Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

‘We zouden duivels zijn!’

‘We zouden duivels zijn!’

Photographer:Fotograaf: Loraine Bodewes

Serie: Maastrichtse onderzoekers in (post)conflictgebieden


Het reizen is haar niet met de paplepel ingegoten. “Mijn ouders zijn niet zo uithuizig.” En dan besluit dochter Eleonora Nillesen een studie ontwikkelingseconomie te gaan volgen in Wageningen. Aan veldwerk in de armste en vaak door conflicten geteisterde landen van de wereld valt niet te ontkomen. Burundi, Democratische Republiek Congo, Liberia: ze kwam er de afgelopen jaren meermaals. Maar hoe graag je het ook wil, soms komt een onderzoek niet van de grond, zoals in Somalië. “Na drie weken vruchteloos bellen en e-mailen realiseerde ik me hoe lang het duurt iets nieuws op te zetten in een land dat je niet kent en waar je ook niemand kent.” 

De akeligste herinnering aan de trips in Afrika? Schuilen voor een regen van kogels, ontvoering, bedreiging? Nee hoor. Het is: voor de duivel worden aangezien.
Het is tien jaar geleden. Eleonora Nillesen (1975), onderzoeker en vanaf 1 februari hoogleraar bij de School of Governance en UNU-Merit, is bijna klaar met haar werk op het Burundese platteland. “Op de allerlaatste dag komen we aan in een dorp waar, blijkt achteraf, een en ander toch niet goed is gegaan: de lokale chief blijkt geen toestemming te hebben gegeven voor de interviews met de dorpelingen. Maar dat weten we op het moment van aankomst nog niet. We zitten in een schoolgebouw, klaar om met het gezelschap een aantal spelletjes te spelen, als onderdeel van het onderzoek. Dan begint er iemand te schreeuwen. We zouden duivels zijn! Zij gillen, roepen dat we weg moeten. Wij rennen, en hard. Anders hadden we echt in de problemen gezeten.”

Duizend huishoudens
“Ik wilde veel van de wereld ontdekken, was nieuwsgierig” licht Nillesen haar keuze voor een studie ontwikkelingseconomie toe, “misschien omdat ik als kind niet zoveel buiten Nederland ben geweest.” Toch zoekt ze het vooral in de normen en waarden waarmee ze is opgevoed, “dat je iets voor een ander moet doen. Ontwikkelingslanden worden onevenredig vaak getroffen door oorlog, onderdrukking en armoede. Wetenschappelijke aandacht voor juist dit soort gebieden is er veel te weinig en dat motiveert me.”
Met haar onderzoek probeert Nillesen overheden, organisaties en individuen betere keuzes te laten maken. Ze wil hen laten zien wat het resultaat is van beleid en ontwikkelingsprogramma’s in fragiele omgevingen. Onderzoekers kunnen dat veilig binnen de universiteitsmuren doen met behulp van data die al voorhanden zijn, maar ze kunnen er ook voor kiezen om er zelf op uit te gaan. Nillesen is meer van dat laatste. Zo reisde ze in 2007 en 2009 naar het platteland van Burundi waar ze de invloed van de gewelddadige burgeroorlogen op economisch gedrag onder de loep nam. Het was onderdeel van haar promotieonderzoek. Er werden maar liefst duizend huishoudens, verdeeld over honderd dorpen, geïnterviewd. Wat ze wilde weten: veranderen mensen hun gedrag als ze een geweldsverleden hebben? Gaan ze het risico aan en kiezen ze bijvoorbeeld nog voor landbouwgewassen die tijd en investeringen vergen of durven ze het niet aan, bang dat er weer iets gebeurt? Vertrouwen ze hun buren, werken ze samen? Ze kreeg haar werk gepubliceerd in American Economic Review, een van de meest prestigieuze economische tijdschriften. De conclusie van haar studie in een notendop: huishoudens die meer geweld hebben meegemaakt, nemen meer risico en zijn bovendien veel meer bereid te delen met andere dorpelingen.

Verfomfaaide dollarbiljetten
Burundi werd in 1962 onafhankelijk van België. Wat volgde was een cyclus aan geweldsuitbarstingen tussen de twee belangrijkste etnische groepen, de Hutu’s en de Tutsi’s. De laatste burgeroorlog dateert van 1993. In 2005 werd een vredesakkoord getekend, maar in de praktijk komen de politie en het leger vooral in het westen nog geregeld in actie tegen kleine gewapende groepen. Het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken beschrijft de situatie als “onvoorspelbaar”; al jaren is het reisadvies negatief.
Nillesen die er tijdens haar eerste trip drie maanden lang veldwerk deed, liet zich niet tegenhouden. “We lezen natuurlijk wel de adviezen van het ministerie, maar het was toen redelijk stabiel. Je maakt een afweging. En als je je onveilig voelt, kun je altijd weer vertrekken.” Een nuchtere gedachte. Tegelijkertijd beseft ze maar al te goed hoe spannend het is voor de achterblijvers.
Veldwerk is een unieke ervaring, vertelt Nillesen. “Je wordt in Nederland voorbereid op wat je in zo’n land gaat aantreffen, maar van alles wat je achter je computer bedenkt en hebt geregeld, blijkt de helft bij aankomst niet te kunnen of toch niet geregeld.” Om maar te zwijgen over corruptie. “In de Democratische Republiek Congo heb ik in drie dagen tijd meer corruptie meegemaakt dan in al mijn reizen naar ontwikkelingslanden samen. Een voorbeeld? In de meeste restaurants en hotels betaal je met Amerikaanse dollars. Maar biljetten mogen niet ouder zijn dan 2009, een vouw of een klein scheurtje hebben. Wij waren daarvan op de hoogte en hadden alleen spiksplinternieuwe biljetten van 2010 bij ons. We dineerden in een prachtig restaurant met een van de mooiste uitzichten van Bukavu. Toen we afrekenden kwamen de serveersters na enkele minuten terug met een stapel verfomfaaide dollarbiljetten en een stalen gezicht – ‘helaas deze verfomfaaide biljetten konden ze echt niet accepteren’. Ze deden net alsof wij daarmee hadden betaald en eisten nieuwe dollars. Uiteindelijk hebben we ijlings het restaurant verlaten vanwege hoogoplopende discussies.”

Lang masseren
Veldwerk in instabiele (post)conflictgebieden is complex en kost immens veel voorbereiding, licht Nillesen toe. “Je begint met het zoeken naar goede mensen waarmee je kunt samenwerken, meestal bij universiteiten of non-gouvernementele organisaties in het land zelf. Samen creëer je een onderzoeksteam en wanneer je werkt met grote steekproeven, zoals ik, train en selecteer je een groep enquêteurs die de interviews voor je gaan afnemen omdat je het als onderzoeker onmogelijk alleen kunt doen.”
En zonder contacten hoef je niet eens je vliegticket te boeken. Somalië stond altijd hoog op haar lijstje. “Ik heb twee jaar geleden eens gepoogd een consortium te formeren en een onderzoeksvoorstel te schrijven maar ik kende er geen enkele lokale partner en had alleen wat indirecte contacten van onderzoekers die zich bezighielden met Somalië, die me overigens nog wel allervriendelijkst hebben proberen te helpen. Maar na drie weken heb ik het opgegeven.”
Betrouwbare partners zijn goud waard, benadrukt ze. “Ze spreken de taal, komen uit de omgeving, weten waar je moet zijn en hoe je dingen voor elkaar krijgt. Je kunt niet zomaar een dorp binnenwandelen, iemand aanschieten en vragen gaan stellen. Je moet naar de regionale overheid die dat weer door moet geven aan een lager orgaan om vervolgens de chief van het dorp te bereiken. Ik heb gelukkig weinig tegenwerking ervaren, mensen vinden het geen onzin wat je komt doen.” Verder: “Je wilt betrouwbare informatie en dat kan alleen als je met een team werkt dat weet waar het over gaat en inziet wat het belang is van de studie. We wilden van onze respondenten bijvoorbeeld weten wat hun etniciteit was. Dat vonden wij niet zo’n vreemde vraag, maar onze enquêteurs vonden dat echt niet kunnen. ‘Naar iemands etniciteit vragen? Veel te gevoelig.’ Uiteindelijk hebben we hen na lang masseren, op basis van argumenten, weten te overtuigen. Zoals we op basis van kwalitatief bewijs weten, had het geweld in Burundi een grote mate van willekeur. Wij wilden zeker weten dat niet alleen mensen van één specifieke etnische groep slachtoffer waren van geweld.”
Er klinkt een en al lof en bewondering voor haar Burundese ‘teamgenoten’: “Wat een veerkracht. Ze hebben vrijwel allemaal extreem oorlogsgeweld van dichtbij meegemaakt en desondanks de draad weer opgepakt.”

Afghanistan
Op dit moment legt Nillesen de laatste hand aan de papers die uit haar onderzoek in Congo zijn voortgekomen. Drie jaar geleden was ze er nog om uit te vinden in hoeverre arme kleinschalige boeren zijn geholpen met subsidies. Specifieker: of ze een nieuwe landbouwtechnologie willen gebruiken en hoe die kennis daarover zich verspreidt via sociale netwerken, zoals buren, families en vrienden. Congo is een enorme conflicthaard. “Behalve dat het er momenteel erg onveilig is, is de infrastructuur gebrekkig, vooral in het oosten. Het kost je uren om van de ene op de andere plek te komen.” Ooit wil ze terug, omdat het land het “verdient”. Voor nu heeft ze ervoor gekozen om te werken in landen waar ze al onderzoekservaring en een groot netwerk heeft, zoals Tunesië. Binnenkort reist ze ernaartoe voor een nieuw project: een grootschalige evaluatie van een interventie om achtergestelde wijken op te knappen. “Denk aan betere wegen, renovatie van huizen, straatverlichting, maar ook het ontwikkelen van economische en sociale activiteiten om de werkgelegenheid te vergroten, de sociale cohesie te verbeteren en terrorisme tegen te gaan.”
Nillesen wil iets bereiken voor haar medemens in de armste delen van de wereld, maar niet koste wat kost. Voor haarzelf en haar familie niet – bijvoorbeeld omdat het er te onveilig is – maar ook voor de ander niet. Want die zet ook iets op het spel, benadrukt ze. Zo werd Nillesen twee jaar geleden voor een trip naar Afghanistan gevraagd. Ze zei ‘nee’. “Los van het gevaar was ik heel sceptisch over het verhaal dat we daar moesten gaan houden tijdens een workshop. Ik vond dat we nog niet genoeg konden vertellen, die fase hadden we nog niet bereikt. Er zouden mensen uit Kabul en daarbuiten worden uitgenodigd. Die moesten door oorlogsgebied reizen. Dan vraag je nogal wat, en waarvoor? Je moet een goede afweging maken: bereik je of belast je er iemand mee?

 

Vijf portretten

De reisadviezenlijst van het ministerie van Buitenlandse Zaken is er niet voor niets. Landen met code rood zijn levensgevaarlijk en met code oranje wordt reizen sterk afgeraden. Toeristen zullen zich er niet laten zien. Onderzoekers daarentegen hebben andere redenen om een door een oorlog of rellen geteisterd land op te zoeken. De Universiteit Maastricht telt niet heel veel van die waaghalzen, maar ze zijn er wel. In elk geval vijf en allemaal vrouwen. Onregelmatig portretteert Observant een van hen.

-Rianne Letschert (1976), jurist en victimoloog, rector van de Universiteit Maastricht

-Eleonora Nillesen (1975), research fellow (hoogleraar public policy and development per 1 februari), School of Governance/UNU-Merit

-Marieke Hopman (1988), rechtsfilosoof, doet promotieonderzoek naar kinderrechten onder de werktitel looking at law through children’s eyes

-Charlotte Müller (1992), doet promotieonderzoek in de migratiegroep van UNU-Merit, werkt aan het project Connecting Diaspora for Development

-Geraldine Beaujean (1967), directeur SHE Collaborates, School of Health Professions Education FHML

 

 

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)