Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

Nederlanders zouden hun vrijheden meer mogen waarderen

Nederlanders zouden hun vrijheden meer mogen waarderen

Photographer:Fotograaf: archief Dorina Baltag

Hoe is het om te leven en te werken in de Europese Unie, in vrijheid en democratie, terwijl je heel anders bent gewend? Een gesprek met student Ahmed Rifai die Syrië ontvluchtte en met docent Dorina Baltag uit Moldavië, het armste land van Europa dat jarenlang onder Sovjet-repressie gebukt ging en nog steeds worstelt met de eigen identiteit. Volgens beiden zouden Nederlanders hun vrijheden meer mogen waarderen. Ze zijn ‘gewoon’ geworden. Maar dat zijn ze niet.

"Het valt me vooral op hoe krachtig mensen zijn"

Tot begin 2012 woonde Ahmad Rifai, tweedejaars Arts and Culture, met zijn familie in een mooie wijk in Aleppo, in het Noord-Westen van Syrië. “Mijn vader was ingenieur en mijn moeder deed administratief werk op een privéschool. We hadden een goed leven tot in 2011 de revolutie tegen het dictatoriale regime van Bashar al-Assad begon.” Rifai was, als twaalfjarig jongetje, als enige in zijn familie bij een aantal demonstraties geweest. “Na acht maanden van vreedzame protesten, werd de sfeer grimmiger. We bewapenden ons ter bescherming. Vanaf dat moment werd er direct op de groeiende aantallen protesteerders geschoten. Later volgden bombardementen, vooral met een Suckoi-21-vliegtuig. Bijvoorbeeld op bakkerijen, om de mensen te laten weten dat ze zich rustig moesten houden. Het geluid van zo’n vliegtuig zal ik nooit vergeten. Ik kijk nog elke keer omhoog als er een vliegtuig overvliegt.”

Zijn gezin vluchtte naar familie in de Verenigde Arabische Emiraten. Daar woonde Rifai drie jaar. Op zijn zeventiende maakte hij daar zijn middelbare school af. “Daarna wilde ik naar Europa, naar de democratie en goed onderwijs. Het plan was om naar Turkije te vliegen en vanuit daar met een toeristenvisum naar Nederland te gaan en daar asiel aan te vragen. Nederland heeft goede universiteiten met Engelstalige opleidingen en ik kende daar niemand: ik wilde zelf iets opbouwen. Als Syriër een toeristenvisum voor Europa krijgen is onmogelijk, dus het moest op de illegale manier.”

“In Istanbul leerde ik via via een smokkelaar kennen. Voor 1300 dollar bracht hij me naar Europa. Dat kon ik betalen met geld van mijn drie zussen, zij hebben me financieel enorm geholpen. Met 37 anderen reisde ik 18 uur lang in een vrachtwagentje van twee bij drie meter naar Izmir. Om beurten konden we zitten, dat kon niet allemaal tegelijk. En er was constant angst om gepakt te worden.” In Izmir stappen ze met zijn allen op een kleine opblaasboot. “Geld en telefoons stopten we in condooms in onze zakken. De reis duurde drie uur.”

“Aangekomen op het Griekse eiland Kos, staken we meteen de boot lek. Dan konden we daar in elk geval niet meer mee terug. Binnen vijf minuten was de politie er. Ik had tijdens de hele reis het grote voordeel dat ik goed Engels sprak: mijn zus woont in London en is al jaren getrouwd met een Engelsman. We kregen allemaal een nummer en na lang wachten kwam er een bus om ons naar een opvangplek te brengen, waar ik een nacht moest wachten voordat ik naar Athene kon gaan. Daar moesten we een ticket laten afstempelen om verder Europa in te kunnen reizen.”

“Ik was dom en ging naar de grens van Macedonië in plaats van Athene; ik wilde zo snel mogelijk naar Nederland. Ik werd opgepakt door de politie en moest naar de gevangenis. Met twintig mensen in een cel van acht bij vier, met een wc en een douche midden in de cel. Weer had ik voordeel van mijn Engels. Ik kon communiceren met de agenten en mocht regelmatig telefoontjes plegen. Na elf dagen moest ik meekomen en kreeg mijn schoenveters terug. Toen wist ik dat ik mocht gaan.”

Na een tijdje in een Grieks kamp te hebben geleefd, besloot hij om verder te reizen. Bij de grens van Hongarije werd het spannend. “Er reden politieauto’s rond en in de bosjes lagen we te wachten tot het juiste moment om te rennen. Dat gaat net als in de film: rennen zo hard je kunt. In alle haast sneed ik mijn rugzak met eten los om sneller te zijn. Een grote groep met vrouwen en kinderen, die langzamer waren, zijn gepakt.”

“Eenmaal in Hongarije kwam ik bij toeval een Syrische jongen tegen die daar al jaren woonde en met zijn vader een restaurantje runde. De vader gaf ons te eten en belde een taxi die ons naar de grens met Oostenrijk bracht. Met de bus gingen we naar het centrum van Wenen en daar nam ik een viersterrenhotel. Eindelijk lekker douchen, fatsoenlijk eten en goed slapen. Vanuit Wenen pakte ik een trein naar Duitsland en het laatste stuk naar Amsterdam deed ik met de taxi. Grote fout, de rekening was ruim 540 euro. Ik meldde me op het politiebureau.”

Daar begon het asielcircus. Het is eind september en ik ben inmiddels anderhalve maand onderweg. Ik ging eerst naar Ter Apel om me te laten registreren en asiel aan te vragen. Het volgende jaar bracht ik door in Rotterdam, Haarlem, Hellendoorn, Wageningen, Doetinchem, Grave en uiteindelijk Maastricht. In veel asielzoekerscentra is niets te doen en zit je 14 uur per dag te niksen, de rest slaap je of eet je slecht voedsel. De tijd gaat langzaam, er is constant onduidelijkheid. Je wilt door, Nederlands leren, aan het werk, maar je kunt niets. Ik kocht een laptop en ging veel schrijven, Nederlandse muziek luisteren, lezen en huizen zoeken. In Maastricht had ik een kamer gevonden, ik was toegelaten tot een businessopleiding aan Hogeschool Zuyd en het enige wat ik nodig had om het AZC te verlaten was een handtekening. Dat heeft weken geduurd.”

Een “life changing” moment tijdens zijn reis was een gesprek met een student in Rotterdam, een marxist. “De literatuur die ik van hem kreeg was zo interessant.” Zijn interesse in filosofie, ideologie en politiek werd daar aangewakkerd. Na verschillende gesprekken met zijn huisgenoten in Maastricht, van wie velen Arts and Culture aan de UM studeerden, wist hij dat hij dat ook moest doen. Inmiddels zit hij zelf in het tweede jaar. “Hierna wil ik nog een master doen en promoveren.”

“Als ik terugkijk op de afgelopen jaren, valt me vooral op hoe krachtig mensen zijn en hoe goed ze zich kunnen aanpassen aan oorlog. Mensen gaan ‘normaal’ naar de bakker terwijl er een kilometer verderop wordt gevochten of bommen vallen. Het is eng om te protesteren tegen een gewelddadige overheid, maar ze vechten om in vrijheid te leven, voor democratie. Syriërs kijken daarom enorm tegen Europa op, maar sinds ik er ben, valt me op dat velen zich niet realiseren dat er mensen zijn gestorven voor de vrijheid waarin zij leven, dat er landen zijn waarin je je leven kunt verliezen wanneer je je uitspreekt tegen de overheid. Europeanen mogen meebeslissen, maar politiek interesseert de meesten niet. Ook mis ik hier solidariteit, mensen zorgen vooral voor zichzelf. Gelukkig niet iedereen, tijdens mijn reis door Europa heb ik in alle landen veel hulp gehad van super lieve mensen. De meeste mensen zijn goed, daar ben ik van overtuigd. Vaak is het onmacht: Ik heb politieagenten ontmoet die het verschrikkelijk vonden hoe ze met vluchtelingen om moesten gaan, maar regels zijn vaak regels.

Yuri Meesen

 

 

"Ik vind hier zo’n gemoedsrust”

“Soms denk ik dat ik Nederlandse wortels heb, ik vind hier zo’n gemoedsrust”, vertelt Dorina Baltag (1983), docent aan de faculteit cultuur- en maatschappijwetenschappen. Toch is het geen Nederlands, maar Moldavisch-Roemeens bloed dat door haar aderen stroomt. Geboren en getogen in een Sovjetrepubliek was zij het meisje dat bij alles vraagtekens plaatste en de grenzen op zocht. “Iedereen moest hetzelfde denken. Dat was de opzet van de Sovjets, zij wilden de massa controleren. Maar dat thinking in the box zat me vaak dwars.”
In 1991 riep het land de onafhankelijkheid uit. Toch werd in de jaren daarna kritiek nog steeds niet gedoogd. Ze herinnert zich een bijeenkomst in de hoofdstad Chisinau waar ze woonde. Baltag was zeventien. De verkiezingen waren net achter de rug en wederom kwam de Moldavische Communistische Partij aan de macht. “We besloten met een aantal vrienden de straat op te gaan, om te rouwen met kaarsen in onze handen, heel rustig, als symbool voor de gestorven democratie. Stonden we daar opeens niet met z’n vijftigen, maar met vijfduizend mensen op straat! Het had zich via via verspreid. De regering keurde de mars af en greep in. Ze losten zelfs schoten.”

Moldavië kampt met een enorm migratieprobleem; vooral jonge mensen verlaten het land. Toch betekent dat niet dat ze het land helemaal de rug toekeren, zegt Baltag. “We proberen iets terug te geven.” Ze noemt Mai Dulce, ooit begonnen als een klein culinair festival, een initiatief van een naar het buitenland verhuisde Moldavische, dat inmiddels is uitgegroeid tot een van de grootste festivals in Oost-Europa. Zelf draagt Baltag bij aan de Run Pink Moldova community voor Moldavische vrouwen die kanker hebben of hebben overleefd. Zoals zijzelf. “Eén keer per jaar help ik mee aan een driedaagse retraite; een Moldavische die in België woont heeft de organisatie opgericht. Ik begeleid ze in het maken van een dagboek, iets waar ik zelf veel aan heb gehad tijdens mijn ziekte.”
Ze was een kersverse masterstudent European Studies aan de Universiteit Maastricht, zo’n tien jaar geleden, toen de ziekte van Hodgkin bij haar werd vastgesteld. Zes maanden lang werd ze in het MUMC intensief behandeld met chemotherapie. Teruggaan voor een behandeling in Moldavië was geen optie. “Mijn land is helemaal niet zo ver met kankertherapie”, zegt ze. “Ik koos voor het leven, niet voor de dood.” Het eerste dat ze aan haar arts in Nederland vroeg was hoeveel ze moest betalen. “Hij zei: ‘Dat komt in orde, let vooral op jezelf.’ Ik was dat niet gewend. Wil je in Moldavië een kans hebben op overleving, dan moet je flink betalen.” Dat er hier in het ziekenhuis naar haar werd geluisterd, dat ze werd geïnformeerd door de artsen: het werkte “helend” voor haar persoonlijkheid.

Moldavië en buurland Roemenië hoorden tot 1940 bij elkaar; een groot deel van de Moldaviërs is dan ook van Roemeense afkomst, zoals Baltag. Daarnaast is er een kleinere groep die Russische of Oekraïense wortels heeft. “Ik denk dat het land in een identiteitscrisis verkeert. Politieke partijen bouwen hun campagne op deze gevoelige kwestie, creëren een ‘ons’ versus ‘hen’. Het gevoel van een eenheid ontbreekt. Hier in Nederland merk ik hoe fijn het is dat iedereen in z’n waarde wordt gelaten, dat het is toegestaan authentiek te zijn terwijl je allemaal ‘Nederlander’ bent.”
Pas sinds kort heeft Baltag ook de Roemeense nationaliteit (daar mocht ze een beroep op doen vanwege haar Roemeense voorouders) en mag ze dus vrij door de EU reizen. Tien jaar duurde het voordat haar dossier werd gesloten. “Dit is zo fijn! Ik kan gaan en staan waar ik wil. Voor mensen die altijd in de EU hebben gewoond, is die vrijheid ‘gewoon’, en dat begrijp ik, maar ze mogen het soms wat meer waarderen.”
“Hoe ik naar de toekomst van Moldavië kijk? Met gemengde gevoelens. Ik vind het moeilijk om positief te zijn. Tegelijkertijd ben ik hoopvol. Toen ik van Observant de vraag kreeg wat oorlog met je doet, dacht ik niet aan het letterlijke gevecht. Voor mij betekent het een strijd, een poging van Moldaviërs om een fatsoenlijk leven te leiden in vrijheid en democratie.”

Wendy Degens

Run Pink Moldova community: https://www.facebook.com/runpinkmoldova/

Dit artikel maakt deel uit van een papieren special over Europa met collegevoorzitter Martin Paul als gasthoofdredacteur.

Categories:Categorieën:
Tags:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)