Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

“Ik heb geen oog dichtgedaan”

“Ik heb geen oog dichtgedaan”

Photographer:Fotograaf: Loraine Bodewes

Serie: Maastrichtse onderzoekers in (post)conflictgebieden

Zeg nu zelf: een oorlogsgebied ren je liever uit dan in. Filosoof Marieke Hopman ziet dat toch iets anders. Ze bracht een aantal weken door in de Centraal Afrikaanse Republiek, het armste land ter wereld dat zo instabiel is als een kaartenhuis. Ze heeft er voor haar leven gevreesd, maar zette door. “Wat stelt mijn opoffering voor, wetende wat die mensen daar iedere dag meemaken? Er is zoveel te winnen.” Binnenkort promoveert ze op haar onderzoek naar de rechten van kinderen, met case studies in de Centraal Afrikaanse Republiek, de Turkse Republiek Noord-Cyprus en Nederland.

“Hij zei iets in de trant van: dom, gevaarlijk, dat ik dat als student deed!” Marieke Hopman bracht tijdens haar masterstudie filosofie een paar weken in Rwanda door voor een onderzoek naar kindsoldaten. Het was niet de minste die haar onderneming achteraf onverantwoord vond: Patrick Cammaert, een Nederlandse generaal die een aantal VN-vredesmissies heeft geleid in Afrikaanse landen als Ethiopië, Eritrea en Congo. Hem hoef je niets te vertellen over conflictgebieden en alle geweld dat daarbij komt kijken. Hopman sprak hem over haar onderzoek in Rwanda na haar terugkomst. “Hij werd echt een beetje boos.” 
Nu, bijna zes jaar later, is Hopman heel wat ervaringen rijker. Haar keuze voor Rwanda was naïef, geeft ze toe. “Ik studeerde filosofie in Amsterdam. Wisten mijn docenten veel, zij dachten waarschijnlijk: ‘Leuk, laat die meid maar gaan’. Rwanda scheen het meest veilige Afrikaanse land te zijn met een goede infrastructuur. Ideaal voor mijn onderzoek, dacht ik. Het was er ook niet eens zo onveilig. Het was vooral mijn onderwerp dat nogal wat teweegbracht. Eenmaal daar merkte ik hoe beladen het was.”

Voetbalbekerverzameling
In Rwanda vond in 1994 een genocide plaats: in drie maanden tijd vermoordden extremistische Hutu’s honderdduizenden Tutsi’s en gematigde Hutu’s. Die geweldsuitbarsting leidde op zijn beurt tot een langslepend conflict in buurland Congo waar ook Rwanda bij betrokken was.
Hopman: “Zowat alle partijen in Rwanda hebben kindsoldaten ingezet. Ontsnappen uit de jungle is bijna onmogelijk, maar degenen die het redden, worden opgevangen in kampen: getraumatiseerd, zonder ouders, zonder scholing, sommigen weten niet eens hoe oud ze zijn.”
“Ik had het meest luxe visum, wat betekende dat ik de langst mogelijke termijn in Rwanda mocht blijven, maar eenmaal daar kreeg ik geen toestemming voor mijn onderzoek.” Jan Pronk, oud-minister voor Ontwikkelingssamenwerking en in die hoedanigheid betrokken bij de gebeurtenissen in Centraal-Afrika in de jaren negentig, had Hopman nog een handje geholpen door een brief te schrijven aan de Rwandese overheid. Tevergeefs. “Ik had een speciaal stempel nodig. Elke dag ging ik naar zo’n bureautje in Kigali, zat ik weer in de wachtkamer. Ze waren ‘ermee bezig’, maar het was me duidelijk dat ze niets aan het doen waren.” Dus trok Hopman haar eigen plan, dan maar zonder toestemming. “Teruggaan naar Nederland was geen optie.” Met vriendelijkheid kwam ze vervolgens een heel eind. “Zelfs als dat betekent dat je een halfuur over de voetbalbekerverzameling van een hoge pief moet praten”, lacht ze. Zo kreeg ze het voor elkaar om een opvangkamp voor kindsoldaten te mogen bezoeken in Musanze, in het noordwesten van Rwanda. “Ik interviewde een paar kinderen, op vrijwillige basis natuurlijk. Hier had ik het idee dat ik echt iets nuttigs kon doen als onderzoeker.”

Code rood
“Het voelt alsof je op een duikplank staat”, vertelt Hopman. “Je bent helemaal omhooggeklommen en dan spring je. Op hoop van zegen.” Je hebt soms geen keuze, wil ze maar zeggen. Ze denkt aan haar aankomst op de luchthaven bij de hoofdstad Bangui in de Centraal Afrikaanse Republiek (CAR) waar ze voor haar promotieonderzoek een aantal weken zou neerstrijken – dat was in 2016.
Reizen naar de CAR wordt al jaren afgeraden, er geldt code rood. “De situatie is zeer gespannen en niet stabiel. Er komen berovingen, ontvoeringen, verkrachtingen en doodslag voor”, schrijft het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken op zijn website. “Er is geen Nederlandse ambassade.” Zelfs veel niet-gouvernementele organisaties hebben het land verlaten, aldus het ministerie.
Het land werd in 1960 onafhankelijk van Frankrijk, maar wat volgde was een spiraal van ellende. Nog steeds vinden er regelmatig gevechten plaats tussen rebellengroeperingen.
“Het is een vergeten land, de situatie is schrijnend. Ik had na mijn ervaringen in Rwanda besloten dat ik verder onderzoek wilde doen naar kinderrechten en het liefste in een oorlogsgebied. Ik was jong, dacht: ‘Nu kan het nog.’ Ik wilde ook ervaren wat het is om daar te zijn. Van Afghanistan heeft iedereen gehoord, maar wie kent de CAR?
“Ik was via sociale media in contact gekomen met een Vlaamse priester. Hij deed er missiewerk voor een stichting. Hij zou me komen ophalen van het vliegveld bij Bangui, maar was het vergeten. Dus vroeg ik aan een jongen, in het Frans, of ik zijn telefoon mocht lenen. De mijne deed het niet. Tja, ik moest er het beste van maken. Er stond geen vliegtuig klaar om me mee terug te nemen.” Hopman belde alsnog met haar kennis; even later werd ze opgepikt.

Praten als Brugman
Ook haar promotoren hadden zo hun bedenkingen. “Toen de Verenigde Naties verklaarden dat er in de CAR sprake was van een genocide, moest ik maar eens langskomen.” René de Groot, emeritus-professor internationaal privaatrecht, en Rianne Letschert, rector van de Universiteit Maastricht en hoogleraar victimologie – en heel wat gewend wat veldonderzoek in conflictgebieden betreft – vroegen zich af of het verantwoord was, of ik het wel zeker wist. “Ik heb moeten praten als Brugman. Ik zei: ‘Het is geen genocide. De VN wil meer aandacht voor de situatie in de CAR, dit is hun strategie. Door mijn contacten met de mensen daar wist ik dat het anders zat.”
Die contacten waren overigens niet eens zo makkelijk te leggen, vertelt Hopman. “Het is lastig om een visum te krijgen, je moet alle hotelreserveringen rond hebben voor aankomst. Maar ja, hoe doe je dat als internet en telefoon niet werken?”
In het Afrikaanse land reisde Hopman rond in het kielzog van de Vlaamse priester en zijn gezelschap. “Zij hadden een chauffeur, ik sliep waar zij sliepen en zij vonden het ook wel leuk. De priester was blij dat er eindelijk iemand Nederlands sprak”, lacht ze. Ze bezocht er vluchtelingenkampen, sprak, danste en speelde er met kinderen. “Ze zorgden dat ik even alle nare dingen vergat.” Ze interviewde onderwijzers, bezocht klaslokalen. De spanningen waren constant merkbaar. “Overal liepen mensen rond met geweren.” Het gevaar kwam wel heel dichtbij toen ze op een plek logeerde in Kaga Bandoro, een gebied waar twee gewelddadige rebellengroeperingen tegen elkaar vechten. Ze overnachtte in een opvangkamp in de lokale kerk. “Aan de ene kant van de brug stond een groep met wapens. Aan de andere kant ook. Die brug werd wel bewaakt door de Verenigde Naties, maar ik was bang dat die rebellen elk moment zouden binnenvallen. Ik heb geen oog dichtgedaan, dacht: ‘Dit maken ze hier iedere dag mee, er is altijd angst. Die mensen zitten in de wachtruimte van het leven.” Later, toen Hopman was vertrokken, zijn het kamp en een deel van het dorp in brand gestoken. Tientallen mensen stierven of raakten gewond.

Veiligheidstraining
Het was in datzelfde jaar, in Maastricht tijdens de opening van het Academisch Jaar. Hopman maakte als nieuwe promovendus van de rechtenfaculteit kennis met Nick Bos, vicevoorzitter van het college van bestuur. “Ik ging Rianne gedag zeggen. Ik was net terug van mijn eerste bezoek aan de CAR en vertelde erover. Nick: ‘Naar de CAR? Maar dat mag helemaal niet.’ De universiteit liet niemand naar code rood-landen reizen. Ik dacht: ‘O jee, wat heb ik nu weer gezegd.’ Mijn reis was er min of meer tussendoor geglipt, hoewel ik wel officieel toestemming had van de faculteit – ik had in de zomer de overstap gemaakt van Tilburg naar Maastricht. Toen ik later dat jaar terugging naar de CAR was het beleid van de UM aangepast.” Mede door de inspanningen van rector Letschert. Zij had notabene zelf een reis op de planning naar ‘rood’ land Congo. De nieuwe regel houdt in dat stafleden die willen afreizen zelf mogen oordelen, maar dat promovendi gemotiveerd, en gezien door de decaan en de promotor, een verzoek moeten indienen bij het college van bestuur.
“Journalisten kunnen via de Nederlandse Vereniging van Journalisten een veiligheidstraining volgen voordat ze afreizen naar risicogebieden. Je leert er hoe te handelen in gevaarlijke situaties, wat te doen als je bijvoorbeeld ontvoerd wordt. Toen ik naar de CAR ging, had ik heel weinig geld [haar promotieproject betaalt ze uit haar eigen opgerichte kinderrechtenonderzoeksfonds, red.]. Zo’n training was veel te duur. Maar ik had ‘m graag gehad, je staat toch iets steviger. Ook bij terugkomst had ik behoefte om over mijn ervaringen te praten. Een aantal gesprekken met een psycholoog vind ik geen overbodige luxe. Maar zover zijn universiteiten nog niet.”
Waarschijnlijk tot grote opluchting van de faculteit en het college van bestuur liet ze het oorlogsgeweld achter zich. Voor haar volgende casus vertrok ze naar de Turkse Republiek Noord-Cyprus, het noordelijke deel van Cyprus. De internationale gemeenschap ziet het als bezet grondgebied sinds de Turken er in 1974 binnenvielen. Turkije is dan ook het enige land dat de onafhankelijkheid van de TRNC erkent. Internationale verdragen of rechten zijn er niet geldig. Voor de TRNC gelden geen reisrestricties. Hopman nam zelfs een paar studenten uit het Marble programma van de UM mee. “Er komt nooit iemand! Dat is juist de reden dat ik ernaartoe wilde”, zegt Hopman. Toen ze afgelopen najaar met haar onderzoeksresultaten onder de arm terugging, werd ze onthaald als een “held. Zo was het ook in de CAR. Eindelijk was er iemand die zich interesseerde voor hun situatie, die zich hun lot aantrekt. En dat is precies wat mij het meest voldoening geeft, je loopt niet weg met je data, maar je geeft iets terug.”

Een tijdje na het interview komt er een e-mail binnen van Hopman: “We hebben te horen gekregen dat onze beursaanvraag is gehonoreerd. Dus er komt weer onderzoek aan in interessante gebieden.”
Onderzoeksfinancier NWO besloot 500 duizend euro te spenderen aan het project over de ontwikkeling van kinderrechten in (politieke) conflictgebieden. Welke dat zijn, blijft geheim “in verband met de veiligheid”. Samen met Fons Coomans, bijzonder hoogleraar UNESCO chair in Human Rights and Peace, gaat Hopman per land de rechten voor kinderen onderzoeken en hoe die hun leven beïnvloeden. Er wordt daarbij samengewerkt met niet-gouvernementele organisaties.

 

Vijf portretten

De reisadviezenlijst van het ministerie van Buitenlandse Zaken is er niet voor niets. Landen met code rood zijn levensgevaarlijk en met code oranje wordt reizen sterk afgeraden. Toeristen zullen zich er niet laten zien. Onderzoekers daarentegen hebben andere redenen om een door een oorlog of rellen geteisterd land op te zoeken. De Universiteit Maastricht telt niet heel veel van die waaghalzen, maar ze zijn er wel. In elk geval vijf en allemaal vrouwen. Onregelmatig portretteert Observant een van hen.

-Rianne Letschert (1976), jurist en victimoloog, rector van de Universiteit Maastricht

-Eleonora Nillesen (1975), hoogleraar public policy and development, School of Governance/UNU-Merit

-Marieke Hopman (1988), rechtsfilosoof, doet promotieonderzoek naar kinderrechten onder de werktitel looking at law through children’s eyes

-Charlotte Müller (1992), doet promotieonderzoek in de migratiegroep van UNU-Merit, werkt aan het project Connecting Diaspora for Development

-Geraldine Beaujean (1967), directeur SHE Collaborates, School of Health Professions Education FHML

 
Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)