Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

Mythe: roofkunst: eens gestolen, altijd gestolen

Mythe: roofkunst: eens gestolen, altijd gestolen

Photographer:Fotograaf: Joey Roberts

Naar het rijk der fabelen

Jij neemt ongevraagd iets van mij af, dus nogal logisch dat ik het terug wil. Of het nu gaat om een sieraad, fiets, auto of pen. En zo is het ook met kunst. Zelfs als die tachtig jaar of misschien wel langer geleden is gestolen en ik – hoe minimaal ook – kan bewijzen dat het voorwerp van mij is.
Toch blijkt het niet zo zwart-wit, zegt Lars van Vliet, universitair docent aan de rechtenfaculteit en gespecialiseerd in roofkunst. Terwijl in Amerika een nieuwe wet bestaat die Holocaust-claims op grote schaal mogelijk maakt, hebben de meeste Europese rechtssystemen belangrijke uitzonderingen op het principe ‘eens gestolen, altijd gestolen’. In Nederland bijvoorbeeld gelden verjaringstermijnen die het voor erfgenamen van de oorspronkelijke eigenaar onmogelijk maken om in de oorlogsjaren geroofde kunst terug te krijgen.

Eerst het begrip roofkunst of, in het Engels, looted art. Waarom niet stolen art? “Looted is veel ruimer”, zegt Van Vliet. “Het ging niet alleen om diefstal. Er werd door de Duitse bezetter ook geconfisqueerd zonder redelijke vergoeding. Maar meestal werd de eigenaar gedwongen tot verkoop, vaak voor een appel en een ei, soms voor redelijke bedragen.”
Van de Amsterdamse kunsthandel Jacques Goudstikker kwamen in 1940 honderden schilderijen in handen van de Duitsers, vertelt Van Vliet. Snel na de Duitse inval in Nederland besloot Goudstikker het land te verlaten, samen met zijn vrouw en hun zoontje. Aan boord van het schip waarmee ze naar Engeland overstaken viel hij ’s nachts tijdens een wandeling in een ruim en overleed. Daarna verkocht de firma Goudstikker een groot deel van de kunstwerken onder dwang aan de Duitse rijksmaarschalk Hermann Göring die daarvoor een flink bedrag betaalde.

Na de Tweede Wereldoorlog probeerde de Nederlandse overheid zoveel mogelijk ‘Nederlandse’ kunstwerken terug te krijgen uit Duitsland. De schilderijen en andere voorwerpen die retour kwamen werden eerst automatisch eigendom van de staat. Daarna kregen de oorspronkelijke eigenaren de kans om deze voorwerpen terug te claimen. Van Vliet: “De Nederlandse overheid (de regering in Londen) maakte al tijdens de oorlog wetgeving voor slachtoffers van gedwongen transacties. Hen werd de mogelijkheid gegeven om deze transacties te laten terugdraaien en zo hun eigendommen terug te krijgen. Er kwam een aparte rechterlijke instantie en het zogeheten herstelrecht werd ingevoerd. In 1951 liep de deadline voor deze claims af, maar de speciale rechtbank bleef nog tot in de jaren zestig actief.”

Toch betekende het einde van het herstelrecht niet het einde van roofkunstclaims. Integendeel. Van Vliet is zelf als getuige-deskundige betrokken bij een rechtszaak tussen de erfgenamen van de firma Goudstikker en een Californisch museum dat twee zestiende-eeuwse schilderijen (die ooit in handen waren van Goudstikker) in de collectie heeft. In dit dossier heeft hij jarenlang, voor de gedaagde (het museum), “fascinerend maar tijdrovend” archiefonderzoek gedaan om te reconstrueren hoe het Nederlandse herstelrecht in elkaar stak en hoe het vanaf 1944 door de herstelrechter werd toegepast.

Van Vliet benadrukt: roofkunst is juridisch erg complex. “De dossiers zijn vreselijk ingewikkeld. Want hoe kom je erachter wat er toen is gebeurd? Het begint bijvoorbeeld al met het onderzoek naar de erfgenamen: je moet zorgen dat je alle testamenten en boedelscheidingen (bij echtscheiding) onder ogen krijgt waaruit blijkt dat de eiser ook werkelijk de erfgenaam is. Stapje voor stapje moet je alles reconstrueren. Verder moet je grondige kennis hebben van het recht dat tijdens de oorlog gold en het herstelrecht.”

Los van het feit dat het juridisch een flinke kluif is, vangen de meeste eisers in Europa bot vanwege verjaringstermijnen. Daarom lopen veel roofkunstprocedures juist in de Verenigde Staten. “Naar huidig Nederlands recht is de termijn twintig jaar, geteld vanaf de dag na de diefstal.” Voor verjaring valt veel te zeggen, meent Van Vliet. “Het moet één keer afgelopen zijn. Na lange tijd is rechtszekerheid belangrijk. Aan de andere kant wil je ook recht doen aan slachtoffers. Je zou erover kunnen denken om de verjaringstermijn pas te laten beginnen op het moment dat de eigenaar een kans heeft om terug te claimen, zoals in de Verenigde Staten. Voor hoe daar met Holocaust-claims wordt omgegaan heeft Van Vliet grote sympathie, maar het werpt wel de vraag op of datzelfde regime niet ook moet gelden voor kunst die geroofd is door andere regimes in andere tijden. En waar ligt dan de grens? Moet je een schilderij kunnen terugvragen dat in 1720 is gestolen? Het dilemma is dat voor beide standpunten goede argumenten bestaan.

Dit is een serie waarin wetenschappers misvattingen op hun vakgebied naar het rijk der fabelen verwijzen

Categories:Categorieën:
Tags:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)