Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

“In het weekend stopten ze dat varken in de badkuip"

“In het weekend stopten ze dat varken in de badkuip"

Photographer:Fotograaf: Observant

Rondetafelgesprek met UM-onderzoekers en burgers

Wat doen de wetenschappers van de Universiteit Maastricht voor de stad? Eh, de wetenschap? De burgers die zijn aangeschoven bij het rondetafelgesprek met onderzoekers, vorige week donderdag op de redactie van Observant, hebben er weinig zicht op. Voor hen staat de UM gelijk aan studenten, overlast, een bloeiende horeca en werkgelegenheid. Maar ze zijn het erover eens dat beide werelden meer tot elkaar moeten komen. “Je moet je niet ingraven in schuttersputjes."

LONGREAD.

We beginnen met een open vraag aan de Maastrichtenaren: wat merken ze van de universiteit, wat vinden ze ervan?
Dat blijkt niet allemaal hosanna te zijn. De universiteit? Dat is dus: studenten, en dat is dus: overlast. Het thema zal het eerste half uur in vele gedaanten terugkomen. Zo woont Michiel Romme tegenover Circumflex in de Capucijnenstraat. Daarmee kan hij het wel vinden: “Zeker het huidige bestuur houdt rekening met de omgeving, en zo’n vereniging kun je erop aanspreken, dat werkt prima. Maar alles wat niet georganiseerd is, zoals de buitenlanders, dat leidt een zwervend bestaan. Laatst stond er weer om twee uur ’s nachts zo’n groep van veertig man voor mijn raam. De ergsten? Spanjaarden, Duitsers, Engelsen en Amerikanen, die maken het meeste lawaai. Als je de politie belt zeggen die eerst dat het hier de openbare weg betreft, en als ze dan eindelijk komen is die groep al weer weg. De mensen van Handhaving die de studentenoverlast moeten beperken? Die patrouilleren maar twee avonden in de week, dat is veel te weinig.”
Romme is niet het type dat lijdzaam zijn lot ondergaat. “Afgelopen zomer ben ik nog opgepakt voor een geweldsdelict, haha. En ik heb een keer met fietsen gegooid. Die stonden verkeerd geparkeerd, ik heb ze aan de overkant neergegooid.”
Bep Franssen: “En dat mocht niet.”
Romme: “Nee, een beveiliger wilde me tot de orde roepen maar een bestuurslid van Circumflex zei tegen die man: ‘Nee, niet slaan, hij is onze overbuurman’.”

Varken in de badkuip
Bep Franssen maakt het in haar buurt, Sint Maartenspoort, ook mee: losse studenten die herrie  maken, terwijl daarentegen een studentenvereniging (Koko), met een groot pand aan de Botermijn, verantwoordelijk en sociaal opereert. “Met Koko hebben we afspraken gemaakt, als er een feest is zetten ze mensen buiten neer die opletten dat er geen herrie is en dat er niks kapot wordt gemaakt, dat gaat heel goed. Ze doen ook met alles mee in de buurt, dat is heel leuk, Bob, zeg jij eens wat, hoe heet dat, de buurtvereniging?”
Opbouwwerker Bob van Bergen is speciaal meegekomen om als extern geheugen voor de 83-jarige Franssen te fungeren: “Koko zit standaard bij het buurtoverleg, het buurtnetwerk. Dat werkt, zo krijg je een band met elkaar.”

Maar die band is er dus niet of veel minder met de studenten die alleen maar in de buurt wonen. Dat feest en maakt herrie, ’s zomers ook nog eens in de tuinen en op de balkons. Franssen: “Er wonen héél veel studenten in de wijk. Ze gooien soms ook rotzooi naar buiten, dan ben je blij dat je onder een raam uit bent, anders krijg je een vuilniszak op je hersens.”
Romme heeft soortgelijke verhalen, over “studenten die in brievenbussen pissen, over autodaken lopen, spiegels eraf slaan. Er was hier zelfs een studentenhuis waar ze een varken hielden. In het weekend stopten ze dat in de badkuip.”
Maar, zegt hij, en Bep Franssen beaamt het, “je moet blijven praten. Veel is op te lossen. Communicatie helpt. Doe dat ‘aan de voorkant’. Laat de universiteit en de gemeente aan de nieuwe studenten vertellen dat dit een leuke stad is, dat er mensen wonen en werken. Dus: wees welkom in Maastricht en stel je op als een bewoner, niet als een passant.”

Criminoloog prof. Hans Nelen: “Het probleem is, studenten blijven niet lang, dus dan bouw je er ook geen band mee op. We weten uit onderzoek dat stabielere wijken met een goeie mix, dus met ook mensen die er langdurig wonen, prettiger zijn, dat bewoners zich daar senang voelen. Daarom is het zo goed als bewoners en studenten samen komen, zoals met Koko, dat maakt zo’n buurt krachtig.”
Paul Berben begrijpt wel dat er gedoe met studenten is: “Het is een jonge doelgroep, dus dat is wel logisch.”

Plopsaland
Genoeg over de studentenoverlast. “De universiteit heeft voor- en nadelen”, vindt Berben, en een ander nadeel is toch echt de huisvesting: “Alles is voor de studenten, voor onze eigen jongeren is het moeilijk om iets gehuurd te krijgen. Dat willen huisbazen alleen voor studenten houden.”
Daar staan dus voordelen tegenover: “Voor de horeca is het heel goed dat de universiteit er is, voor de broodjeszaken, de cafés, ook de winkels. Dat geeft werkgelegenheid. En ook goed is dat veel monumentale panden in gebruik zijn genomen en daardoor in goede staat zijn.”

In goede staat, maar voor de historisch geïnteresseerde Berben niet altijd verantwoord verbouwd. “Neem nou hoe dat gaat met zo’n Tapijnkazerne. Die wordt teruggegeven aan de stad maar die wethouder heeft diezelfde dag de kazerne nog doorverkocht aan de universiteit. Dat is geritsel, handjeklap. En nu zijn er veel te veel aanpassingen, dat plan voor een gat in de stadsmuur, daar hebben we actie tegen gevoerd, ik kon die architect wel vreten, gelukkig ging dat niet door. Als je ziet wat er gebeurd is op zo’n historisch terrein: helemaal verbouwd, gebouwen plat, loodsen plat, bomen gerooid, park aangetast, er komen glazen gangsystemen, dan denk ik: jullie maken er Plopsaland van! Je hebt geen respect voor het laatste stukje. De hele officiersmess is naar de klitsen. Als ik dat zie, dat gaat mij aan mijn mieter.”

Bep Franssen: “Is dat huuske met die verklede soldaten er nog?”
Berben: “Nee, is ook weg. Het karakter is verkracht, als ik het zo mag zeggen.”
Het wordt prof. Bart Verspagen te gortig. “De Tapijn was afgesloten, een vesting, nu is het open, het park is open. En het was in slechte staat. Het wordt nu ontwikkeld, het wordt een stuk van de stad, dat was het voorheen niet.” Maar Berben houdt vol dat de gemeente beter met een andere partner dan de universiteit in zee had kunnen gaan: “Als ‘stad’ heb je er niet veel meer te zoeken, het lijkt er meer op dat het park bij het project wordt getrokken, en dan komt er ook nog zo’n hypermodern gebouw.”
Michiel Romme relativeert: “Een stad heeft een eigen dynamiek, dingen verdwijnen en andere dingen komen er voor in de plaats. Voor de integratie van UM en stad is het wel belangrijk dat het niet een universitair bastion wordt. De universiteit en de stad moeten naar elkaar toegroeien, je moet je niet ingraven in schuttersputjes. Waar kun je elkaar vinden? Daar moet je naar zoeken.”

Pauperstad
Tijdens het voorstelrondje vertelde Paul Berben trots dat hij eigenaar is van “een van de grootste historische Maastricht-collecties”. Als medeoprichter van stichting De Sjovenis (‘Sjovenis tot in de kis!’) maakt hij zich hard voor een Maastricht-museum. “Het is van de gekke dat we dat nog niet hebben.” Wat hij zoal verzameld heeft? Een pakje shag van honderd jaar oud, uit de tabaksfabriek in de Wolfstraat, bijna vijfhonderd beelden van stadsfiguren, in zijn huis, “in de beeldenkamer, knatsj vol. Maar ik heb ook een opslag.” Verder heeft hij onder andere “drie- à vierduizend boeken over Maastricht, brouwerijverzamelingen, Maastrichtse munten en penningen”. Hij ruilt en koopt van verzamelaars en musea uit het hele land.

Romme tegen Berben: “Misschien kun je iets bijdragen aan de universiteit, een wisselcollectie. En daar kan cultuurwetenschappen vervolgens iets mee doen. Maastricht is lang een pauperstad geweest, maar heeft zich flink ontwikkeld. Wat zie je daarvan in jouw collectie terug? Wat levert dat aan onderzoeksmateriaal op? Allemaal interessante vragen.” Hans Nelen: “Misschien kunnen we die beelden een plaats bieden in de faculteitsgebouwen.”
Maria Jansen ziet hier een “win-win situatie, hoe hoger en lager opgeleiden vrijblijvend met elkaar in contact kunnen komen. Want er zijn veel verschillen, de ontmoeting is steeds minder spontaan. Dat leidt tot een kloof, tot segregatie. Je moet dus de kleefkracht in een buurt versterken. Wat dat is? De sociale cohesie, verbondenheid met een buurt.”

In menige wijk in Maastricht is de verbinding tussen straatgenoten ver te zoeken. Berben: “Hoger- en lager opgeleiden, die spreken een andere taal.” Hoewel die kloof niet onoverbrugbaar is. Berben: “Tijdens het A2-project is er een geniale zet gedaan. De A2 loopt langs een volkswijk, het Wittevrouwenveld. Die projectleiders wisten dat er gedoe zou komen, dus gingen ze vooraf in de buurt kijken wie het respect heeft van de bevolking, ook van de boefjes daar. Toen zijn ze uitgekomen bij een vriend van mij, Jean-Pierre Menten. Hij zat afgekeurd op de bank, een bokser, van top tot teen getatoeëerd. Die lui van de A2 zeiden: ‘Mijnheer Menten, we willen graag dat u gaat bemiddelen tussen het A2-project en het Wittevrouwenveld.’ ‘U bent gek’, was zijn eerste reactie. Maar hij kreeg een mooi salaris en ging uiteindelijk akkoord. De mensen uit het Wittevrouwenveld gaan niet de politie bellen of de projectleider aanspreken. Maar hem wel. Menten was de spil.”
Waarom, vraagt Berben zich af, dat model ook niet ingezet bij studenten en andere bewoners? “Zorg voor iemand die het respect van de studenten heeft. Dan werkt het.”

“Dit soort bruggenbouwers heb je nodig”, zegt Jansen. Mensen hebben veel meer met elkaar gemeen dan ze denken, reageert Berben die opnieuw “Menten, die jongen van het A2-project” aanhaalt. “Tijdens de opbouw van de antiquarische boeken- en prentenbeurs in Maastricht helpt hij zo’n antiquaar met zijn koffertje met oude prenten. Die twee trekken een paar dagen met elkaar op, leren elkaar beter kennen en vinden een gezamenlijke passie.”
Het heeft allemaal te maken met vooroordelen. Over de universiteit had Berben ook altijd zo z’n eigen ideeën. Nu zegt hij: “Je ervaringen kleuren je visie, maar ik probeer zo weinig mogelijk vooroordelen te hebben. En ik heb zeker interesse in wat er gebeurt. Als ik hoor wat meneer doet [hij wijst naar prof. Nelen], ja, super interessant.”

Bastion
Hebben de Maastrichtenaren enig idee waar de wetenschappers van de UM mee bezig zijn? Wat verwachten ze van hen? Voor velen is de UM “een gesloten bastion, een ivoren toren”, zegt Romme, “waar op hoog cerebraal niveau van alles gebeurt. Maar je ziet geen vertaalslag naar de praktijk op straat. Hoe vertaal je onderzoek naar oplossingen?”

Dat van die ivoren toren, daarin heeft Romme wel een beetje gelijk, vindt Nelen. “Maar de UM pusht het wel om de societal relevance in het oog te houden. Een duur woord: ik vind, je hebt betekenis voor de stad, je zit er middenin, je moet er wat voor doen. Maar een wetenschapper gaat niet op individuele zaken zitten, hoewel mensen dat snel denken als je een fenomeen bestudeert als drugs dealen of corruptie.”

Nelen kreeg naar aanleiding van zijn recente rapport Georganiseerde Criminaliteit en Integriteit van Rechtshandhavingsorganisaties naar corrupte dienders bij de politie, douane, Koninklijke Marechaussee en FIOD, allerlei telefoontjes, e-mails, handgeschreven brieven. “Maar ik ben geen hulpverlener. Ik ben wetenschapper. Je moet je rol verduidelijken en niet de illusie wekken dat je ze kunt helpen.”

Wat wetenschappers, in dit geval criminologen, wel doen: analyses maken, in kaart brengen hoe bijvoorbeeld de criminaliteits- of drugsproblematiek eruit ziet in een stad of regio. Zoals bij het project Frontière waar de gemeente Maastricht zes jaar geleden mee startte. Dit was opgezet om de drugsoverlast aan te pakken toen de coffeeshops geen buitenlandse klanten meer mochten toelaten. “We hebben de balans opgemaakt en onze bevindingen met de gemeente besproken. Maar we praten met de burgemeester, met de beleidsmensen. We zouden meer met de mensen in de wijken moeten praten. Het punt is, we denderen door, er moet een mooi artikel worden gepubliceerd in een wetenschappelijk tijdschrift.”

Rapporten in de la
Iets doen voor de stad, dat is makkelijk gezegd. Maar wat als jouw onderzoeksinstituut zich vooral richt op ontwikkelingslanden, zoals UNU-Merit van prof. Bart Verspagen? Dan is de directe societal relevance voor de stad of de regio stukken minder. Of dat erg is? Zeker niet, vindt hij. Het is belangrijk dat de universiteit zich als geheel afvraagt wat ze kan betekenen voor de stad, maar niet ieder afzonderlijk deel hoeft dat te doen. Hij ziet wel parallellen: “We zitten met ons pand in het Boschstraatkwartier waar een geschiedenis heeft plaatsgevonden die we nu in het buitenland bestuderen, we kijken bijvoorbeeld naar de industriële ontwikkeling in Zuidoost-Azië.” Voor Maastricht zelf levert dat niet direct iets op, beseft hij. Verspagen is ook “een beetje sceptisch”, hij weet uit ervaring dat veel dikke onderzoeksrapporten in een stoffige lade in het stadhuis belanden. Voor hem is het belangrijker dat een universiteit voor werkgelegenheid zorgt, direct en indirect. Romme beaamt het volmondig: “Als er geen universiteit was, had ik geen droog brood te vreten.”

Maria Jansen, programmaleider van de Academische Werkplaats Publieke Gezondheid, zit juist heel dicht op haar onderwerp. “Het is een must dat ons onderzoek de regio dient”, zegt ze. Enkele masterstudenten krijgen het met de paplepel ingegoten; hun eindscriptie wordt gekoppeld aan een project van een Zuid-Limburgse gemeente. Een ‘Klein maar fijn’ project. Eenzaamheid in de stad is een voorbeeld dat Jansen noemt. “Zo’n student doet een literatuurstudie, kijkt naar de aanpak in landen waar eenzaamheid het grootste is, schrijft erover en koppelt dat terug naar de gemeente.” Toegegeven, de Engelstalige scriptie wordt vaak niet gelezen, dus komt er ook een publieksvriendelijke versie van een paar A4-tjes.

Die vertaling naar het publiek is belangrijk, vindt Jansen. Berben is het met haar eens. “Als het maar te snappen is. Jullie hebben allerlei rapporten die voor de gewone mens bijna niet te lezen zijn. Terwijl er heel veel uitkomsten zijn waar ik met mijn historisch onderzoek iets mee kan. Want ik ben niet de enige gek die bezig is met de specifieke historie van Maastricht.”

Je onderzoek ‘zichtbaarder’ maken voor de stad, Maria Jansen heeft er wel ideeën over. Kranten, tijdschriften, televisie, twitter, YouTube, alles helpt. Vanuit de Academische Werkplaats stuurt ze regelmatig een nieuwsbrief de deur uit met daarin de laatste stand van zaken. Alles gaat via de digitale weg. Dus dat komt niet bij iemand als Bep Franssen terecht; die heeft geen internet, “ik heb niet eens een computer”. Berben heeft er ook een hard hoofd in: “Mijn moeder zou nog wel iets kunnen vinden, maar als mijn vader op de aan-knop van de pc drukt, begint de douche te lopen.”

Tegen het einde wil Bart Verspagen nog wat kwijt. Hij is vol bewondering voor zijn bejaarde tafeldame Bep Franssen, hoe die met de studenten en de overlast in haar wijk omgaat. Altijd de dialoog aangaan, ze van tijd tot tijd zelfs van een pannetje soep voorzien, ze doet het allemaal. Verspagen: “Ik vind het ongelooflijk, ik zou zoveel geduld niet op kunnen brengen.”
Franssen: “O, echt? Nou, bedankt.”

Wammes Bos, Wendy Degens

Bep Franssen
Buurtbewoner, actief bij de Ouderenbond en buurtvereniging Us Sint Maartenspoort, vrijwilligster bij Mondriaan, geestelijke gezondheidszorg. In september 2015 kreeg ze een lintje – lid in de orde van Oranje-Nassau – omdat ze zich al jaren voor de buurt inzet.
Geboren in Maastricht, woont in Maastricht

Bob van Bergen
Welzijnswerker voor Trajekt in Maastricht en het Heuvelland. “Ik ben meegevraagd door Bep, dus eigenlijk geen gesprekspartner.”
Geboren in Maastricht, woont in Maastricht

Paul Berben
Buurtbewoner, “afgekeurd”, noemt zichzelf ‘stadsfiguur’. Groot verzamelaar van alles wat met Maastricht te maken heeft, “dat is nogal uit de klauwen gelopen”, medeoprichter van stichting ’t Ingelegilde “waar ik me heb ingezet voor het behoud van de Maastrichtse taal , cultuur, en historie. Dat liep niet meer en daarom is in 2011 stichting De Sjovenis opgezet.”  Fractie-ondersteuner en kandidaat-raadslid van Partij Veilig Maastricht.
Geboren in Maastricht, woont in Maastricht

Michiel Romme
Buurtbewoner, eigenaar ontwerpbureau, woont tegenover sociëteit Circumflex. Hij is “ooit van de kunstacademie geschopt”, en noemt zichzelf  “recalcitrant”.
Geboren in Sint-Michielsgestel, woont in Maastricht (sinds 1978 in Capucijnenstraat)

Hans Nelen
Hoogleraar criminologie aan de rechtenfaculteit (criminaliteit, veiligheid, corruptie, problematiek rond motorbendes).
Studeerde aan de Vrije Universiteit Amsterdam
Geboren in Breda, woont in Maastricht

Bart Verspagen
Hoogleraar internationale economie, directeur van UNU-MERIT, een onderzoeksinstituut van de UM en United Nations University.
Studeerde in Maastricht
Geboren in Weert, woont in Weert

Maria Jansen
Bijzonder hoogleraar populatiegericht gezondheidsbeleid, programmaleider van de Academische Werkplaats Publieke Gezondheid (samenwerking tussen 18 Zuid-Limburgse gemeenten, de GGD en de UM waarin maatschappelijk relevant en praktijkgericht onderzoek wordt gedaan).
Zij kreeg in januari 2017 de ‘Vrouw in de Media Award voor Limburg’.
Studeerde aan de Universiteit Wageningen.
Geboren in Druten, woont in Eijsden

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)

CAPTCHA Afbeelding
Enter the code shown above: