Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

“Ik lag in het ziekenhuis en dacht: dit is ook leuk”

“Ik lag in het ziekenhuis en dacht: dit is ook leuk” “Ik lag in het ziekenhuis en dacht: dit is ook leuk”

Photographer:Fotograaf: Eigen archief

Alumni over hun dromen: zijn ze uitgekomen?

Hij schreef altijd flinke lappen tekst, complete krantenpagina’s. “Jullie betaalden ons per woord, vandaar”, grinnikt Marc Bonten (1964), in de jaren ‘87 tot ‘89 student-freelancer bij Observant. Het waren uitstekende stukken, maar een toekomst in de journalistiek werd het toch niet. En hij studeerde geneeskunde, maar wilde hij wel arts worden? De twijfel sloeg toe. Intussen is hij hoogleraar en een internationaal vermaard deskundige - hij kreeg een Vici van NWO - op het gebied van infectieziekten. En hij vergadert zich suf.

Om negen uur kan hij gebeld worden, laat Marc Bonten per mail weten. Dat blijkt nogal nauw te luisteren. Als om 8.58 uur zijn telefoon overgaat zit hij nog in de strategievergadering van het Utrechtse academisch ziekenhuis die die morgen om half acht begon. Gek wordt-ie ervan, al die vergaderingen. Het is dat hij geen patiënten meer heeft: “In mijn tijd liep je gewoon naar een collega toe als je over een bepaalde patiënt wilde spreken. Je pakte een kop koffie en dan had je het erover. Nu moet je dat echt ìnplannen, een MDO organiseren…” 

Een wat? “Sorry, een multidisciplinair overleg. Ik ben nu 55, ik ben afdelingshoofd bij medische microbiologie en het leuke is dat je dan aan de knoppen zit. Maar zóveel vergaderen, blijf ik dat nog tien jaar doen? Daar denk ik vaak over na.”

Op de middelbare school had hij nog heel andere plannen. Hij sportte graag, “ik wilde naar de Academie voor Lichamelijke Opvoeding tot ik op mijn zeventiende met voetballen mijn kruisbanden scheurde; ik heb een jaar mank gelopen, kan nog steeds niet goed sporten.” Door een paar operaties maakte hij kennis met het ziekenhuisleven: “Ik dacht, dit is ook leuk.” Helaas, zijn cijferlijst telde mee voor de toelating bij geneeskunde “en die was niet best, dus ik werd uitgeloot. Toen ging ik met een vriend mee naar de School voor Journalistiek in Tilburg, werd aangenomen, sliep daar nog bij vrienden toen mijn vader liet weten dat er een telefoontje uit Groningen was gekomen, dat er een naplaatsing was, dat ik alsnog bij de medische faculteit in Maastricht terecht kon. In die tijd had je nog geen mobieltjes, er moest meteen beslist worden, mijn vader zei: ‘Ik heb gezegd dat je het doet.’”

Bij studeren hoort een studentenleven. “Ja, er waren weinig momenten dat ik daarvan iets gemist heb, haha. En met het onderwijssysteem had je een enorme vrijheid, toetsen halen lukte wel.”

Toch deed hij over de ‘eerste fase’, zoals dat toen heette, niet vier maar zes jaar, van ’83 tot ‘89. “Ik zat een jaar in het bestuur van Koko, werkte in een café, schreef voor Observant en freelance ook voetbalverslagen voor De Limburger. En ik twijfelde zo of ik wel arts wilde worden dat ik een jaar Nederlands Recht heb gedaan, dan hield ik in ieder geval mijn studiebeurs. In dat jaar heb ik een paar conclusies getrokken over mijn toekomst: niet rechten, niet het café, ook niet de journalistiek. Wel: onderzoek doen bij geneeskunde, daar was ik ingerold via een studentassistentschap. Want als journalist schrijf je over de prestaties van anderen, als wetenschapper creëer je zelf iets.”

De jaren rond 1990. “Ik liep een coschap in Leiden bij de afdeling infectieziekten, de aidsepidemie begon aan haar opmars, dat was nieuw, en onbegrepen. Jonge mensen met vreselijke ziektebeelden, ze gingen dood. Ik wilde er alles over weten.”

Infectieziekten en de toenemende resistentie tegen antibiotica, dat werden zijn onderwerpen. Een studentassistentschap leidde uiteindelijk tot een promotie in ’94, in het jaar daarop vertrok hij voor een half jaar naar Chicago, “ik was nogal ambitieus, zocht aansluiting bij de ‘leiders in het veld’”

Hij werd een expert, haalde met zijn waarschuwingen tegen antibioticaresistentie het NOS-Journaal. “Ik was een van de eersten die het op de agenda zetten. Maar intussen denk ik er anders over. Nu zeg ik: niet overdrijven, althans niet in landen als Nederland, het is niet het einde van de wereld, er zijn veel grotere problemen dan dat. Er komen wel weer nieuwe antibiotica, en ook: maak vooral werk van preventie. Van infecties, maar ook doordat je de verspreiding van de resistentie tegengaat. Daar zijn wij in de westerse wereld veel beter in dan in arme landen. Daar is of wordt het nog wèl een groot probleem.”

Wetenschap is zijn leven. En dat werd het des te meer toen hij in ’98 naar Utrecht vertrok en de relatie met zijn vriendin na bijna tien jaar op de klippen liep. “Het was een beetje op. Maar leuk was het niet. Ineens zat ik daar in mijn eentje in een stad die ik niet kende en met collega's die veelal druk waren met een jong gezin. Dan duurt het wel eventjes voordat je weer een netwerk hebt. De herinnering aan Maastricht hielp ook niet, want daar legde Utrecht het steeds tegen af.” Nieuwe vriendinnen? Jawel, die waren er “maar ze bleven nooit zo lang”.  

Het had ook voordelen. Hij werkte hard, maakte grote sprongen in zijn carrière, “ik was aan niks of niemand gebonden, nam zo het vliegtuig voor een lezing in de VS, of Barcelona. Natuurlijk was ik af en toe eenzaam, maar ik zat niet stilletjes te kniezen hoor.” 

In 2005 kwam er een vriendin die bleef en die nu zijn vrouw is: “Helen Leavis, ze is internist en een veel betere dokter dan ik ooit was”. In 2010 werd een zoontje geboren, er volgden nog twee dochters. “Ik ben een ouwe vader, maar ja, ik zeg altijd: de eerste 45 jaar van mijn leven waren voor mij. Ik ben wel een lieve vader geloof ik, af en toe moet je streng zijn, het zijn drie eigenwijze typetjes, net als wij dus.”

Schrijf je nog wel eens? “Jawel, een blog, in het Engels, op een site over infectieziekten, uit de heup geschreven zeg maar, ik word er veel op aangesproken. En mijn zoon wil schrijver worden, hij is al bezig, een semi-autobiografisch boek over een negenjarig jongetje dat voetbalt. Hij laat dat aan ons lezen, hartstikke leuk.”   

(On-)vervulde dromen

In 2003 vroegen we Maastrichtse studenten naar hun toekomstdromen. Hoe staat het daarmee anno 2019? Zijn ze uitgekomen? In dit jubileumjaar (Observant wordt 40!) zoeken we hen, rond de veertig inmiddels, opnieuw op. Niels van der Laan was in 2003 als studentjournalist verantwoordelijk voor het leeuwendeel van de portretten, en ook nu neemt hij een flink aantal voor zijn rekening. Behalve bovengenoemde alumni, vragen we ook oud-studentenjournalisten van Observant naar hun (on-)vervulde dromen.

Categories:Categorieën:
Tags:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)