Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

Mijn vader zei: ‘Als je te veel leert, kun je gek worden’

Mijn vader zei: ‘Als je te veel leert, kun je gek worden’

Photographer:Fotograaf: Joey Roberts

Ria Wolleswinkel, de moeder van de rechtenfaculteit neemt afscheid

Als middelbare scholier droomde Ria Wolleswinkel van een Simone de Beauvoir-bestaan. “Ik vond het wel uitdagend, het idee dat je doceert en schrijft, dat je uit een koffer leeft en niet zo’n heel huishouden hebt.” Ze zocht naar rolmodellen die totaal anders waren dan thuis, een boerenfamilie met koeien, varkens en kippen. Naar een universiteit? Dat had ze toen nóóit bedacht. Ze nam afgelopen vrijdag afscheid van de Maastrichtse rechtenfaculteit. Ze behoorde tot de eerste lichting studenten en werkte er vervolgens als docent, wetenschapper en opleidingsdirecteur. Alma mater, de zorgende moeder: die eretitel kreeg ze vrijdag mee.

“Leren werd thuis gestimuleerd, maar mijn vader zei ook: ‘Als je te veel leert, kun je gek worden’. Dat was gebeurd met de beste jongen uit zijn klas.” En dat snap ik wel. Je moet niet te veel gaan doordenken”, zegt Ria Wolleswinkel (1953).
Thuis in Renswoude, in de Gelderse Vallei, in een protestants-christelijk boerengezin, had haar vader het liefst gezien dat zijn dochter televisieomroepster werd. “Dat vond hij geweldig! Wij hadden als een van de eersten in de omgeving een televisie. Mijn ouders hadden goed geboerd met hun bedrijf, vooral toen er later kippen bij kwamen. Mijn moeder mocht kiezen: een auto of een televisie. Ze waren trouwe NCRV-kijkers; die omroepsters spraken mijn vader wel aan. Zo had je Els Buitendijk, maar mijn vader verhaspelde namen – ik heb hem daar vreselijk om uitgelachen, terwijl ik nu hetzelfde doe – en noemde haar Bets Buitenhuis. Mijn moeder heette Bets”, lacht ze. “Dat zijn van die gevleugelde grappen. Het was een vrolijk gezin.”
Bij de NCRV heeft ze nooit gesolliciteerd, maar de journalistiek stond wel op haar wensenlijst. De schrijvende variant dan. Ze meldde zich bij de School voor Journalistiek in Utrecht, maar werd uitgeloot. Sociologie aan de Utrechtse universiteit volgde, maar hoewel ze het studentenleven prachtig vond, gaf ze er in het tweede jaar de brui aan. Wolleswinkel wilde met ‘de poten in de modder’ staan. Uiteindelijk vond ze haar draai op de sociale academie. Tijdens een vakantie in Normandië leerde ze haar man André Knottnerus kennen met wie ze later - samen met hun oudste zoon, de jongste was nog niet geboren - naar Maastricht verhuisde.

Opstandig
Wolleswinkel startte als een van de 98 studenten in september 1982 aan de rechtenopleiding in Maastricht. “Ik wilde de taal van juristen begrijpen, wilde weten hoe het recht werkte.” Met die overtuiging had ze haar baan opgezegd in een psychiatrisch ziekenhuis in Castricum na er zes jaar te hebben gewerkt als maatschappelijk werkster. Een functie die nog niet bestond voor de groep chronische patiënten, vertelt ze. “De tijd was er rijp voor, ook zij hadden een stem, we betrokken de patiënten bij belangrijke beslissingen. Er kwamen bewonersgroepen, zo’n wekelijkse vergadering, van zeven tot half negen, waar ontzettend werd gerookt.” Wolleswinkel nam het project ‘beschut wonen’ op zich, over nieuwe huisvestingsplannen. Ze zat om de tafel met ambtenaren, veelal juristen, van de provincie – “die moesten geld geven, het was een provinciaal ziekenhuis”. Het was een wereld van procedures en regels. “Ik liep daar met al mijn idealisme tegenaan. Die ambtenaren vonden de plannen fantastisch, maar ze pakten ze voor mijn gevoel af om er vervolgens nota’s overheen te schrijven. Ik begreep die mensen niet, ze zaten voor mij op een andere golflengte.” Wolleswinkel voelde bij haar tafelgenoten geen medeleven met ‘haar’ patiënten. “Ze leken niet te begrijpen hoezeer mensen kunnen lijden”, vertelt ze. “Ik werd er opstandig van.” Maar in plaats van gefrustreerd te blijven, besloot ze zich de juridische taal eigen te maken. “Majoor Bosshardt is mijn grote inspiratiebron; ik liep begin jaren zeventig stage in haar Goodwillcentrum in Amsterdam [het Leger des Heils, red.]. Zij had me geleerd dat kwaad zijn niets oplost. ‘Als je iets niet snapt, moet je zorgen dat je het snapt’, zei ze dan.” Wolleswinkel heeft nog jarenlang met haar gecorrespondeerd. In 2007 overleed Bosshardt.

Fraudecheck
De nieuwe rechtenopleiding in Maastricht werkte als een magneet op mensen uit de regio. “Er werd in een onderwijsgroep soms zelfs overgeschakeld op het dialect.” Ze vond het geen probleem, ‘de Amsterdamse’ voelde zich thuis in het zuiden. De meeste studenten waren eind twintig, zoals Wolleswinkel, of nog ouder. Ze hadden een baan, gezin of eigen onderneming – “er zat zelfs een moeder met een zoon”. Velen hadden gewacht op een universiteit dicht bij huis. Rechten was, net als geneeskunde, volledig in de stijl van het probleemgestuurd onderwijs. Die vorm paste bij Wolleswinkel – “ik ben een doener, ik had niet voor niets een hbo-studie gedaan”. Er werden casussen uit de praktijk besproken, “we namen krantenknipsels mee. Toen lazen studenten nog kranten”, lacht ze. “De huidige generatie haalt op andere manieren informatie boven tafel, maar ik heb wel wat moeite met die ontlezing. Het heeft de laatste jaren voor verdeeldheid gezorgd in de faculteit: de ene helft vond dat we met de tijd mee moesten, met filmpjes en quizzen – en daar zit ook wat in – de andere helft wilde de student weer aan het lezen krijgen. Zo is het ook met schrijven, onontbeerlijk voor een jurist, maar moeten we hen dat leren in een apart schrijfvaardighedenpracticum of hoort het thuis in een hoofdblok waarin de student in een paper de inhoud met het schrijven combineert? Ik denk persoonlijk dat dat laatste een beetje schijn is. Studenten zijn dan geneigd meer op de inhoud te gaan zitten. Vaardigheden moet je oefenen, oefenen, oefenen.” In haar studententijd moest Wolleswinkel na ieder blok een opstel schrijven. En iedere ronde werden studenten willekeurig uitgenodigd voor een fraudecheck van hun opstel. “Ik moest altijd opdraven, ik geloofde niet meer dat het willekeurig was. Ik was een beetje eigengereid, ze geloofden misschien niet dat ik mijn opstellen zelf had geschreven.”

Leed
Rechten van kinderen en vrouwen gaan haar aan het hart. De kiem werd al tijdens haar werk in het psychiatrisch ziekenhuis gelegd. “Dat enorme leed bij vooral de moeders die hun kinderen weinig of zelfs niet mochten zien. Vreselijk. En wrang ook. De gedachte was standaard: contact is niet goed voor het kind. Ik ben ervan overtuigd dat onderling contact juist positief is.” Ze was nog weleens ‘ongehoorzaam’. “Er waren geen regels, maar ik besloot weleens op eigen houtje naar een kindertehuis in Hilversum te gaan om een kaartje van een moeder langs te brengen. Dan kon ik meteen zien hoe het met het kind ging.”
In 1997 verdedigde ze haar proefschrift in Maastricht, wederom over de band tussen kind en ouder. Gevangen in moederschap, gedetineerde vrouwen en het recht op family life luidt de veelzeggende titel. Ze werd vervolgens een van de initiatiefnemers en voorzitters van het Europese netwerk voor kinderen van gedetineerde ouders. Haar expertise bleef niet onopgemerkt. Dat ze in 2017 door de Raad van Europa werd gevraagd om te schrijven aan een aanbeveling over het thema voelt voor Wolleswinkel als kers op de taart. “Zo’n aanbeveling is een politieke boodschap aan alle lidstaten: kinderen van gedetineerde ouders hebben rechten, in welk stadium van het juridisch strafproces van vader of moeder dan ook.” Even naar de actualiteit. Moet Nederland IS-kinderen terughalen uit Syrië? “Natuurlijk, het belang van het kind moet leidend zijn. Wat ik erg vind, is dat het al zó lang speelt. De kinderen leven daar in vreselijke omstandigheden. Het is een zaak van humaniteit.” En hun moeders? “Op het moment dat die vrouwen worden berecht, moet je oog hebben voor het kind, voor zijn of haar sociale netwerk. Ieder kind moet individueel worden benaderd, met een oplossing op maat.”

Angst
Had een beroep als familieadvocaat overigens niet veel beter bij haar gepast? Dan had ze opnieuw met de poten in de modder kunnen staan. “Die verzoeken kwamen er wel na mijn afstuderen, maar ik wilde niet. Als ik zag hoeveel uren er moest worden gewerkt, in de avonduren, weekenden, nee, dat kreeg ik niet geregeld met een hardwerkende man en de zorg voor onze twee kinderen. Ik besloot op de universiteit te blijven, ik had het er naar mijn zin.” 
In 2005 belde toenmalig decaan Aalt Willem Heringa met de vraag of ze opleidingsdirecteur wilde worden. Die functie was vrij nieuw. Had ze daar wel zin in, zeker in een moeilijke tijd waarin er argwanend naar het bestuur werd gekeken? De faculteit had namelijk moeten reorganiseren en bezuinigen. “Er waren blokken afgeschaft, dingen waar mensen met hart en ziel aan hadden gewerkt, we werden streng afgerekend op publicaties. Er was angst. Alles leek ons uit de vingers te glippen. Bovendien viel die reorganisatie samen met de introductie van de bachelor en master-structuur, ook al zo’n herstructurering. Iedereen ging z’n domein bewaken.” Ze voelde dat ze als opleidingsdirecteur veel kon betekenen, “ik wilde vooral dat de faculteit doorging, ik wilde graag iedereen aan boord houden.” Maar wat was precies haar rol? Ze was formeel geen lid van het bestuur, maar mocht ze wel meebeslissen? Er was iets over opgenomen in het nieuwe faculteitsreglement, maar ik vond het niet zo werkbaar.” Dat moest ze zelf uitdokteren. En ze moest zo nu en dan over haar eigen ‘pijn’ heen stappen. “Ik coördineerde de nieuwe bachelor waarin ook voor mij essentiële dingen waren gesneuveld. Daar moest ik mee dealen. Ik heb van huis uit geleerd dat je niet alles kunt vasthouden, niets is eeuwigdurend, zo is het in het leven ook.”

Koffie
Ze was zich aan het voorbereiden op haar pensioen en toen opeens kwam daar die “fantastische” verrassing, afgelopen september in Venetië. Tijdens de diploma-uitreiking van het Europese masterprogramma Human Rights and Democratisation (van de Global Campus of Human Rights) kreeg Wolleswinkel de Global Campus Medal of Honor als erkenning voor haar inzet. In 2004 werd ze directeur van de masteropleiding, later bestuurder van het ‘grotere geheel’: het EIUC, het Europese onderwijs- en onderzoekscentrum waaraan ruim veertig Europese universiteiten zijn gelieerd. Uiteindelijk heeft het centrum zich ontwikkeld tot een global campus met soortgelijke masteropleidingen in de rest van de wereld.
In haar dankwoord, daar in Venetië, benadrukte ze hoe belangrijk het is om in een “global community” te leven “with shared values, working for a better, fair and inclusive world for all and everyone”.
Rechtvaardigheid, iedereen telt mee: een grondhouding waarmee ze is opgevoed. “Mijn moeder had een groot hart voor logees, kinderen, moeilijk opvoedbare jongens die een tijdje op onze boerderij moesten werken, waar mijn vader weer goed mee overweg kon. Ze hielden ook niet van standsverschillen.” Haar moeder heeft haar academische carrière niet mogen meemaken. Ze stierf toen Wolleswinkel 35 was, in 1988. Haar vader zag zijn dochter wel nog promoveren, zij het op een filmpje in het verzorgingstehuis. “Hij was zo’n grappige man. Hij zag die beelden en zei tegen André [in het Veluws dialect, red.]: “Ik had niet gedacht dat ze het zou halen!’ Mijn ouders vonden altijd dat ik te veel hooi op de vork nam: studie, kinderen, een hardwerkende man. ‘Zitten jullie ‘s avonds nog weleens gezellig koffie te drinken?’ wilden ze weten. ‘Nou, nee, niet zo vaak’.”

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)