Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

Het kan: 100 procent open access

Het kan: 100 procent open access

UM ondertekent DORA-verklaring

Open access publiceren heeft de afgelopen jaren een hoge vlucht genomen. Grote uitgeverijen zijn overstag gegaan en de toegankelijke tijdschrijften zitten in de lift. Maar hoe staat het aan de UM? Hoeveel Maastrichtse publicaties zijn voor iedereen beschikbaar? Doen de jonge onderzoekers het ook, of alleen de arrivé’s? Deze week is het weer Open Access Week, op touw gezet door de Universiteitsbibliotheek (UB).

Universiteiten die met belastinggeld wetenschappelijke artikelen schrijven, maar zich vervolgens blauw betalen om ze te kunnen lezen - dit vanwege de torenhoge abonnementskosten van uitgevers. Nee, dat is niet meer van deze tijd.

Aan de UM hebben zo goed als alle onderzoekers op zijn minst één keer meegeschreven aan een open access publicatie, zegt Ron Aardening, die zich bij de UB bezig houdt met wetenschapscommunicatie en publiceren. Dat is een vermoeden. Wat vast staat is dat de helft (52 procent) van de Maastrichtse artikelen inmiddels vrij toegankelijk zijn, zoals blijkt uit intern onderzoek. Daarmee loopt de UM in de pas met andere universiteiten in Nederland. Leiden voert die lijst aan (60), Twente is hekkensluiter (44).

De verschillen per faculteit zijn aanzienlijk. Aan de UM publiceerde de Faculteit Science & Engineering in 2018 relatief de meeste open access artikelen: de helft van in totaal 167 publicaties. De medische faculteit zit op 44 procent, maar de teller toont wel 3233 artikelen. Rechten bungelt onderaan met 29 procent, van de 130 stukken. In totaal – dus wel en niet vrij toegankelijk - zijn aan de UM vorig jaar 4062 peer reviewed artikelen van de band gerold.

Aan deze percentages per faculteit moeten we niet al te veel conclusies verbinden, waarschuwt Aardening. “De cultuurverschillen tussen de vakgebieden zijn groot. In de hoek van FSE, in de exacte wetenschappen, is het gangbaar om artikelen in de vorm van zogenoemde preprints te delen met peers, die openlijk commentaar geven. Daarna belanden ze in speciale Archives. Later verschijnt soms nog een publicatie, maar soms komt er geen uitgever meer aan te pas.”

Google Scholar

Open access kent meerdere gezichten. Er is de zogeheten gouden route, waarbij een artikel in een voor iedereen toegankelijk tijdschrift is te lezen, downloaden en hergebruiken; de bronzen route, waarbij het artikel alleen is te lezen en te downloaden. En de groene route. Hierbij schuilt de (opgemaakte) uitgeversversie achter een paywall, maar is de platte tekst – de auteursversie - in te zien en te downloaden via een online archief, van de universiteitsbibliotheek bijvoorbeeld.

Aardening: “Via de groene route kunnen we buiten de uitgevers om toch aan 100 procent open access komen. We gaan voortaan met alle UM-onderzoekers van wie het artikel achter een paywall belandt, alsnog contact opnemen. Tot nog toe deden we dat alleen bij promovendi. Voor de vindbaarheid op internet maakt het niet uit. Het archief van de UB is in de treffers van Google Scholar net zo zichtbaar als de journals.”

Breed publiek

Doen alleen de gearriveerde hoogleraren aan open access, of ook de jonkies die hun sporen nog moeten verdienen? Het is juist andersom, zegt Aardening, op grond van maandelijkse workshops die hij geeft voor graduate schools. “De jonge onderzoekers zijn er meer mee bezig dan de oudere, die al jaren publiceren in dezelfde, favoriete journals. Daar hebben ze al vaker in gestaan, daar kennen ze de editors.”

Jongeren zitten nog niet in zo’n groef en kiezen vaak voor toegankelijke tijdschriften. “Ook omdat de tijden zijn veranderd. Tien jaar geleden stelde het aanzien van deze journals niet veel voor, inmiddels wel. Genome Biology en Nature Communications hebben factor 12, wat hoog is. Net als 11 van Science Advances, en 8 van PloS Medicine. Bovendien, als iedereen het kan lezen, kan die beschikbaarheid meer citaties opleveren.”

Daar komt bij dat ‘jongeren’ tegenwoordig meer waarde hechten aan maatschappelijke relevantie, wat past in de hedendaagse trend om onderzoekers niet alleen te beoordelen op hun publicaties maar vooral op de societal impact daarvan. “Dus als je wilt dat beleidsmakers zich iets gelegen laten liggen aan je resultaten, dan moet je zorgen dat je zichtbaar bent, dat je publicaties voor iedereen te lezen zijn, maar ook dat je die vertaalt naar een breed publiek. Dat je daarover twittert, blogt en lezingen geeft. Je bent je eigen merk geworden.”

Eigendomsrechten

Toch zit open access-publiceren nog niet in “de hoofden en harten” van onderzoekers, is de ervaring van Erik Driessen, hoogleraar medisch onderwijs en hoofdredacteur van het open access-tijdschrift Perspectives on Medical Education. “Promovendi wegen bij de keuze voor een tijdschrift de impactfactoren mee, de reputatie en het inhoudelijke accent van een journal. Zelden denken ze na over de vraag: zal ik open access publiceren of niet? Dat doen ze pas als het tijdschrift van hun keuze die optie aanbiedt. Je kunt ook in traditionele tijdschriften open access publiceren. Al kost dat soms een flinke smak geld. Het British Medical Journal vroeg laatst drieduizend pond exclusief BTW. In overleg met de betreffende promovendus hebben we dat niet gedaan.”

Ook hebben de meeste onderzoekers geen flauw benul van de consequenties van plaatsing in traditionele vakbladen. “Ze houden zich niet bezig met de kleine letters, maar daar staat bijvoorbeeld wel in dat auteurs de intellectuele eigendomsrechten overdragen aan het journal. Dus als je er voor het eerst hebt gepubliceerd over een vragenlijst om zeg de gevoeligheid voor suikerziekte te meten, dan kan een journal wijzen op de copy rights als je daarover later in een ander blad wil schrijven. Doen ze meestal niet, maar dat kunnen ze in theorie wel.”

DORA

De Maastrichtse Open Access Week staat dit jaar in het teken van Open Science, een beweging die niet alleen pleit voor toegankelijkheid van artikelen, maar onder meer ook voor open uitwisseling van ruwe onderzoeksdata tussen wetenschappers.

Ook in het verlengde van open science ligt de ondertekening van de ‘San Francisco Declaration on Research Assessment’ door rector Rianne Letschert op vrijdag 25 oktober. Via deze zogenoemde DORA-verklaring, inmiddels door 1200 organisaties wereldwijd ondertekend, verplicht de UM zich om onderzoekers en hun werk niet louter te beoordelen op het aantal publicaties en de impactfactoren van de vakbladen waar ze in staan. Maar ook op de wetenschappelijke of maatschappelijke impact van de publicaties. Wat hebben ze teweeggebracht? Hebben beleidsmakers ze opgepikt? Zijn ze een leidraad geweest voor verbeteringen?

Nederland op kop

In vergelijking met de omringende landen loopt Nederland voorop in de open access-mars. Waren in 2012 slechts 20 procent van alle wetenschappelijke publicaties voor iedereen vrij toegankelijk, in 2016 stond de teller op 44 procent. Nederland wordt op de voet gevolgd door Groot-Brittannië (43 procent) en Zwitserland (42). De Verenigde Staten (40) staat op plaats vijf, en België (36) op plaats 10. China is hekkensluiter (23). Aldus de gegevens van Web of Science.

Categories:Categorieën:
Tags:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)