Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

De risicofactoren voor hartfalen beter begrijpen

De risicofactoren voor hartfalen beter begrijpen

Photographer:Fotograaf: Joey Roberts

Droomland

Stel, je krijgt als wetenschapper een zak met geld, onbeperkte tijd en personeel. Welk onderzoek zou je dan doen? Prof. Blanche Schroen wil de risicofactoren voor hartfalen beter leren begrijpen om zo een effectief medicijn te ontwikkelen.

Hoge bloeddruk, diabetes en overgewicht. Dat zijn de drie belangrijkste risicofactoren als het gaat om hartfalen. Er bestaat medicatie om de bloeddruk omlaag te krijgen of de bloedsuikerspiegel onder controle te houden, maar in het lichaam is meer aan de hand. “De kleine vaten raken beschadigd en dat is vaak een voorteken voor het disfunctioneren van organen, zoals het hart”, zegt Blanche Schroen, hoogleraar experimentele cardiologie.

De huidige medicijnen kunnen die beschadigingen niet voorkomen, maar niet alle patiënten lopen die op. Waarom is niet duidelijk. Wat we wel weten is dat er op het moment dat iemand langdurig een hoge bloeddruk heeft, aan suikerziekte lijdt of te zwaar is, veel meer processen in gang worden gezet. “Behalve de schade aan de microvaten, ontstaat er een chronische ontsteking in de bloedcirculatie en wordt er een stresssysteem geactiveerd. Dat is niet goed voor het hart of andere organen, maar het wordt niet gemonitord. Een patiënt komt pas bij de cardioloog terecht als hij al hartklachten heeft.”

Schroen vraagt zich af waarom de risicofactoren bij de ene patiënt wel tot hartfalen leiden en bij de andere niet. Wat gebeurt er precies voorafgaand aan de ziekte in het lichaam en hoe is dat te voorkomen?

“Sinds kort bestaan de tools om schade aan de kleine vaten waar te kunnen nemen. Via een MRI of huidanalyse of door naar de vaten in de ogen of onder de tong te kijken. Nu passen we dat toe op een selecte groep patiënten. Een groep voor wie het eigenlijk al te laat is; zij zijn al hartpatiënt. Ik zou zo vroeg mogelijk iedereen met een van de risicofactoren willen screenen.”

Ook wil Schroen weefsel afnemen bij de patiënt, om daar in het lab mee aan de slag te kunnen. “Ik zou bijvoorbeeld stamcellen tot hartspier- of bloedvatcellen kunnen laten groeien. Die cellen zou ik willen blootstellen aan bloed van een diabetespatiënt, van een gezond persoon, van iemand die honderd jaar is geworden. Om zo de reacties tussen cellen en bloed beter te leren begrijpen.”

Celmodellen zijn niet genoeg, uiteindelijk zijn ook dierproeven nodig. “De bloeddruk, de circulatie, de bloedplaatjes; het heeft allemaal invloed op hoe het hart werkt. Celmodellen zijn nog te simpel. Om te weten hoe een mogelijk medicijn echt werkt, zou je een mens moeten nabouwen. Afgezien van het feit dat dat niet kan, is het ook ongelofelijk onethisch.”

Schroen pleit voor een ‘menselijk model’ voor proefdieren. “Dat bedoel ik op twee manieren. Ten eerste natuurlijk dat ze zo weinig mogelijk lijden, en hieraan doen we al al het mogelijke. Maar ook dat ze meer op mensen gaan lijken. Die hebben vaak alle drie de risicofactoren; ze hangen met elkaar samen. Het zou realistischer zijn als dat bij proefdieren ook het geval was. We geven dan bijvoorbeeld muizen een combinatie van een ongezond dieet met veel vet (dit veroorzaakt overgewicht en ‘pre-diabetes’), en een stofje dat hoge bloeddruk veroorzaakt.”

Uiteindelijk hoopt Schroen een medicijn te kunnen ontwikkelen dat de beschadigingen aan hart en vaten tegengaat. Daarvoor vindt ze samenwerking van het grootste belang. “Ik zou hiervoor een instituut oprichten, dat kan ook virtueel zijn, waarin artsen en onderzoekers samenwerken, van verschillende afdelingen. Er is al veel samenwerking binnen het MUMC, maar nu focussen we ons toch allemaal op ons favoriete orgaan, terwijl de risicofactoren voor veel ziektes dezelfde zijn. Als cardioloog kun je niet alle hoge bloeddrukpatiënten zien, maar er moet een tussenweg zijn tussen dat en wachten tot ze hartfalen krijgen.”

Het is volgens Schroen belangrijk dat artsen en onderzoekers elkaar beter leren begrijpen. “Artsen zouden al vroeg in hun opleiding de taal van onderzoekers moeten leren spreken. Zodat wanneer ze later steeds tegen hetzelfde probleem aanlopen, ze weten bij wie ze kunnen aankloppen om over een oplossing na te denken. Voor onderzoekers zou het goed zijn als ze de urgentie van de klinische praktijk beter leren kennen en de patiënt als individu. Voor onderzoek moet je enigszins generaliseren, mensen in een hokje stoppen. Maar het gebeurt vaak te snel en te makkelijk.”

Categories:Categorieën:
Tags:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)