van Koppen en Corine de Ruiter boterde het niet. “Van Koppen is alleen geïnteresseerd in Van Koppen”, zegt ze sarcastisch. Toen de opvolging van Broeders als wetenschappelijk directeur aan de orde was, viel de naam van De Ruiter. Die had daar wel oren naar. “Via via hoorde ik dat Van Koppen er tegen was. ‘Die is veel te irritant’ zou hij gezegd hebben. Dus het gebeurde niet.”
Klinisch geneticus Bert Smeets, betrokken bij het allereerste begin van het instituut, constateert mismoedig dat “er meer prima donna’s zijn binnengehaald dan bouwers. Mensen kwamen niet om te bouwen, maar om in te koppen.”

Hield het partnerschap UM-DSM stand?
“Ik kreeg na verloop van tijd steeds meer gezeik met mijn wetenschappers”, verzucht Gerard Mols. Dat ging dan over het geld dat de UM verdiende en daarna deels naar DSM vloeide. Onder hen ook Ton Broeders, die zich al in het begin had afgevraagd “waarom er een héle Nico Jansen” als zakelijk directeur vanuit DSM nodig was. Sommige onderzoekers verlangden terug naar de tijd dat ze het geld dat ze met deskundigenrapportages verdienden, integraal in het eigen vakgroepspotje konden storten. Forensisch psycholoog Marko Jelicic bijvoorbeeld merkte “dat ineens dat rare instituut er tussen zat, en dat een percentage werd afgeroomd. Meer opdrachten heeft het me niet opgeleverd.”
Mols wilde daarom op termijn van DSM Resolve af. En eigenlijk wilde DSM dat zelf ook. Veel werk kregen ze niet binnen en met de UM liep het moeizaam. In 2013 stapte het bedrijf eruit. Een vechtscheiding was het dus niet geworden, integendeel. Beide partijen was er veel aan gelegen de relatie goed te houden. Maar het proces was precair, “de relatie met DSM was heilig”, zegt Ton Broeders. In diezelfde periode tekende zich namelijk een veel groter project af: de samenwerking van UM en DSM op de Chemelot campus, later onderdeel van de zogenoemde Kennis-As die met miljoenen provinciaal geld in het leven is geroepen.

Kip (DSM) concludeert achteraf dat de cultuurverschillen groot waren. “Industrie en universiteit, dat waren twee totaal verschillende werelden. Daar had ik als directeur veel meer aandacht aan moeten besteden. Ik heb dat onderschat.” Niettemin is er veel van geleerd, zegt hij. “Dit was een van de eerste publiek-private samenwerkingen. Toen we later samen met de UM op de Brightlands Chemelot campus begonnen, hebben we veel betere afspraken gemaakt.”

Was er politieke steun vanuit Den Haag? 
Ja, na een paar geruchtmakende gerechtelijke dwalingen aan het begin van deze eeuw zeker wel. De Schiedammer Parkmoord, Lucia de B. of de Deventer moordzaak, in al die gevallen had het Nederlands Forensisch Instituut (al dan niet vermeend) steken laten vallen. Terwijl datzelfde NFI wel de centrale speler was in de Nederlandse forensische wereld. Het NFI is (met tegenwoordig bijna 600 medewerkers), preferred supplier; daar kunnen politie en openbaar ministerie ‘kosteloos’ terecht voor onderzoek in een strafzaak. Het ministerie betaalt. Voor al het andere forensisch onderzoek, bij andere instanties, moeten ze in de eigen buidel tasten.

Dat het NFI onder vuur kwam te liggen maakte de geesten rijp, ook in politiek Den Haag, om diens monopolie op zijn minst een beetje open te breken en ruimte te bieden aan andere forensische instituten of bedrijven. Op die golf surften de kartrekkers van het TMFI mee. “We dachten dat we op weg waren naar liberalisering van de markt”, zegt Bert Kip, zeker toen minister van Justitie Hirsch Ballin in 2008 besloot om bij wijze van proef voor twee jaar 3,5 miljoen ter beschikking te stellen voor forensisch onderzoek buiten het NFI om. Op, let wel, een NFI-begroting van zo’n zeventig miljoen.
Maar helaas, de krachten die het NFI de hand boven het hoofd wilden houden, bleken sterker. Juist ook binnen het openbaar ministerie. Zo sprak DNA-expert Jos Herbergs eens samen met TMFI-directeur Ton Broeders een gezelschap officieren van justitie toe: “Er was ronduit sprake van een vijandige houding. Ze vroegen zich af waarom er überhaupt een andere partij moest komen. Zo van: ‘Het NFI doet het toch prima?’”

Broeders schetst een ander mechanisme dat de geestdrift bij het OM er niet groter op maakte: “Als je als politie of justitie in zee gaat met het NFI en het gaat fout, dan geef je het NFI de schuld. Als je in zee gaat met alternatieve forensische labs en het gaat fout, dan zeggen ze: waarom ben je zo stom geweest om met die lui in zee te gaan?”
Het eind van het liberaliseringsliedje klonk in 2013, toen een speciale commissie onder leiding van oud-minister Winsemius concludeerde dat forensisch werk vanwege het vertrouwelijke karakter en het veiligheidsaspect toch het allerbeste structureel bij het NFI ondergebracht kon worden. Alleen voor het opvangen van piekbelasting, iets wat later bijvoorbeeld na de MH17-aanslag nodig was, zou er budget moeten komen. Dat werd twee miljoen per jaar.
En dat, zo concludeerde de toenmalige zakelijk manager van het TMFI Sebastiaan Huntjens, was te weinig om te kunnen overleven.

If you can’t beat them, join them. Toch?
Oud-bestuurder Bert Kip van DSM had het verstandig gevonden om dichter tegen het NFI aan te schurken. “Als de markt niet meezit, kun je beter gaan samenwerken.” Maar dat bleek snel een brug te ver. Het NFI beschouwde Maastricht in de eerste jaren als een onwelkome concurrent. Terwijl de Maastrichtenaren realistisch genoeg waren om niet veel meer dan het kleinere broertje te willen zijn.
De animositeit werd echter vanuit Limburg stevig aangewakkerd door de regelmatige publieke optredens van Ton Broeders en Peter van Koppen, waarbij ze het NFI allesbehalve spaarden. Kip vond dat uit commercieel oogpunt niet verstandig, sprak de heren erop aan maar vond geen enkel gehoor. Een laconieke Broeders nu: “O ja, sprak Kip mij daarop aan? Dat heeft dan geen grote indruk op me gemaakt.”

Dat het onhandig was om het NFI tegen het hoofd te stoten, merkte ook DNA-deskundige Jos Herbergs. “Als ik naar de DNA-databank ging in Den Haag, die open is voor iedere deskundige, kon ik maar beter binnen de muren van die afdeling blijven en niet een andere gang inslaan. Ze zagen mij als concurrent. Vervelend, want wij hadden het NFI nodig vanwege hun kennis over forensisch DNA-onderzoek.”
Deels werd de vijandige houding van het NFI gevoed door angst. In Engeland was een groot nationaal forensisch overheidsinstituut failliet gegaan toen daar de markt open werd gegooid en kleine private partijen diensten konden gaan aanbieden.
Intussen is de samenwerking met het NFI, zoveel jaar later, veel beter. Herbergs hielp ze vorig jaar uit de brand toen men het werk er weer eens niet aankon. Twee dagen per week. “Ik heb veel geleerd van de uitwisseling van kennis met andere forensisch DNA-deskundigen.”

Hoe kijken ze terug?
Voor Peter van Koppen ontviel al vrij snel de basis aan het hele project toen er geen eigen pand kwam en de verhuizing van de psychologen naar Sint Servaasklooster 32 niet doorging. “Een instituut hoort in één gebouw. Anders kun je niet groeien.” Deels legt hij de schuld bij het college van bestuur: “Dat trok er niet aan. Je moet investeren in zoiets, de kost gaat voor de baat uit.” Harry Fekkers beaamt dat laatste volmondig. Maar het gebeurde niet. “Het was een goed idee, maar er was geen draagvlak, er waren geen kampioenen. Dan is het doodgeboren. Binnen de UM is niemand opgestaan die het wilde trekken. Ze hebben het verprutst.”
Ton Broeders erkent dat het beter had gekund: “Het wetenschappelijk onderzoek kwam niet van de grond en uiteindelijk was er ook te weinig zaaksonderzoek. In die zin is het mislukt.”
Harald Merckelbach verzet zich tegen het beeld dat het ‘oude’ TMFI niet deugde. “In de begintijd liep het heel goed, we waren een gangmaker voor wetenschappelijk forensisch onderzoek. Er zijn goede rapportages geschreven, we hebben een aantal grote conferenties georganiseerd met honderden mensen. Maar toen de gelden weer wegvielen omdat de politiek gehoor gaf aan de lobby van het NFI, werd het minder. Alleen het DNA-lab is in al die jaren steeds beter gaan draaien.”

En nu? Wordt het ooit nog wat met het TMFI?
“Het academische aspect van het instituut is onderbelicht gebleven, maar ik denk dat we met een forensisch patholoog [Bela Kubat, red.] en een forensisch arts en jurist [Wilma Duijst, red.] zeker moeten proberen om dit weer van de grond te krijgen. Ik heb zelf ook de behoefte om meer onderzoek te doen", zegt Jos Herbergs, de huidige (mede)directeur van TMFI en DNA-deskundige. Zijn collega Maurice Swaen denkt dat juist de link met de UM goed is voor de status van het TMFI.
Maar of het ooit zo groot wordt als in de eerste plannen? Dat staat te bezien. Wie in elk geval nieuwe kansen ziet en daadwerkelijk stappen onderneemt, is Maurice Zeegers, epidemioloog en wetenschappelijk directeur van onderzoeksschool Caphri. Hij spant zich in voor een nauwere samenwerking tussen forensische wetenschappers aan de UM. Oriënterende gesprekken met collega’s van rechten, psychologie en FHML zijn al gevoerd en een eerste notitie ligt klaar. “Mensen moeten hun kennis kunnen delen. We hopen uiteindelijk in de rechtbanken op meer evidence based legal decision making.” Dus toch nieuw leven voor het bestaande TMFI? Nee, aansluiting daarbij is niet aan de orde: “Meer ballast dan nodig is.”

Harald Merckelbach en Corine de Ruiter zien ook nog steeds kansen. “De rol van de getuigedeskundige is in toenemende mate belangrijk, in zowel straf-als civiel recht", zegt Merckelbach. "En ik vind dat die deskundigen hun wortels moeten hebben in de universiteit.” Wat we anders moeten doen dan tien jaar geleden? Niet denken vanuit de markt, aan wat zich aandient. Laat wetenschappers de motor zijn en maak van het commerciële deel een afgeleide.”
De Ruiter vindt samenwerking tussen verschillende disciplines “heel belangrijk omdat forensisch psychologen en rechtspsychologen kennis kunnen delen die ook goed is voor DNA-mensen en radiologen en vice versa. Het is jammer dat het TMFI als multidisciplinair wetenschappelijk instituut nooit van de grond is gekomen. En op een gegeven moment was het momentum weg. Maar ik denk dat er nog steeds kansen zijn voor wetenschappelijk onderzoek, er is subsidie in Europa. Hoe mooi is het als je als deskundigen elkaar scherp kunt houden in één zaak”.

Wammes Bos, Wendy Degens

Wat gebeurt er nu aan de UM aan forensisch onderzoek, onderwijs en dienstverlening?

  • Psychologie en neurowetenschap: sectie forensische psychologie met o.a. Harald Merckelbach, Marko Jelicic, Corine de Ruiter en Henry Otgaar. Sommigen schrijven nog op onregelmatige basis rapporten voor het TMFI. Er loopt een selectieve, tweejarige Engelstalige master Forensic Psychology en een master Legal Psychology.

  • Rechtsgeleerdheid: Wilma Duijst is benoemd tot hoogleraar forensische geneeskunde en gezondheidsstrafrecht. Ze werkt deels voor rechten en deels voor FHML. Haar leerstoel wordt betaald door het NFI en de GGD-en in Nederland. Dave Mattheijs, forensisch officier van justitie, werkt er één dag in de week (gedetacheerd). Rechtspsycholoog Robert Horselenberg geeft onderwijs, begeleidt promovendi en schrijft rapporten (getuigenverhoren, verklaringen van kinderen en verdachtenverhoren) voor het TMFI. Vanuit de SBE geeft prof. Roger Meuwissen het blok forensische accountancy in de Nederlandse en Engelstalige master forensica, criminologie en rechtspleging. Verder is er een interfacultaire minor human and legal decision making. Marko Jelicic is aangesteld als bijzonder hoogleraar Neuropsychology and Law.

  • MUMC+: unit forensische radiologie met Paul Hofman als hoogleraar forensische radiologie, hoogleraar forensische pathologie Bela Kubat (NFI wetenschapper)

 

Hoe ziet de forensische markt er nu uit?
Sinds 1 januari 2017 is er een zogenoemde One Stop Shop ondergebracht bij het Nederlands Forensisch Instituut, dat fungeert als doorgeefluik. Aanvragen komen daar binnen, waarbij politie en het openbaar ministerie te kennen geven of het onderzoek binnen het NFI moet worden uitgevoerd of bij een van de particuliere partijen; omdat deze bijvoorbeeld expert zijn op een bepaald gebied of omdat er haast bij is. De overheid betitelt de One Stop Shop als onafhankelijk, maar daar zijn TMFI-betrokkenen kritisch over. Volgens voormalig wetenschappelijk directeur Ton Broeders is het NFI “gewoon de makelaar” geworden.

Verantwoording

Waarom op dit moment een groot artikel over het TMFI? Het is ontstaan uit nieuwsgierigheid. Want elke keer dat het Nederlands Forensisch Instituut weer eens negatief in het nieuws is, komt de vraag op: wij hadden hier in Maastricht toch ook iets? Iets wat het tweede forensisch instituut van ons land moest worden? Waarom horen we daar nooit meer iets van?
Dit verhaal is vooral tot stand gekomen dankzij uitgebreide interviews met twintig betrokkenen, van bestuurders tot onderzoekers. Helaas – herhaalde verzoeken ten spijt – heeft Observant nauwelijks documenten ontvangen uit het archief van de UM. Slechts een paar (ook toen al openbare) stukken die in de loop der tijd bij de universiteitsraad zijn beland, werden vrijgegeven. Daaronder twee subsidieaanvragen aan de Provincie Limburg uit 2006 en 2007. Gelukkig kwam uit andere bron wel een aantal van de gezochte belangrijke documenten beschikbaar.

Categories:Categorieën:
Tags:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)

CAPTCHA Afbeelding
Enter the code shown above: