Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

Boek over hoe Vughtenaren de kamptijd hebben beleefd

Boek over hoe Vughtenaren de kamptijd hebben beleefd

MAASTRICHT. ‘Heel veel Vughtenaren wisten niet eens dat (er) een concentratiekamp was’, vertelde een gids van het Nationaal Monument Kamp Vught tijdens een tentoonstelling in 2010. Onjuist, zegt historicus Boyd van Dijk. “De werelden van het kamp en het naastgelegen dorp waren juist nauw met elkaar verweven.” Onlangs verscheen zijn debuut Leven naast het kamp.

Toen in 1942 steeds meer joden werden vervolgd in Nederland, wilden de Duitsers de bestaande doorgangskampen vergroten, schrijft historicus Boyd van Dijk (1987), tot september docent aan de Universiteit Maastricht en sindsdien promovendus aan het European University Institute in Florence. Maar uitbreiding van Kamp Amersfoort was geen optie. Het zag er volgens Rauter, de hoogste SS-baas in Nederland, “wanordelijk” uit met “vieze barakken”. Hij besloot dat er een nieuw kamp moest komen. “De Vughtse Heide was een uitgelezen plek voor zo’n kamp. Het natuurgebied bood beschutting door de grote formaties dennenbomen en was bovendien in handen van de Nederlandse overheid, waardoor het overnemen ervan voor de Duitsers relatief eenvoudig was.” Vught werd ook wel het Bloemendaal van Brabant genoemd, een katholiek dorp met 15 duizend inwoners.
Op 13 januari 1943 arriveerde het eerste transport van 250 ondervoede gevangenen uit Amersfoort. Ze trokken door het centrum naar de rand van het dorp waar het kamp lag. Ruim anderhalf jaar later, in september 1944, werd het ontruimd.

Van Dijk: “Kamp Vught is niet in één term te vatten. Het was niet zo dat álle Vughtenaren collaboreerden met de SS, dat ze allemaal ingrepen, of dat alle Vughtenaren aan de zijlijn stonden – al lag de nadruk sterk op het laatste.” Van Dijk laat in acht hoofdstukken talrijke karakters en verhaallijnen de revue passeren. Zoals de vleeshandelaar die op grote schaal vlees leverde aan de Duitsers in het kamp, hulpverleners die boterhammen smeerden voor de gevangenen, een Vughtse meid die verliefd werd op een Duitse militair en de spoorwegbeambte die bijna dagelijks getuige was van de gevangenentransporten. Van Dijk citeert uit het verhaal van diens dochters: “Op een ochtend werden wij wakker en zagen moeder: ‘Moeder, wat is er met u gebeurd? Je hebt een zwart oog.’ Moeder zei: ‘Och, zeg maar niks. Vader is tekeer gegaan vannacht.’ Toen bleek hij moeder een blauw oog te hebben geslagen. In zijn dromen was hij bezig om de Duitsers te verslaan.”
Een ander aangrijpend verhaal van een jonge verpleegster die in de buurt van het kamp woonde en in de nacht af en toe werd opgeschrikt door luide kreten uit het bos: “We kropen bij elkaar in bed met een kussen op ons hoofd van pure machteloze ellende. Je hield het niet meer uit (…) Het walgelijke was dat je niets kon doen. Je moest het horen en je lag daar en werd naar mijn gevoel in zekere zin medeplichtig gemaakt.”

Je hebt gekozen voor Kamp Vught. Waarom niet voor Westerbork of Amersfoort?

“Het is een interessante case. Kamp Vught is tijdens de oorlog gebouwd. Bovendien werd het door de SS in Berlijn bestuurd. Het was behalve een doorgangskamp voor joden ook een klassiek SS-concentratiekamp voor politieke gevangenen. Het moest lijken op Dachau qua structuur en onderdelen. Het was een behoorlijk kamp, ongeveer vijftien voetbalvelden groot. Het zou uiteindelijk plaats moeten bieden aan meer dan 10 duizend mensen. Zeker voor dorpse begrippen was het een zeer omvangrijk project waar de nodige manuren en geld in zijn gaan zitten. Bovendien kende ik de omgeving aardig, waardoor ik makkelijker met de Vughtenaren in contact kon komen.”

Wisten de Vughtenaren wat er werd gebouwd?

“In het begin was er veel onduidelijkheid. Sommigen dachten dat het ging om een vliegveld of een ziekenhuis. Dat kan wel verklaren waarom het eerste gevangenentransport een schokgolf in het dorp teweegbracht. Mensen waren boos, ontzet. Er waren zelfs kleine relletjes. Maar langzamerhand zie je die onvrede naar de achtergrond verdwijnen en plaats maken voor passiviteit. Ze hielden steeds meer afstand, om verschillende redenen: angst, onverschilligheid, een houding van ‘het is niet mijn zaak’. Tegelijkertijd zie je dat die afstandelijkheid ook te maken had met andere factoren zoals het stilvallen van het verenigingsleven. Mensen ontmoetten elkaar steeds minder, men richtte zich meer op zichzelf. Toch waren er ook Vughtenaren die wel hulp verleenden en hun leven waagden. En dan had je nog de arbeiders en leveranciers die aan de slag gingen voor de Duitsers. De een zag het puur als winstbejag, een ander handelde uit angst (liever in het kamp werken dan gedwongen arbeid verrichten in Duitsland). Daarnaast werd menig werkloze gelokt met hoge lonen.”

Mag je een parallel trekken met andere kampen?

Historici zijn altijd huiverig voor grote parallellen, maar je ziet dat Vught op een aantal punten sterk overeenkomt met bijvoorbeeld Mauthausen. Je herkent de afstandelijkheid in beide plaatsen en je ziet dat de lokale overheid heeft geprobeerd om het kamp en de gemeente te scheiden. Ze wilden de inwoners in het ongewisse laten over dat ene kamp verderop. Ze waren bang dat het geweld en de problemen in het kamp zouden overslaan naar de omgeving. Een verschil is natuurlijk wel dat het ene kamp in nazi-Duitsland lag en het andere in bezet Nederland. In Mauthausen had men een sterk gevoel voor het nationaalsocialisme, terwijl de meeste Vughtenaren de NSB’ers haatten.

In De Volkskrant wordt het boek vergeleken met een andere recente publicatie, Een kleine stad bij Auschwitz van Mary Fulbrook. Vrij Nederland haalt er nog een boek bij: Landgenoten van de Deen Bo Lidegaard. Raken historici steeds meer onder de indruk van de rol van omstanders?

“Ik vind het alleen maar te prijzen dat historici naar die rol kijken, het kan meer verheldering geven over onze Europese geschiedenis. Vorig jaar verscheen Wij weten niets van hun lot van historicus Bart van der Boom (een studie naar de vraag wat gewone Nederlanders wisten van het noodlot dat de joden te wachten stond, red.). Het is interessant en wetenschappelijk relevant om uit te zoeken wat er gebeurt met mensen die als omstander bij de jodenvervolging betrokken raakten.”

Je hebt veel getuigen gesproken. Hoe verliepen die gesprekken en wat is je het meest bijgebleven?

“Voordat je het weet zit je bij de mensen thuis of in bejaardenhuizen. Het was niet altijd gemakkelijk, want wat moet je als historicus met die herinneringen? Sommige zijn misschien wel vertekend; er zijn mensen die dingen vergoelijken, hun eigen gedrag verheerlijken. Lastig, maar tegelijkertijd ook boeiend omdat het veel vertelt over hoe ze zich de kamptijd herinneren. Opvallend genoeg heb ik ook heel wat mensen geïnterviewd die nog nooit in hun leven over het kamp hebben gesproken. Sommigen vonden het fijn om hun verhaal te vertellen aan mij, aan de jongere generatie. Anderen waren blij dat ze überhaupt een keer gehoord werden. Natuurlijk waren er ook mensen die het wilden laten rusten.

Ik werd geraakt door het verhaal van het gezin Vink (pseudoniem), een katholiek arbeidersgezin van tien kinderen. Een van de jongens had enkele uren in het kamp vast gezeten omdat hij te dicht bij het kampspoorlijntje was gekomen, een andere broer werkte voor een van de kampaannemers en hun zus Liesbeth kreeg een relatie met een kampbeul. Ik las in aangrijpende getuigenverslagen wat die had misdaan. Toen ik Liesbeth Vink in 2010 sprak – net als haar broer, ook in de tachtig – zei ze over hem: ‘Ja, ik was naïef. Ik wist dat hij van het kamp was, maar heb er niet verder bij stilgestaan of willen staan. Maar over die mishandelingen heb ik nooit geweten. Dat vind ik heel erg (…). Gelukkig heb ik geen kind van hem gekregen.’

Dat kampverleden heeft het gezin achtervolgd, maar ze spraken er nooit over. Zoveel jaar na dato is het dan toch boven water gekomen, hoewel een aantal aspecten van hun familiegeschiedenis vermoedelijk nog steeds onbesproken blijven. Te gevoelig.”

Vielen er veel doden in Vught?

Uit de laatste cijfers blijkt dat in en rond Kamp Vught zo’n 750 mensen zijn omgekomen. In andere kampen in Nederland en België zijn aanmerkelijk minder slachtoffers gevallen. In het begin, in januari en februari 1943, stierven veel gevangenen aan ziekte of ondervoeding (tekort aan voedsel, drinkbekers, goede kleding, veel voorzieningen waren nog in aanbouw, gebrekkige sanitaire voorzieningen). In de zomer van 1944, toen de bevrijding nabij was, kwamen de executies op gang. Vught was de meest dodelijke vierkante kilometer van Nederland in bezettingstijd.

 

 

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)