Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

"Mijn echte naam is Warmold. Maar mijn broer Bert noemde me altijd Wammes naar de gans Wammes Waggel”

"Mijn echte naam is Warmold. Maar mijn broer Bert noemde me altijd Wammes naar de gans Wammes Waggel”

Photographer:Fotograaf: Loraine Bodewes

zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder

Wammes Bos (1952, Dordrecht)/ senior-redacteur bij Observant sinds 1986/ getrouwd met hoofdredacteur Riki Janssen; uit vorig huwelijk dochters Maaike en Geesje (tweeling, 41), drie kleinkinderen (Cato, Berend, Rick)/ woont in Haccourt, België

Ik heb hier geen zin in. Klopt! Elke keer als ik iemand voor deze rubriek interviewde, dacht ik: ‘Dit ga ik zelf nooit doen.’ Ik wil niet met de billen bloot gaan als ik hier nog jaren moet werken, wat hebben anderen daarmee te maken? Nu moet ik. Jullie hebben me gedwongen [glimlacht].

En je broer heet zeker Tom Poes naar de stripfiguren van Marten Toonder? Haha, nee, hij heet Bert, voluit Albert Everhard. Hij is drie jaar ouder. Bert hield wel van een beetje pesten, noemde me altijd Wammes naar de gans Wammes Waggel, een stripfiguur uit de verhalen van heer Bommel en Tom Poes. Andere kinderen uit de buurt – we woonden in zo’n typische naoorlogse buurt in Den Haag, een nieuw stuk van de Vogelwijk –  namen ’t over en in de loop der tijd vond ik het eigenlijk best wel grappig. Ik ging ‘m zelf ook gebruiken. Mijn echte naam is Warmold. Mijn ouders wilden me niet vernoemen naar wie dan ook. Volgens mij hebben ze een namenboek erbij gepakt. Vlakbij Warmold stond de naam Warmer; stel je voor dat ze die hadden gekozen!

Ik kom uit een journalistiek nest. Totaal niet. Mijn moeder heeft de HBS gedaan, maar stopte met haar werk als secretaresse toen ze trouwde. Mijn vader was econoom, had tijdens de oorlog in Rotterdam gestudeerd. Hij is opgeklommen tot directiesecretaris bij de toenmalige PTT. In zijn vrije tijd was hij belastingadviseur. Bert en ik zijn niet in zijn voetsporen getreden. Ik wilde wel studeren, maar twijfelde tussen geschiedenis, politicologie en journalistiek. Het is uiteindelijk politicologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam geworden. Het waren de jaren zestig! Op de middelbare school waren we veel met politiek bezig, de Vietnamoorlog, Provo, maar ook met filosofie en geschiedenis, we lazen mensen als Sartre en Van het Reve.
Bovendien adviseerde een journalist van het ANP, die ik toevallig kende omdat ik daar babysitte (vraag me niet hoe ik daarin verzeild raakte), me voor inhoud te kiezen, en dus niet voor de School voor Journalistiek.
Ik wilde naar Amsterdam, mijn vader vond dat maar niks, de stad van Provo’s en Damslapers. Studenten bezetten de boel keer op keer, omdat ze meer invloed wilden op de besluitvorming op universiteiten. Die nozems waren niet ‘zijn soort burgers’. Mijn vader was van de VVD, altijd keurig. Ik heb zo lang doorgedramd dat ik toch mocht gaan. De verhouding met mijn vader werd er niet veel beter op. Ook mijn broer lag regelmatig met hem in de clinch, maar die deed gewoon waar hij zin in had. Ik ging meer de confrontatie aan, was direct.

Doe mij maar een camper of caravan. No way. Ik vind het verschrikkelijke dingen, rijdende obstakels! Hangt er weer zo eentje voor je op de snelweg. Niet dat ik 160 rijd, maar ik wil wel door, gas geven. Wij huren altijd een huisje of nemen de tent en de fietsen mee. Ik vind het niet erg om op een matje onder een doek te liggen.

Taal is zeg maar echt mijn ding. Ik ben een ontzettende alfa, vrij goed in talen. Ik spreek redelijk goed Engels, Duits, Frans en een beetje Italiaans, als ik mijn best doe. Ik vind dat je, zeker als je schrijft, geen slecht Nederlands moet gebruiken. Dat ben je verplicht aan je lezer. Die moet je niet lastigvallen met taalfouten, krom en vaag taalgebruik waardoor je geen barst meer begrijpt van de inhoud. Iemand zei ooit: ‘Als je slordig schrijft, dan denk je ook slordig.’ Daar ben ik het mee eens.

Grootste fout van mijn leven. Ik vind het een nederlaag dat mijn eerste huwelijk op de klippen is gelopen. Op mijn 21e leerde ik mijn eerste vrouw kennen op een feestje van een gezamenlijke vriend in Amsterdam. We gingen samenwonen. Zij was vijf jaar ouder en rond haar dertigste aan kinderen toe. Die kwamen er in 1977. We waren niet getrouwd, dat was burgerlijk. Om aan militaire dienst (na mijn studie kwamen ze meteen weer achter me aan) te ontkomen, gingen we toch naar het stadhuis, op een maandagochtend, hand in hand met onze kinderen, mijn moeder en schoonmoeder erbij. Mijn vader niet. Die was inmiddels weg bij mijn moeder. Ze hadden geen goed huwelijk. Zolang ik me kan herinneren was het een ramp. Het werd almaar slechter en onaangenamer. Hij heeft ooit tegen iemand gezegd dat hij beter geen kinderen had kunnen hebben. Ik heb het idee dat Bert en ik hem hebben gegijzeld, fatsoenshalve ging je niet weg bij je gezin. Hij was streng en autoritair, we waren altijd een beetje bang voor hem, hoewel hij ook veel gevoel voor humor had en je best met hem kon lachen. Uiteindelijk zijn mijn ouders gescheiden en is hij hertrouwd.
Ik had me voorgenomen dat ik het anders wilde. Helaas, dat is niet gelukt. Niet dat mijn eerste huwelijk een ramp was, helemaal niet zelfs, maar het is in de loop der jaren niet goed gegaan. En zeker, daar heb ik ook een behoorlijke rol in gespeeld. We voelden ons niet veilig bij elkaar, zochten te vaak het conflict op. Meermalen hebben we het geprobeerd te lijmen, gelukkig maar, want ik vind dat men, zeker in deze tijd, veel te makkelijk uit elkaar gaat. Uiteindelijk zijn we gescheiden, in 1996 officieel, maar ik ben al in 1993 weggegaan.

Ik ben zeer complimenteus, altijd al geweest. Helemaal niet! Zo ben ik ook niet opgevoed. ‘Goed gedaan jongen’ of ‘ik houd van jou’: dat heb ik niet of nauwelijks gehoord. Mijn eerste neiging is zeggen dat iets niet goed is; haha, mijn kinderen verwijten het me nu nog. Vlak voor het overlijden van mijn moeder (ze was pas 64) vertelde ik haar dat ze een goede moeder was. ‘Ja ja’, antwoordde ze sceptisch. Ik had soms kritiek op haar gedurende haar leven, daar heb ik wel spijt van. ‘Ik heb mezelf opgevoed’, riep ik dan als kind. Zo’n typische puberuitspraak. Terwijl ze het al zwaar genoeg had.

Boek dat je iedereen aanraadt. Van boeken lezen komt het te weinig, hoewel ik er erg van houd. Ik lees wel de krant, koop iedere dag NRC Handelsblad bij De Tribune. Boeken die ik zou aanraden zijn bijvoorbeeld Agaat en Het achtste leven. In het laatste word je als lezer meegenomen naar een Georgische familie, deels in de Sovjettijd; de hele twintigste eeuw en een aantal generaties komen voorbij. Het is mooi hoe de schrijfster de maatschappelijke context vervlecht met levens van mensen. Hetzelfde doet Marlene van Niekerk in Agaat, tijdens de apartheid in Zuid-Afrika.

Meest kwetsende moment in mijn carrière. In een commissievergadering van de universiteitsraad ging ik zoals gewoonlijk naast een van de leden zitten, omdat er nu eenmaal geen aparte tafel is voor de pers. Waarop de griffier zei: ‘Schuif alsjeblieft een stoel op, want je kunt zo op de laptop van je buurman kijken.’ Dat vond ik echt beledigend, alsof ik zo aan mijn informatie kom! Alsof ik niet integer ben. Nog los van het feit dat het fysiek helemaal niet kan met mijn niet al te beste ogen. Ik reageerde boos, zei dat ik het idioot vond, maar ze kreeg bijval van de raadsvoorzitter. Bezopen. Het speelde een paar maanden geleden ten tijde van de discussie over de ontgroeningen en de daaraan gekoppelde sancties aan Tragos en Circumflex. Ik had een artikel daarover geschreven, een reconstructie van een vertrouwelijk deel van de universiteitsraadsvergadering. Daar zat ik dus niet bij, maar ik had her en der mijn informatie bij elkaar gehaald. En die inhoud klopte voor 95 procent, is me later verteld, ze dachten zelfs dat ik een microfoontje had geplaatst!
Er was ook nog de ‘bonnetjesaffaire’ van het college onder Jo Ritzen. L1 had de declaraties opgevraagd, die kwamen allemaal half weggelakt naar buiten en daar ben ik in Observant op doorgegaan. Vicevoorzitter Postema zei dat ik daarin te kwader trouw had gehandeld. Dat vond ik ook niet kunnen.

Liefde overkomt je. Ik heb Riki leren kennen als collega bij Observant, onze liefde is langzaam gegroeid. Op een gegeven moment merk je dat er meer is. Wat ik leuk vond aan haar? Jeetje, dat komt er toch niet in? Heel veel natuurlijk. Laat ik het zo zeggen: in de periode dat het steeds meer een echte relatie werd en ik nog steeds getrouwd was, had ik eens een keer voor een ander blad een interview met een bekende headhunter. Na afloop begon hij mij vragen te stellen, hij vroeg wat Riki voor mij betekende. Het eerste dat in me opkwam: veiligheid. Geen strijd meer. Het is zonde om zoveel te vechten.

Beste trucje in mijn beroep. Iemand bellen en feliciteren met een benoeming is een van de betere, haha. En dat op het moment dat je bijna zeker weet wie de nieuwe decaan of collegevoorzitter wordt. Bij Loek Vredevoogd, hoge ambtenaar op het ministerie, ging dat zo. Die werd in 1987 collegevoorzitter. Martin Paul heb ik ook gebeld toen hij nog in Berlijn zat en decaan zou worden van de FHML. Hij werd uit een vergadering geroepen, ervan uitgaande dat ik Nick Bos was. Tja, die achternaam, dat is vaker ‘fout’ gegaan. Voordat ik hem kon feliciteren, sprak Paul over stukken die hij mij had toegestuurd. Toen wist ik het zeker. Ik heb meteen gezegd dat ik niet Nick, maar Wammes Bos was, van het blad van de UM. Op de Berg zijn ze héél boos geworden. Martin had nog wat ijzers in het vuur in Berlijn, hij wilde niet dat het daar al vroeg bekend werd. Ik, de hoofdredacteur en de voorzitter van onze stichting zijn successievelijk onder druk gezet om niet te publiceren. Ritzen heeft vervolgens een poging gedaan om onze statuten aan te passen zodat we in de toekomst geen vertrouwelijke informatie meer zouden mogen gebruiken. Belachelijk, want dan kun je geen journalistiek meer bedrijven, is het einde blad. Uiteindelijk hebben we gewoon gepubliceerd en niets aan onze statuten veranderd.

Bid je weleens? Never. Van thuis uit ben ik Nederlands Hervormd, maar daar deden we geen bal aan. Ik noem mezelf een agnost, er zou wel iets kunnen zijn. Mijn oma, de moeder van mijn moeder, had iets met spiritisme. Mijn moeder geloofde er ook in. Zo kwamen er bijvoorbeeld magnetiseurs over de vloer. In de maand november, ze was 64, is ze overleden aan blaaskanker, ze had overal uitzaaiingen. Het gekke was, met oudjaar begon een van onze honden – mijn moeder had een goede band met ze – opgewonden te piepen naar iets in het midden van de kamer, kop omhoog, kwispelend, alsof er iemand stond die hij goed kende. Ik dacht: ‘Dat zal d’r zijn.’ Ik vond het wel een leuk idee eigenlijk.
Mijn moeder was zo stom geweest om niet meteen naar de huisarts te gaan toen er bloed in haar urine zat. Het was in een halfjaar gebeurd. Aan het eind was ze verzwakt, liep ze strompelend naar het toilet. In de weekenden ging ik bij haar slapen. Een van de laatste nachten gaf ik haar een belletje waarmee ze kon rinkelen als er iets was of als ze naar het toilet moest. Maar ik heb het belletje gemist, ik had een valiumpilletje genomen om te kunnen slapen. ‘Shit’, dacht ik toen. Had ze hulp nodig en was ik er niet. Ze is uiteindelijk thuis overleden. Mijn vader was niet bij de crematie, dat wilde zij ook niet. Hij heeft haar na de scheiding afgeknepen, ze was financieel totaal afhankelijk van hem. Ik ben daar boos over geworden in een telefoongesprek. Hij legde de hoorn op de haak, daarna hebben we elkaar twintig jaar niet gesproken. Allebei koppig.

Mijn vrouw heeft de broek aan. In mijn geval is mijn vrouw ook echt mijn baas, op het werk. Thuis niet, dat zou ze willen, haha. Ik ben niet goed met bazen, heb een autoriteitsprobleem, ik houd niet van commando’s. Mijn broer heeft hetzelfde, maar hij is zelf de baas geworden. Zelf ben ik geen manager, ik ben niet goed in organiseren. Riki is terecht hoofdredacteur geworden. Als ik destijds had gewild, had ik die baan zo kunnen krijgen, maar dat was niet verstandig geweest. Journalistiek, dat kan ik, maar leidinggeven, daar heb je andere kwaliteiten voor nodig.

Wielrennen. In mijn dromen ben ik Tom Dumoulin. Dat had ik wel mooi gevonden! Maar nee, ik vind het doodeng, in zo’n peloton de bocht door met zestig kilometer per uur. Ik deed als kind aan atletiek en ik was er best goed in. Op mijn twaalfde moest ik van mijn ouders op hockey, een kaksport. Ik paste er niet bij, had lang haar, droeg wijde pijpen. Toen ik een keer bij de club aan de bar zat, kwam er zo’n type naar me toe met de vraag of ik wel lid was. Toen was ik er klaar mee. Door Riki ben ik gaan fietsen. Ik heb toevallig klimtalent, sterke benen. We zoeken tijdens vakanties graag de bergen op. Die stilte is fantastisch, meditatief. Dan komen er ook opeens allerlei rare liedjes in mijn hoofd op. Michael Jackson, terwijl ik daar niets mee heb, of MacArthur Park van Richard Harris.

Ik ben een prima pa. Ik ben geen slechte vader, maar er zijn ongetwijfeld betere. Ik was streng, dat vinden ze nog steeds. Eind jaren zeventig, begin tachtig was het in om antiautoritair op te voeden. Dat vond ik toen al bezopen, dan krijg je van die stuurloze kinderen. Dat soort opvoeden past ook niet bij mij. Een therapeut heeft weleens tegen me gezegd dat ik te jong vader ben geworden. Ik denk dat ik bang was om de controle kwijt te raken, om het respect te verliezen. Geesje en Maaike werden geboren terwijl ik nog studeerde. Na mijn afstuderen kreeg ik een ‘tewerkstellingsplaats’ bij het Meertens Instituut, Het Bureau van Voskuil (nee, ik word jammer genoeg niet genoemd in de boeken) en had genoeg tijd voor de kinderen. Verzorgen, eten geven, verschonen, dat deden we samen. Het is ook goed dat ik twee meiden heb. Met jongens zou ik veel meer de strijd zijn aangegaan.

Een dag niet gelachen is een dag niet geleefd. Zeker! Dat ga ik absoluut missen, zo op onze redactie. Er gebeuren dingen, we maken geintjes, ik kan om mezelf lachen. Maar ook de universiteit zal ik missen. Je speelt toch een rol binnen de instelling, je schrijft verhalen en die gaan ergens over, mensen vinden er iets van. Het geeft je een soort van bestaansrecht. Jos Kievits [collega van het Universiteitsfonds die onlangs met pensioen ging] zei: ‘Ik ben mijn werk.’ Voor mij geldt hetzelfde. Ik wil tot mijn 67e doorgaan, maar ik mag niet en daar moet ik me bij neerleggen. Wiebe Bijker [oud-hoogleraar cultuur- en maatschappijwetenschappen] schreef me dat hij mijn gemengde gevoelens begreep, ‘maar schrijven kan altijd nog, alleen een nieuwe context vinden en een andere identiteit.’ Dat vind ik wel een mooie.

Wammes Bos, senior redacteur bij Observant, neemt donderdagmiddag 7 juni afscheid van de Universiteit Maastricht.
 

Tags:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)