Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

"Ik kocht een enkeltje Sydney en vertrok"

"Ik kocht een enkeltje Sydney en vertrok"

Photographer:Fotograaf:

Eigen foto AT

Oud-student International Business Arjan Tiessen

Het interview met wijnimporteur Arjan Tiessen (37) uit Tanzania duurt alles bij elkaar zo’n anderhalf jaar. Het begint via Facebook Messenger. Arjan reageert op mijn berichtje met daarin het verzoek om een interview. “Superleuk man! Ik denk nog wel eens terug aan dat artikel van zestien jaar geleden. Hoe gaat het?” “Goed,” stuur ik terug. “Ik was vandaag om half zeven in het ziekenhuis. Je treft me terwijl mijn vriendin ligt te bevallen van ons derde kind. Het wordt een lange dag vandaag.” Als hij maanden later over is voor familie- en vriendenbezoek spreken we af in een restaurant in Amsterdam. De anderhalf uur die we er voor uittrekken blijkt bij lange na niet genoeg. “We zijn pas halverwege mijn leven,” verzucht hij als ik de rekening vraag. Mijn belofte om hem in Dar es Salaam te bezoeken kan ik door corona niet nakomen en ook een poging hem via Skype te treffen vlak voor het boarden van de eerste vlucht naar Nederland mislukt omdat ik de kinderen te laat in bed heb. Mijn duizendmaal excuses zijn overigens niet nodig. “Dit is Afrika, relax!” Uiteindelijk ronden we af in Heiloo. In de tuin van zijn ouders waar hij veertien dagen in quarantaine zit. Bij vertrek weet ik, die achthonderd woorden van deze serie zijn nooit genoeg. Riki, de hoofdredacteur van Observant, gaat boos op me worden.

Avonturenboek

Na het interview met Arjan zestien jaar geleden kon ik niet bevroeden dat van alle mensen die ik sprak, zijn levensloop zou lezen als een avonturenboek. Goed, hij wilde de wereld zien, nieuwe mensen ontmoeten en andere culturen ontdekken, maar dat hoorde ik wel vaker. Hij wilde namelijk ook vijf kinderen (“drie jongens en twee meisjes, twee jongens voetbalt namelijk zo lastig”) en een baan om hun zwemles te kunnen betalen. Dat klonk allemaal redelijk standaard en zo verliep zijn leven in eerste instantie ook.

Zijn studie bedrijfskunde (“niet erg boeiend, een eenheidsworst waar ik me doorheen moest worstelen”) rondt hij zonder veel moeite af. Met zijn scriptie Optimizing social presence and trust in virtual teams blijkt hij zijn tijd zelfs ver vooruit. “Daar had ik in deze coronatijd geld mee kunnen verdienen.” En hoewel hij na zijn afstuderen niet direct aan de bak komt (“Het was 2009, midden in de crisis, ik heb een tijdlang op beurzen broodjes gesmeerd en sinaasappels staan persen”) vindt hij uiteindelijk een baan als trainee bij Rabobank. De weg naar een burgerlijk leven met het gezin dat hij voor ogen had, lijkt open te liggen.

“Maar ik werd stapelgek. Ik dwong mezelf een standaardleven te leven dat totaal niet bij mij paste. Duizend mailtjes per dag, wat excelletjes naar elkaar sturen, bilateraaltjes. Help!” Hij wordt letterlijk zwaar depressief door “de omgeving die niet klopte met mezelf” en het re-integratietraject waarin hij belandt, leidt nergens toe. “Op een gegeven moment vroeg ik me ter voorbereiding op de door de bank aangeboden babbeltherapie zelfs heel even af of ik het kruisje over zelfmoordgedachten moest aanvinken.” Als zijn contract vervolgens met wederzijds goedvinden wordt beëindigd, begint zijn leven pas echt. “Ik had ruimte nodig en wilde de wereld ontdekken, dus kocht ik een enkeltje Sydney en ging ervandoor.”

John en Mary

Arjan belandt op de ranch van John en Mary, zijn kortstondige surrogaatouders die hem weer op zijn benen trekken. “Ik had het idee dat ik daar moest zijn voor mijn zoektocht naar mezelf. De hele dag grasmaaien, koeien melken en op de prairie schuurtjes schilderen.” Na drie maanden houdt hij het voor gezien, koopt een landcruiser en kiest een willekeurige kompasrichting. Hij strandt letterlijk en figuurlijk in het plaatsje Alice Springs als zijn auto het begeeft.

Het dorp in het hart van Australië bevalt en als hem bij de plaatselijke Randstad wordt gevraagd of hij het bejaardentehuis een tijdje wil runnen, denkt hij: “Ach ja, waarom niet?” Hij komt er verder tot rust. “Ik sprak alleen maar mooie mensen met mooie verhalen. De ene dag vertelde een Aboriginal me over de gold rush en de volgende dag zat ik met zijn demente buurman uren in stilte naar een mooie vogel te kijken.”

Als hij op de camping waar hij verblijft het aanbod krijgt om kanogids te worden in een dorpje drieduizend kilometer verderop, denkt hij opnieuw: “Ach ja, waarom niet?” Zijn auto is inmiddels gerepareerd en hij zet koers naar Albury waar hij maanden de plaatselijke rivier onveilig maakt, maar ook pizza’s bakt en huizen schildert. Iedereen die hem vraagt voor een klus krijgt steevast hetzelfde antwoord: “Ach ja, waarom niet?”

Tante

Zo ook zijn tante die belt. Haar vriendin heeft hulp nodig met een lodge in Tanzania, of dat niet iets voor hem is. En zo verkast Arjan van de ene op de andere dag naar de andere kant van de wereld om het hotel “op te kalefateren”. Hij leert tussen de bedrijven door een beetje Swahili en raakt bevriend met de chief van het naastgelegen Masaï-dorp die hem tijdens een van de maandelijks terugkerende rituele besnijdenissen, zijn 12-jarige dochter ten huwelijk aanbiedt. Arjan bedankt vriendelijk voor de eer.

Illusie armer

Na een jaar is de jeu er wel een beetje af en via via gaat hij aan de slag voor een weeshuis.  “Op twee kilometer afstand boorden we een put van honderdtachtig meter de grond in, bouwden een pomphuis en legden de waterleiding langs de rivier.” Het is een groot succes en hij wordt gevraagd voor een vergelijkbaar project in Botswana. “Dat ging een stuk minder. Ik constateerde al vrij snel dat de boring van de put waardeloos was. Een verloren zaak.” Met de hand en een schep probeert hij alsnog water te vinden, tevergeefs.

Een waterspecialisme rijker, maar een illusie armer, keert Arjan uiteindelijk terug naar Nederland. “Ik ben wat gaan solliciteren her en der, maar vroeg me al snel af: wat doe ik hier? De projecten waren vastgeroest in ouderwets ontwikkelingsdenken. Hun idee is dat het helpt om vanuit een kantoor dagelijks honderd mails te sturen en af en toe als blanke toekan naar Afrika te vliegen om mensen te vertellen hoe het moet. Kansloos. Totaal niet hands on.” Als een oude vriend uit Tanzania hem belt voor een functie bij de grootste wijnimporteur van het land hoeft hij dan ook niet lang na te denken en boekt hij opnieuw een enkele reis.

Huisje aan het strand

Sindsdien is hij specialist Europese wijnen en woont hij in het noorden van Dar es Salaam in een huisje aan het strand. Wat overigens vooral idyllisch klínkt. “Het strand is goor en ligt vol plastic flessen en spuiten.” Hij heeft het erg naar zijn zin in het bedrijf, maar corona gooit roet in het eten. “We richten ons op de premiummarkt, lodges, hotels en restaurants. Daar kwam de afgelopen maanden geen hond meer. We hebben tweehonderdduizend flessen die bij dertig graden langzaam liggen te verpieteren in een loods.” Zijn toekomst is daardoor onzeker.

“Volgend jaar loopt mijn werkvisum af en het is altijd een langdurig en ‘bureaucratisch’ proces om te verlengen.” Het is een cultuur die hem tegenstaat en waarover hij ook niet alles durft te zeggen. “In het zaken doen loop je continu op eieren. Het is, voorzichtig gezegd, onvoorspelbaar.”

Kwetsbaar opstellen

Dan komt de onvermijdelijke vraag op. Is al dat ge-avonturier wel voor eeuwig? Verlangt hij inmiddels niet naar rustiger vaarwater? “Je bedoelt een vrouw, twee komma twee kinderen en een Volvo? Ik kan me er niks bij voorstellen.” Toch zou hij een relatie wel leuk vinden. “Maar het is moeilijk om een geschikte match te vinden. Er is hier een hele kleine poule van interessante vrouwen. De meeste Tanzaniaanse vrouwen werken op het land en daar heb ik niet veel mee gemeen.” Bovendien, zo geeft hij toe, is hij niet de gemakkelijkste. “Ik laat mensen niet snel dichtbij komen. Vind het moeilijk me kwetsbaar op te stellen en heb angst om afgewezen te worden. Ik ben ook bang om mezelf vast te zetten. Dat ik niet weg kan. Dat helpt niet in de zoektocht naar huisje, boompje, beestje. Maar goed, het leven is onvoorspelbaar. Misschien sta ik over een paar jaar alsnog naast het voetbalveld van mijn zoon. Ach ja, waarom niet?”

Niels van der Laan

(On)vervulde dromen

In 2003 vroegen we Maastrichtse studenten naar hun toekomstdromen. Hoe staat het daarmee anno 2020? Zijn ze uitgekomen? In dit jubileumjaar (Observant wordt 40!) zochten we hen opnieuw op. Niels van der Laan was in 2003 als studentjournalist verantwoordelijk voor het leeuwendeel van de portretten, en nam ook het afgelopen jaar  een flink aantal voor zijn rekening. Behalve bovengenoemde alumni, vroegen we ook oud-studentenjournalisten van Observant naar hun (on)vervulde dromen.

Met het verhaal van Arjan Tiessen, opgetekend door Niels van der Laan, eindigt deze serie. 

Categories:Categorieën:
Tags:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)