Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

Een Weinstein-affaire als wake-up call

Een Weinstein-affaire als wake-up call

Photographer:Fotograaf:

Loraine bodewes

Serie wetenschappelijke integriteit: deel 6

Als promovendus sta je op het punt om een artikel in te dienen bij een tijdschrift. Net daarvóór mailt een ervaren collega dat hij als coauteur vermeld wil staan. Je zit ermee in je maag, want de collega heeft geen vinger uitgestoken. Wat doe je?

Erik Driessen, hoogleraar medisch onderwijs, was koud aan zijn eerste baan als onderzoeker in Maastricht begonnen, toen hij een paper schreef over multiple choice-vragen. Of je daarmee ook zaken als inzicht in de stof mee kunt toetsen. Het artikel was niet bedoeld voor publicatie in een vakblad maar ten behoeve van het Maastrichtse faculteitsbestuur.

“Mijn collega zei: ‘Stuur het maar naar mij, dan zorg ik dat het bij het bestuur terechtkomt.’ Dus ik doe dat en ontdek kort daarna dat ze niet alleen haar naam had toegevoegd maar zichzelf ook als eerste auteur had opgevoerd. Ik weet nog goed hoe boos ik was, hoe diep mij dat raakte. Het was mijn eerste grote opdracht, ik had alles tot in de puntjes uitgezocht, en nu ging een ander ermee aan de haal. Ze zei: zo gaat dan nu eenmaal, ik ben per slot je leidinggevende!”

Gefraudeerd

Als de emoties bij interne stukken al hoog op kunnen lopen, moge duidelijk zijn hoe explosief het er bij een wetenschappelijke publicatie aan toe kan gaan. Auteurschap is een mijnenveld, vooral in die vakgebieden waar onderzoek in teamverband gebeurt. Het draait allemaal om de lijst met auteurs die boven de tekst prijkt. De eerste (hoofdonderzoeker) en de laatste (begeleider) naam zijn het belangrijkste, daartussenin loopt het op.

Een lage positie of gepasseerd worden, leidt tot scheve ogen, teleurstelling, maar ook splijtende ruzies. Niet zo vreemd, want er hangt veel van af. Hoe vaker je naam onder een publicatie staat, hoe meer gezag, aanzien, erkenning, en hoe groter de kans op subsidie.

“Het aantal vermeldingen is de valuta van de wetenschap”, zegt Driessen. “Soms letterlijk, er zijn in het buitenland faculteiten die een bonus uitbetalen per paper.”

De regels voor het medische circuit, opgesteld door een groep hoofdredacteuren van vaktijdschriften (ICMJE), zijn glashelder.  Als auteur heb je een ‘substantiële’ bijdrage geleverd aan het onderzoek, je hebt meegeschreven dan wel geredigeerd, je hebt de laatste versie goedgekeurd en je neemt de volledige verantwoordelijkheid voor het artikel. Dus als er iets misgaat, als een van de auteurs bijvoorbeeld tijdens de dataverzameling blijkt te hebben gefraudeerd, kan de rest niet meer aankomen met: ‘Bij dat deel van de studie was ik niet betrokken.’ 

Grijze situaties

Hoe helder de regels ook zijn, de werkelijkheid is vele malen complexer, zegt Driessen, die samen met Canadese en Amerikaanse collega’s onderzoek heeft gedaan naar auteurschap en daarvoor wetenschappers interviewde. “We waren verbaasd over het uitgestrekte grijze gebied dat opdoemde. Wat te denken van een senior-onderzoeker die goede subsidie-aanvragen kan schrijven en veel onderzoeksgeld binnenhaalt. Daarmee kom je strikt genomen niet in de auteurslijst, maar promovendi noemen hem wel, want zonder zijn aanvragen waren hun studies helemaal niet mogelijk. Bovendien heeft de senior minder tijd om zelf te publiceren. Het is maar een van de vele, ‘grijze’ situaties die we tegenkwamen.”

Nog een: je doet een studie in een niet-westerse cultuur. Het liefst werk je dan samen met lokale onderzoekers die ook als auteur optreden. “Maar wat als ze het Engels nauwelijks beheersen en daardoor niet meeschrijven aan het artikel? Moet je ze dan als auteur laten vallen? Het laat zien dat elke situatie vraagt om een eigen afweging.”

Klinkende naam

Driessen en collega’s waren niet alleen verbaasd maar ook geschokt door de verhalen over misbruik. “Je ziet dat oudere mannen met macht jonge vrouwelijke onderzoekers voor het blok zetten. ‘Ik kan patiënten voor je onderzoek regelen, maar alleen als je me als auteur opvoert.’ Dat komt geregeld voor, net als het standaard vermelden van de vakgroepvoorzitter, wat volgens de regels niet in de haak is. Maar welke aio zegt er iets van? Je moet dan je baas erop wijzen dat zijn verzoek niet kies is.”

Wat ook gebeurt, is dat promovendi het verzoek krijgen om namen op te voeren van wetenschappers die ze nog nooit van hun leven hebben gezien. Maar ook van collega’s die nauwelijks een vinger hebben uitgestoken, zoals in bovengenoemd dilemma. Wat zou Driessen doen als hij in de schoenen van de promovendus stond?

“Ik zou de opdringerige collega in geen geval opvoeren, en dat zou ik ook voorleggen aan het promotieteam. Ik zou daarbij wijzen op de criteria van het betreffende tijdschrift en laten zien dat de collega daar niet aan voldoet. Veel bladen willen tegenwoordig precies weten wat elke opgevoerde auteur heeft gedaan.”

Een andere optie: de promotor inschakelen, die vervolgens in gesprek gaat met de collega. “Ik heb dat als promotor ook een keer gedaan. Ik heb toen duidelijk gemaakt dat het verzoek niet strookt met de ethiek en de onderzoekscultuur van de vakgroep.”

Het omgekeerde komt ook voor: een aio’s wil een klinkende naam opnemen in de auteurslijst omdat het de kansen op publicatie verhoogt. Vergeet het maar, zegt Driessen. “Ik ben zelf hoofdredacteur (van Perspectives on Medical Education) en weet dat klinkende namen ook beroerde artikelen kunnen insturen, dus het is altijd het manuscript zelf dat telt. Dat is ook het enige waarop peer reviewers je beoordelen, zij krijgen immers geen namen van auteurs of instituten te zien.” 

Macht

De dilemma’s rond auteurschap laten zich niet makkelijk uit de wereld helpen, zegt Driessen, niet in de laatste plaats omdat ze taboe zijn. “Bij het koffieapparaat wordt er niet over gesproken, zeker niet als naaste collega’s in het geding zijn.”

Om ellende te voorkomen, zou vóór de start van het onderzoek aan bod moeten komen wat iedereen gaat doen, wie als auteur wordt vermeld en op welke positie. “Daarbij moet niet de junior-onderzoeker maar de senior van de afdeling het voortouw nemen. Het zijn altijd ongemakkelijke gesprekken, die gevoelig liggen. In de VS worden soms contracten hierover opgesteld.”

Ook zouden onderzoeksinstituten een cultuur moeten stimuleren waarin integriteit bespreekbaar is, waarin dilemma’s en casussen onderwerp zijn van discussie, en waarin hoogleraren en aio’s zich bewust zijn van hun macht en afhankelijkheid. “Misschien heeft de wetenschap een Weinstein-affaire nodig als wake-up call.”

 

Kader: Zes dilemma’s

Samen met het Platform voor Onderzoeksethiek en Integriteit heeft Observant zes dilemma’s opgesteld waarmee wetenschappers te maken kunnen krijgen. Die zullen om de week in Observant verschijnen.

Het Platform voor Onderzoeksethiek en Integriteit, dat in 2018 in het leven is geroepen, heeft zich ten doel gesteld om een gezonde onderzoekscultuur aan de UM te bevorderen. En wel door wetenschappers bewust maken van de valkuilen, en het gesprek erover op gang brengen.

Al langer kunnen promovendi de facultaire vertrouwenspersoon inschakelen bij conflicten met collega’s, net zoals elke onderzoeker dat kan doen bij de UM-vertrouwenspersoon. Raakt het conflict aan wetenschappelijke integriteit, dan volgt een melding bij de Commissie Wetenschappelijke Integriteit. Die onderzoekt sinds 2012 klachten van wetenschappelijk wangedrag. Aanleiding was onder meer de Stapel-affaire, waarin een Tilburgse psychologiehoogleraar Diederik Stapel werd ontmaskerd als fraudeur.

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)