Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

“Veel heeft te maken met gezond verstand”

“Veel heeft te maken met gezond verstand”

Photographer:Fotograaf: Joey Roberts

Anita Jansen over de zwaartekrachtsubsidie en haar afscheid als decaan

Tien jaar lang aan iets belangrijks kunnen werken. Die zekerheid is het ware geschenk van de zwaartekrachtsubsidie (bijna 20 miljoen) die ze met haar consortium heeft binnengehaald, zegt prof. Anita Jansen. “Dat heb je nodig als wetenschapper.” Als decaan heeft ze geprobeerd de werkomstandigheden van de staf te verbeteren. Door de onderwijstaakstellingen en het geld anders te verdelen. Maar je hebt niet alles zelf in de hand. Met het plan-Van Rijn (meer geld naar bèta, ten koste van alfa en gamma), komt de financiering van ook de psychologiefaculteiten verder in het gedrang. “Ik hou mijn hart vast, het is nu al zo lastig.”

 

“Samen iets goeds doen voor de faculteit”, dat is wat Jansen, hoogleraar experimentele klinische psychologie, het meest gaat missen als decaan. Zodra er een goede opvolger is, geeft ze het stokje door. Al zal ze in haar nieuwe rol als projectleider van het zwaartekrachtconsortium ook genoeg kunnen samenwerken. Achttien andere wetenschappers, uit het hele land, zijn bij het project betrokken.

Wat gaat men precies onderzoeken? Wie nu psychische klachten heeft, krijgt een diagnose en een behandeling gericht op die diagnose. “In de praktijk zien we echter dat mensen met een psychische stoornis vaak ook last hebben van andere klachten.” Iemand met anorexia die zich bijvoorbeeld ook somber voelt. Of iemand met een depressie die ook last heeft van angstaanvallen.

Netwerk

In het model dat onder leiding van Denny Borsboom, hoogleraar Grondslagen van psychologie en psychometrie aan de Universiteit van Amsterdam, werd ontwikkeld gaat het niet meer om die diagnose, maar om de symptomen en hoe die met elkaar samenhangen. Het is dit model dat het consortium verder gaat onderzoeken en ontwikkelen.

“Stel, iemand is bang om dik te worden. Dat leidt tot minder eten en bewegingsdrang, wat leidt tot afvallen. En dat leidt dan weer tot een vergrote angst om dik te worden.” Dit is een (versimpeld) voorbeeld van een symptoomnetwerk, zoals dat in Borsbooms model wordt genoemd. Iemands symptomen en hun onderlinge samenhang en interacties worden met behulp van smartphones en via speciale analyses heel precies in kaart gebracht.

In plaats van met standaardmethodes de stoornis te behandelen, denkt het consortium dat het beter is om het belangrijkste symptoom binnen het netwerk (bijvoorbeeld de angst om dik te worden) te behandelen. “We kijken ook naar transdiagnostische werkingsmechanismen. In dit geval is dat angst: angst om dik te worden en angst om te eten. We focussen dan op de behandeling van die angst in plaats van bijvoorbeeld het lichaamsbeeld.”

De vraag is ook hoe de klachten elkaar beïnvloeden. Hoe kan het bijvoorbeeld dat afvallen leidt tot méér angst om dik te worden? “Je zou juist denken dat als iemand afvalt, de angst om dik te worden afneemt. Of waarom gaat iemand die zich rot voelt, te veel eten? Daarna voelen ze zich vaak nog rotter, dus het werkt niet. Waarom doet iemand het dan toch?”

De voorbeelden komen uit Jansens eigen expertise: eetstoornissen. Maar het werkterrein van het consortium is veel breder. Bijvoorbeeld somatische problemen, zoals onverklaarbare pijn en het emotionele geheugen. Jansen gaat zich met disorded desires bezighouden. “Wanneer iemand onmatig is in het nastreven van genot, of juist helemaal niet meer kan genieten. Dat laatste zien we bijvoorbeeld bij depressies en bij anorexia, als alle interesse in plezierige activiteiten, zoals bijvoorbeeld eten, weg is. Normaal gesproken heb je na een tijdje weinig eten juist veel zin in eten, maar het lijkt alsof hun beloningssysteem niet meer adequaat werkt, dat zien we ook terug in fMRI-scans. Dat is intrigerend. Hoe komt dat en kunnen we het terugdraaien?”

Drie fasen

Het onderzoek wordt in drie fases uitgevoerd. Eerst mapping: symptoomnetwerken in kaart brengen en de stabiliteit daarvan vaststellen. “Patiënten worden enige tijd gevolgd. Via hun telefoon beantwoorden ze allerlei vragen over hoe ze zich voelen op bepaalde momenten op de dag, en ook hun activiteit wordt geregistreerd. We meten stressniveau, stemming, fysieke activiteit, moeheid, et cetera. Op al die data worden analyses losgelaten, waarmee het symptoomnetwerk zichtbaar wordt.” Ook daar hebben de onderzoekers vragen over. “We denken dat er verschillen zijn tussen mensen met dezelfde traditionele diagnose. Maar hoe erg zullen hun persoonlijke netwerken verschillen? En hoe stabiel zijn die netwerken?”

Tegelijkertijd worden er zooming studies uitgevoerd, naar de causale relaties tussen symptomen. Tot slot komt targeting: de theorie daadwerkelijk in de praktijk brengen en mensen behandelen. “We werken samen met klinieken in het hele land. Zodra patiënten daar binnenkomen, krijgen ze de vraag of ze mee willen werken aan ons onderzoek. Zo ja, dan worden ze in een van de drie groepen ingedeeld. Ze krijgen of de gangbare psychotherapie, of de gangbare medicatie of de nieuwe netwerkbehandeling. We leren behandelaars hoe zij het netwerk met de patiënt kunnen bespreken en hoe zij het netwerk kunnen beïnvloeden.”

Revolutie

Nu slaat ongeveer de helft van de behandelingen aan. “Dat lijkt weinig, maar dit is vaak niet anders bij ernstige lichamelijke ziektes.” De verwachting is dat mensen na de nieuwe netwerkbehandeling er beter aan toe zijn en minder snel een terugval hebben. “We blijven hen nog twee jaar volgen.”

Mocht dit model en de bijbehorende therapie inderdaad succes hebben, dan kan dat een revolutie in de psychologische wereld betekenen. “Snel zal dat niet gaan. Sowieso zitten we dan aan het eind van het onderzoekstraject, over tien jaar. Daarbij heeft zoiets tijd nodig, dat zag je ook bij bijvoorbeeld de cognitieve gedragstherapie. Er was al bewijs voor de superieure effectiviteit van cognitieve gedragstherapie (cgt) in de jaren ‘80, maar het duurde wel twintig jaar voordat cgt ook de voorkeursbehehandeling werd. Mensen moeten wennen aan iets nieuws, dus we moeten ze er veel aan blootstellen. Dat doen we door samen te werken met de praktijk – we hebben ook een klinische adviesraad in onze organisatiestructuur opgenomen – maar ook door onze visie te delen op congressen, in workshops en lezingen.”

Goede sfeer

Er komen dus spannende tijden aan. Net zo spannend als haar decanaat? Bij haar aantreden in 2016 werd Jansen ook geïnterviewd door Observant. Haar stijl noemde ze indertijd “direct, open, eerlijk, helder, geen verborgen agenda. What you see is what you get. En ik ben niet bang, ook niet voor de grote bazen.” Heeft dat haar de afgelopen drie jaar in de problemen gebracht? Lachend: “nee, het was altijd prima. We hebben ook gewoon een leuk managementteam (het college van bestuur en de decanen, red.). Er is onderling respect en er wordt veel gelachen.”

Gelachen wordt er ook veel op de faculteit zelf, en dat is iets waar Jansen trots op is. “Toen ik kwam was de sfeer ook al prima, en dat is-ie nog steeds. Mensen vinden het leuk om hier te werken. Sommige afdelingen liepen niet altijd even lekker, maar dat zijn nu goed geoliede machines.” Hoe dat komt? “In principe vertrouwen we iedereen. Er zit vast weleens een rotte appel tussen, maar daar gaan we geen beleid op maken. De meeste mensen doen hartstikke hun best.”

Onderwijslast

Twee dingen stonden hoog op haar lijstje in 2016: het aanpakken van de hoge werkdruk en het binnenhalen van onderzoeksgeld. Onder Jansens leiding werd de onderwijslast anders verdeeld. Zo streeft de faculteit ernaar dat wetenschappelijk medewerkers hun tijd iets beter tussen onderwijs, onderzoek, het aanvragen van subsidies, valorisatie en leiderschap kunnen verdelen. Ook wie een onderwijscarrière nastreeft, krijgt in dit systeem meer erkenning.

Ook werd het Robin Hood-fonds opgericht voor onderzoekers die promovendi in dienst willen nemen, maar geen externe subsidie hebben om dit te kunnen betalen. Het geld voor het fonds komt van collega’s die wel succesvol zijn in het binnenhalen van subsidies. “Want ik zal de eerste zijn om toe te geven dat de subsidietoekenning binnen de gammawetenschappen, met zulke geringe honoreringspercentages, toch iets wegheeft van een loterij.”

Van Rijn

Wondermiddelen zijn het niet.  “De werkdruk onder docenten is nog steeds erg hoog. Dat heeft ook met de cultuur te maken. Wat mensen van zichzelf verwachten en wat ze denken dat wij van ze verwachten. Dat hebben we geprobeerd te relativeren. Ik heb liever dat mensen meer op de kwaliteit dan op de kwantiteit letten.  Maar hoe verander je een cultuur? Dat is een ingewikkeld proces waar ik als decaan meer tijd in had willen steken.”

Wat betreft het onderzoeksgeld, dat blijft een belangrijk punt, zeker met de plannen van de commissie Van Rijn (meer geld naar bèta, ten koste van alfa en gamma) in het achterhoofd. “Ik hou mijn hart vast, het raakt me heel erg. We zijn als faculteit niet rijk. We doen duur onderzoek met bijvoorbeeld fMRI,EEG en virtual reality, maar worden gefinancierd alsof we alleen vragenlijsten afnemen en met mensen praten. Ik heb de afgelopen drie jaar regelmatig nee moeten verkopen tegen mooie initiatieven, puur om financiële redenen. Als het nu al zo lastig is, hoe moet het dan in de toekomst?”

Tot slot, wat heeft ze de afgelopen jaren geleerd? “Ik vond het interessant om te merken dat veel met gezond verstand te maken heeft. Thuis kijk je ook eerst in je portemonnee voordat je iets koopt en ben je ook aardig en beleefd tegen elkaar. Verder leer je veel over de problemen die bij de verschillende afdelingen spelen, de mensen die er werken en wat zij nodig hebben. Je ziet veel meer dan wanneer je gewoon hoogleraar bent. Ik gun het iedereen om een tijdje decaan te zijn.”

 

Zwaartekrachtprogramma

Met het zwaartekrachtprogramma wil het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap toponderzoek stimuleren. Zes groepen wetenschappers van verschillende Nederlandse universiteiten hebben in totaal 113,8 miljoen euro gekregen om tien jaar lang fundamenteel onderzoek te doen. Bijna twintig miljoen daarvan gaat naar het consortium van Anita Jansen. Naast Jansen zullen ook de professoren Anne Roefs (UM), Merel Kindt (UvA), Reinout Wiers (UvA), Bernet Elzinga (Leiden University) en Andrea Evers (Leiden University) een thema leiden. Het is de eerste keer dat de Universiteit Maastricht ‘penhouder’ is van een zwaartekrachtstudie.

 

 

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)