Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

“Ik ga weg onder protest, zwáár protest”

“Ik ga weg onder protest, zwáár protest”

Photographer:Fotograaf: Loraine Bodewes

Hans Maarse is te laat. En hij had gisteren nog wel aan een van de andere deelnemers gevraagd wanneer en waar hij precies moest zijn. Klaas Westerterp: “Ach hij is misschien al wat ouder …”. Gegrinnik alom.

Drie hoogleraren en een hoofddocent, op of over de rand van het pensioen, blikken terug op hun carrière en geven vooral hun ongezouten mening over de universiteit, studenten, de bureaucratie in onderzoek en onderwijs. Allemaal hebben ze er zo’n dertig jaar opzitten bij de Universiteit Maastricht. Westerterp is de oudste.

En nee, vroeger was echt niet alles beter.

 

Ze kennen elkaar allemaal, maar sommigen kennen elkaar wat beter. Bioloog Westerterp, onderwijskundige Van Berkel en bestuurskundige Maarse zijn alle drie Randwijckers, sterker nog, alle drie van de FHML, nog sterker, alle drie van gezondheidswetenschappen. Alleen econoom Muysken komt van de overkant, de binnenstad.

 

Maarse: Ik begon aan de Universiteit Twente in 1976 als wetenschappelijk medewerker, zo heette toen een universitair docent, gewoon als doctorandus. Je hoefde niet gepromoveerd te zijn, dat is al het eerste verschil met nu. En er was een sterk accent op onderwijs. ‘Schrijf maar een syllabus’, zei de hoogleraar, en die ging je dan bij wijze van spreken voorlezen. Er was totaal geen drang tot publiceren, en dus ook niet tot al die trucjes van tegenwoordig, zoals slicing, zeg maar de salamitactiek, dat je je onderzoek in kleine stukje opknipt en afzonderlijk publiceert om maar veel te scoren; daar hadden we nog nóóit van gehoord.

Van Berkel: Ik begon als kandidaatsassistent psychologie in Amsterdam, daar hielden ze een borrel als weer eens iemand een Nederlandstalig artikel had gepubliceerd. Gemiddeld was dat één artikel per persoon in de twee à tweeëneenhalf jaar, maar het werd echt gevierd. Zo van: nog eventjes en je hebt de Nobelprijs.

Muysken: Dat was de sfeer waarin wij opgroeiden. Publiceren kwam niet ter sprake. Ik zat in Groningen, het was 1972 en ik moest over een jaar maar eens vertellen waarop ik dacht te promoveren. Het thema koos ik zelf, daar gold absolute vrijheid. Ooit is er in mijn vakgroep gestèmd - en dat was bloedserieus - over de vraag of je, als je dat wilde, je tijd mocht besteden aan het observeren van het gedrag van kikkers. Het antwoord was ja, ook al waren we economen.

Van Berkel: Klaas, mocht jij je promotieonderwerp zelf bepalen?

Westerterp: Ik ben bioloog, ik zat ook in Groningen en in de bèta-wereld heb je meestal bredere programma’s dus er lag inderdaad een voorstel klaar, maar daar had ik geen zin in. Ik ben iets anders gaan doen, en ik heb niet gemerkt dat iemand daar bezwaar tegen had. Een collega deed wèl precies wat de bedoeling was, ik niet. Is nooit een probleem geweest.  

Van Berkel: Even terzijde, op mijn proefschrift zou ik nu niet meer kunnen promoveren. De lat is hoger komen te liggen.

Muysken: Bij ons was de academische vrijheid echt doorgeslagen. Tegenwoordig word je geacht verantwoording af te leggen over wat je doet; dat is een goede zaak. Alleen, nu is dat weer volledig doorgeslagen naar de andere kant, vandaar die Occupy-beweging of hoe heet die ook alweer.

Je bedoelt Science in Transition.

Muysken: Precies.

Van Berkel: Ik noem dat de weeffouten van de academie. De lariekoek van die rankings, het slicen, de hoogleraar die altijd als coauteur bij je proefschrift moet staan omdat hij er belang bij heeft, voor het telraam. Een lange lijst wordt gezien als kwaliteit. Dat benoemingen en bevorderingen daar afhankelijk van zijn, is een perverse ontwikkeling.

Westerterp: In die tijd publiceerde je nog als enige auteur. Je had er wel discussie over met anderen, maar niemand piekerde erover dat hij erbij moest staan. Tegenwoordig vind ik dat je naam, als het je eigen aio is en je alles gelezen hebt, erbij mag.

Maarse: Ik heb vandaag eens door ons gebouw gewandeld: bijna iedereen zit achter zijn beeldscherm, of vergadert wat. Iedereen schrijft, maar niemand léést! Natuurlijk moet er gepubliceerd worden, maar ik sta wantrouwend tegenover veelschrijvers. Volgens mij schrijven die helemaal niet veel, ze zitten op een of andere bagagedrager.

Muysken: Stel je een schilderschool voor, iedereen produceert schilderijtjes maar geen mens kijkt ernaar, geen tijd, je legt ze in de kelder. Er is veel dode productie. Jammer is ook dat er geen enkele stimulans is om eens iets helemaal uit te zoeken, tot op de bodem, in een groot artikel. Een boek schrijven, vroeger was er niets hogers, geldt aan onze faculteit als pure tijdverspilling, dat kun je meteen weggooien. Alleen artikelen tellen, maar die tijdschriften; wie beoordeelt daarvan de kwaliteit? Dat heeft met macht te maken, wie het in de onderzoekschool voor het zeggen heeft. Dat is geen verstandige ontwikkeling.

 

Alleen Westerterp lijkt geen probleem te zien in het systeem van impactfactoren, de H-index en welke meetlat dan ook.

Westerterp: Er zijn zoveel systemen en er komen steeds nieuwe. Je kunt kijken naar wervend vermogen, citaties of wat dan ook, maar qua score blijf je meestal zitten waar je zit, de uitkomst verandert niet. Want alles hangt samen, goede prestaties in het onderzoek zijn vaak gecorreleerd aan goede prestaties in het onderwijs.

Van Berkel: Ja, dat klopt wel. ‘Goed’ correleert met ‘goed’, dat hebben we regelmatig als uitkomst gevonden.

Maarse: Als je je onderzoek helder kunt formuleren, dan kun je ook helder college geven.

Westerterp: Daarom is het zo fataal als je zegt: niet goed in onderzoek? Ga dan maar onderwijs doen. Maar ja, dat krijg je als mensen niet mobiel zijn.

 

Zelf is Westerterp uiterst mobiel geweest. De eerste twaalf jaar van zijn carrière, zegt hij, heeft hij telkens van baan naar baan, van postdocplaats naar postdocplaats gehopt, tot in Schotland aan toe, waar hij op een boerderij het energiegebruik van gierzwaluwen bestudeerde en “in het weekend meehielp met de koeien” om wat bij te verdienen. Hij was toen het levende voorbeeld van wat nu de flexwerker wordt genoemd.

Daar zijn de anderen minder van gecharmeerd.

Muysken: Als er ergens een flexibele arbeidsmarkt bestaat is het wel de universiteit, met alle uitwassen van dien. En het raakt vooral de jongeren. Laatst fietste ik op met een jonge hoogleraar, die me vertelde dat hij nu de komende dertig jaar zijn eigen geld moest verdienen, van contract naar contract. Dat is toch te gek? Maar het is niet anders. Als vakgroepsvoorzitter bij algemene economie heb ik ooit ingesteld dat hoogleraren en hoofddocenten geen geld meer kregen voor congressen en buitenlandse reizen. Dat moesten ze maar zelf verdienen. Toen brak de pleuris uit, de tent was te klein.

Westerterp: En ik ben nooit anders gewend geweest. Wij doen alles met eigen geld. Van de universiteit krijg je geen cent, nou ja, je plaats is betaald maar geld om onderzoek te doen moet je zelf verwerven. En dat doe je ook voor jonge medewerkers, voor aio’s, die moeten naar congressen, hebben geld nodig om onderzoek te starten, dat doe ik graag, daar heb je toch aardigheid in? En als je het goed doet kun je ook de salarissen van aio’s verdienen, ik heb er nu nog drie rondlopen.

 

Zelf je zaakjes regelen, daar lijkt Westerterp in dit gezelschap de kampioen van. Muysken ziet parallellen met hoe in zijn faculteit in de jaren negentig het onderzoeksinstituut Merit is opgericht door Luc Soete, de huidige rector.

Muysken: Luc had het in de gaten, je moet je heil niet via zo’n faculteit zoeken.

Want Merit hangt inderdaad zo’n beetje buiten de faculteit.

Muysken: Het is formeel een stichting van de SBE. En dan heb je Meteor, tegenwoordig heet dat GSBE, de facultaire onderzoekschool. Maar als ik in Australië ben, dan is Merit daar veel bekender dan dat hele Meteor.

Van Berkel: Wacht even, Merit hangt buiten de faculteit? Hoe kan dat? Bij ons zitten Caphri en Carim toch gewoon in de faculteit?

Muysken: Ja jongens, wij zijn een andere cultuur!

Westerterp: Maar wat zou daar het voordeel van zijn, van zo’n constructie?  

Om het facultaire gekeutel te ontlopen?

Westerterp: O, maar daar kun je een heleboel van links laten liggen hoor. [Maarse grinnikt instemmend] Je doet je onderwijs en onderzoek, je produceert wat, en doordat je de zaken zelf financiert heb je een grote mate van onafhankelijkheid, en weinig belemmeringen.

Maar je onderzoek wordt toch geacht te passen in allerlei thema’s, grotere verbanden?

Maarse: Och…

Westerterp (glimlacht): Dat is op papier. In de praktijk is dat, haha, veel minder het geval. Op het ogenblik zie je dat in de VS onderzoeksvoorstellen worden geschreven voor onderzoek dat ze al gedaan hebben. Je moet altijd de pilot-resultaten kunnen laten zien, maar dan is het onderzoek dus vaak al uitgevoerd en op basis daarvan haal je nieuw geld binnen, voor een nieuw project.

Is daar dan geen controle op?

Maarse: Mwah, valt mee.

Westerterp: Dat hangt ervan af hoe je dat verder naar buiten brengt…

 

Westerterp komt terug op zijn loopbaan, de werkloosheid na zijn afstuderen, de reeks postdocplaatsen “tot je jezelf de markt uit prijst want je wordt duurder en duurder”, de overweging om de biologie eraan te geven en een andere studie (farmacologie) op te pakken tot hij op Aswoensdag, hij herhaalt het een paar keer, op Aswoensdag bij de UM werd aangenomen, bij humane biologie.

Van Berkel: Wil je nou zeggen dat die mensen nog dronken waren van carnaval, dat ze jou op Aswoensdag hebben aangenomen?

 

Op verzoek van de verslaggever legt Westerterp in grote trekken zijn onderzoeksthema uit. Het gaat over energiegebruik, hij begon met ratten en belandde via gierzwaluwen en spreeuwen bij de mens. Hij was een van de eerste drie mensen op de wereld die de techniek van de ‘tweevoudig gemerkt water-methode’ toepasten. Volgt een verhaal over zware waterstof en zware zuurstof, lichaamswaterverlies en CO2-productie. Helaas, de rest van het gezelschap, gamma-wetenschappers immers, vervalt in toenemende mate in geroezemoes. Totdat het over de Tour de France gaat. Maarse en Van Berkel zijn verwoede fietstoeristen.

Westerterp: In de Tour bleek dat het energiegebruik van de renners hoger is dan in enige andere sport. Vergelijkbaar met de zwaluwen. Gierzwaluwen zijn 24 uur per dag in de lucht, en als ze uitvliegen blijven ze zelfs drie jaar in de lucht voor ze weer aan de grond komen, om te broeden. Want dat gaat niet in de lucht.

 

Het blijft even stil, de heren staan kennelijk paf.

 

Jullie zijn nu zo’n dertig jaar aan deze universiteit verbonden. Hoe heeft die zich ontwikkeld?

Van Berkel: Het is een goede werkplek om te vertoeven.

Maarse: Ja, en de UM is een stuk professioneler geworden, betere prestaties in het onderwijs, bij ons aan de FHML is dat echt heel goed. Een collega bij rechten moet drie tutorgroepen in de week draaien met twintig mensen. Dat is een ramp.

Van Berkel: Bij rechten is geen probleemgestuurd onderwijs meer, en niet alleen bij rechten, eigenlijk overal, ook in mijn faculteit. Al die docenten die zich er niet aan houden, mijn vriend Hans hier die er trots op is dat hij natúúrlijk geen pgo in de master doet…

Maarse: Hoe kòm je erbij, ik doe wèl pgo in de master! Ze krijgen uitvoerige instructies, zijn opgedeeld in groepen, er zijn tutoren, bla bla, ik doe het precies zoals jullie het graag willen hebben…., althans, we zijn een eind op weg, ogenschijnlijk.

Ogenschijnlijk? Voor de bühne?

Maarse: Ja, nee, nou, ik blijf wel college geven, dat is hartstikke leuk en iedereen die zegt dat dat onzin is, bestrijd ik.

Van Berkel: Er is niemand die dat zegt.

Maarse: Nou…

Van Berkel: Ik vind, laat de onderwijsgroep gestructureerd zijn werk doen zoals we dat veertig jaar geleden bedacht hebben. Maar dat gebeurt niet meer, docenten vinden het niet meer leuk, tegenwoordig hebben we het ‘rum-model’, van: roept u maar. Er is geen rechte rug, niet meer: dit is onze missie. Neem de richtlijn van het college van bestuur om alle bloktoetsen aan de UM in dezelfde week te doen in het Mecc, omdat dat goedkoper is, en dan met een onderwijsvrije week vooraf; als er iets dodelijk is voor de zelfstudie is het dàt, dat je het studeren voor de toets uitstelt. Fnuikend! En dan ook nog die MOOC’s, die internetcolleges, dat is in alles tegengesteld aan het pgo, daar moeten we ons vèrre van houden.

Muysken: Onze faculteit heeft steeds explicieter afstand genomen van het klassieke pgo-model. Wij kunnen er doodeenvoudig niet mee uit de voeten. Bij geneeskunde is er één eindproduct, een basisarts; wij hebben specialisatie na specialisatie. En onze tekstboeken zijn erg monodisciplinair, dan is het moeilijk voor een docent om breed te gaan. Maar de kleinschaligheid en het beoordelen op participatie, dat werkt wel goed. Hoe? Ik geef gewoon een cijfer, de terreur van die formulieren, daar begin ik niet aan. Ik discussieer er ook niet over, ze horen het gewoon.

Maar hoe vermijd je dat nou net het leuke meisje, de vlot pratende jongen, goed scoren?

Van Berkel: We zijn professionals, er wordt hier veel te weinig een beroep gedaan op de professionaliteit van docenten. Ik ben tutor in het allereerste blok en ik kan met mijn neus aanwijzen wie ik als student-assistent wil, wie als aio. Die checklijsten, dat is allemaal quasi-objectiviteit, het is gebureaucratiseerd.

Muysken: Ga maar eens een scriptie beoordelen, je weet niet wat je overkomt! Wel dertig criteria op die formulieren, met kopjes, subkopjes; ik slaag er altijd in het te ontwijken. Je geeft dus een cijfer en laat de secretaresse of een assistent het naderhand zo invullen dat dat cijfer eruit komt. Vraag de gemiddelde medewerker maar, zo gaat het, of ze doen het zelf natuurlijk.

Westerterp: Dat doen wij ook, dat is de manier: je hebt een indruk, je geeft een eindcijfer, en dan ga je even kijken hoe je die categorieën dienovereenkomstig moet invullen.

Maarse: Het is je timmermansoog.

Muysken: En verder is het: shit happens. Dat moet je accepteren, ook als student. Als studenten klagen over een collega zeg ik: in je latere leven zul je dit eindeloos meemaken, dus los het maar op.

Maar de student van tegenwoordig is opgejaagd, moet presteren om zijn beurs te houden. Er zijn financiële consequenties.

Allen: Ach ach ach…

Westerterp: Als een student presteert, gaat er meestal niet zo veel mis.

Muysken: De klachten zijn: iemand heeft een zeven, waarom krijg ik geen acht? 

Van Berkel: Je mag van studenten verwachten dat ze een studie van vier jaar in vijf jaar afronden. Het is toch geen vrijheid blijheid?

 

Is het onderwijs beter of slechter geworden?

Maarse en Van Berkel zijn ronduit positief, Muysken zet vraagtekens, net als Westerterp.

Muysken: Het is minder academisch geworden, de inhoudelijke eisen zijn lager. Studenten zijn tegenwoordig meer baan-georiënteerd, en de toelatingscriteria zijn minder streng.

Westerterp: De scholen zijn veranderd, de studenten ook. Bepaalde basiskennis is er niet meer. Simpele dingen als wiskunde, natuurkunde, scheikunde, vakken die je in de biomedische wetenschappen nodig hebt. Een voorbeeld, je wilt een model maken, twee vergelijkingen met twee onbekenden, nou, de studenten weigerden om er iets mee te doen. Konden ze niet, wilden ze niet. Dus je moet iets academisch gaan doen terwijl er geen basisdisciplines meer zijn. Dat is een enorm probleem, daar worstel je mee. Ik ben vrij compromisloos, ik leg het ze alsnog uit.

 

 

Muysken heeft wel een remedie: een honoursprogramma, maar dan niet wat er nu is “want daar erger ik me groen en geel aan, dat geurtje, je moet een acht hebben en ze lopen met de neus in de wind, met een nerd-achtige uitstraling”. Hij wil een academisch programma met meer keuzemogelijkheden waarbij nog wel enigszins geselecteerd wordt op een cijfer, “zeg een zeven”, maar vooral op motivatie. “Dat gebeurt nu niet.”

Van Berkel vindt het maar niets, spreekt van een tweedeling “en waarom zou je überhaupt een honoursprogramma willen?” De opdracht van de universiteit is het om, hij citeert een niet nader genoemde rechtendecaan, mensen met een vijf naar een zeseneenhalf te leiden. “Die met een acht komen er vanzelf wel.” Muysken legt weer uit dat hij vroeger in zijn studie vakken als economische geografie, economisch recht, economische geschiedenis had, en nu?

“Nu is het niks, niks en niks. Terwijl er wel studenten zijn die daarin geïnteresseerd zijn. Maar ze weten er niets over. Ik gaf een college geschiedenis van het economisch denken, daar noem ik denkers als Karl Marx en Adam Smith, na het college komt een student op me af met de vraag ‘is er een boek waar dat in staat’?”

Hij zucht diep.

 

Zou een kleinere maar uitdagender universiteit de oplossing zijn? Nee, klinkt het, want de maatschappij heeft nu eenmaal voldoende hoogopgeleiden nodig. Selectie aan de poort dan? Ja, zegt Maarse, nee zegt Van Berkel “want er is aangetoond dat het niet werkt”.

En intussen verlaagt men in de praktijk de normen.

Maarse: Het startniveau aanpassen aan wat er binnenkomt.

Westerterp: Ja, de relatieve normering.

Van Berkel: Die is er officieel niet meer.

Muysken: In de praktijk wel, je maakt een staafdiagrammetje, je kijkt naar de verdeling en je past je aan.

Westerterp: Dat is de ongeschreven wet bij dit soort dingen. Zo’n 20 procent mag zakken.

Muysken: Dan zeg je, de vraag was misschien een beetje moeilijk, laten we iedereen er drie punten bij geven. En misschien wàs de vraag ook te moeilijk.

Van Berkel: Daar ging mijn proefschrift over: een ervaren docent kan de zwaarte, de moeilijkheidsgraad van een toetsvraag niet beoordelen. Dat is gewoon zo.

 

Aan tafel zitten vier in het universitaire bestuur gepokte en gemazelde heren. Muysken en Maarse zijn onder (veel) meer decaan geweest, Westerterp was programmacoördinator, divisieleider bij Nutrim, vakgroepsvoorzitter, Van Berkel jarenlang voorzitter van de faculteitsraad en van de examencommissie. Wat vinden ze van de ontwikkelingen aan de UM op bestuurlijk/organisatorisch vlak?

 

Muysken: Wat een gróte fout is geweest, echt héél jammer, is dat de decanen zich door het college van bestuur erin hebben laten luizen om samen met hen in een management team te gaan zitten. Decanen moeten onafhankelijk zijn van het college; nu worden ze probleemeigenaar van problemen die je juist niet wilt accepteren.

(Maarse en Van Berkel zijn het er hartgrondig mee eens.)

Het idee daarachter was: laat de faculteiten eens over de schutting kijken en verantwoordelijkheid nemen voor de hele universiteit.

Muysken: Ik zeg niet dat ze niet onderling moeten praten, maar er was natuurlijk al het college van decanen. Het bestuur bestuurt, de decanen vormen dan een soort Eerste Kamer, die kan roepen: hoho jongens, even niet te hard van stapel. In mijn tijd kwam het voor dat de decanen als blok zeiden: dit gaat niet door. De rector, voorzitter van het college van decanen, had een andere positie, die was de pineut, die moest het overbrengen. Maar nu zit je als decanen sámen met het college van bestuur, daar zit een Martin Paul [Muysken maakt met twee armen een breed gebaar], daar zit André Postema, Luc Soete; dat geeft een heel andere dynamiek in zo’n vergadering. Bij onze faculteit is het zo dat de vakgroepsvoorzitters van tijd tot tijd samen vergaderen, en als die nee zeggen is het echt no way. We hebben grote vakgroepen, met eigen budgetten, ze stellen hun eigen mensen aan; dat is een heel goed mechanisme.

Maarse: Overleg van vakgroepsvoorzitters bij de FHML? Heb ik nog nooit meegemaakt. Bij ons is het centraler georganiseerd, je moet langs het onderwijsinstituut, je moet langs je onderzoeksinstituut, en je maakt mee dat het eerste iets heel anders wil dan het tweede.

Muysken: Dat soort terreur hebben wij dus niet.

Maarse: Bij ons is sprake van een grote centralisatie, met de bijbehorende bureaucratisering en een gebrek aan coördinatie. Daar heb je veel last van als vakgroepsvoorzitter.

Van Berkel: Ik vind die gecentraliseerde aansturing niet slecht, door een faculteitsbestuur, en met een onderwijsinstituut en onderzoeksinstituten. Als het maar niet vanuit het college van bestuur gebeurt.

Maarse: Heerlijk, ik heb al jaren niets meer met het college van bestuur te maken.

Muysken: Dat vind ik ook de taak van het faculteitsbestuur: de faculteit behoeden voor wat er van de Berg af komt rollen. Een soort hitteschild, een soort paraplu. Want dan komen ze bijvoorbeeld op het idee om het ruimtebeheer te centraliseren, daar heb je last van op de werkvloer omdat je dan niet meer kunt ritselen zoals je altijd deed, en dat haalt een hoop efficiëntie uit de organisatie.

Van Berkel: Iemand als Martin Paul realiseert zich dat wel, dat je de faculteiten niet meer terug kunt brengen onder een centraal beheer. Het college moet zich bemoeien met zaken die boven de hele universiteit zweven, als faculteit heb je dan wel ervoor te zorgen dat je je zaakjes goed op orde hebt.

Muysken: De samenstelling van een college is heel belangrijk: het huidige bestuur heeft een veel ontspannener stijl dan het vorige. Ze komen min of meer uit de organisatie, kennen die, en ze gaan anders te werk. Als ze iets willen, doen ze dat niet meer via de faculteiten. Ze gaan er langs. Ik ken de rector behoorlijk goed, die heeft ooit Merit op die manier opgericht. Let maar op, die gaat nu ook die strategie volgen, dat kan ik nu al voorspellen.

 

Wat gaat de toekomst brengen? Op Van Berkel na gaat iedereen min of meer door met waar hij mee bezig was, ofschoon Westerterp met zijn 67 jaar al twee jaar uitloop heeft gekregen. Nu zit hij op halve dagen, “je moet geleidelijk afbouwen”. Hij heeft nog promovendi, schrijft veel, is editor van een tijdschrift. En hij is bioloog, beestjes en plantjes genoeg, hij heeft een tuin van een halve hectare, houdt bijenvolken en roert zich in actiegroepen die de natuur van de St. Pietersberg voor verdere afbraak moeten behoeden.

Van Berkel: Ik ben radicaal gestopt, heb de boeken verkocht, ben mijn vak uit.

Westerterp: Dat zeg je nou steeds en ik geloof er niks van. [Later zachtjes tegen de verslaggever: Ik heb in mijn eerste jaar een boek geschreven, geleidelijk minderen is heel gezond, dat wat Henk doet is niet goed hoor.]

Van Berkel: Ik ga rechten studeren.

Maarse: Vertel je er wel even bij waar? Bij de Open Universiteit! Zodat hij geen pgo hoeft te doen!

Van Berkel: Precies, ik wil wat léren. Geintje…(Homerisch gelach)

Van Berkel blijft verder adviseur voor het ministerie van Financiën, dat met het oog op de professionalisering van financiële dienstverleners een vorm van permanente educatie wil opzetten. Maar op de faculteit komt hij niet meer.

Van Berkel: Je moet plaats maken. Voor je het weet ben je Mick Jagger die op zijn zeventigste dansjes staat te doen.

 

Maarse houdt zijn eigen kamer op de faculteit. Hij doet nog onderwijs, schrijft artikelen, wil een handboek schrijven over de politicologisch-bestuurskundige invalshoek in de gezondheidszorg. “Daar is grote behoefte aan.”

Maarse: En als het mooi weer is en iemand belt om mee te gaan fietsen, doe ik dat meteen. Vroeger had je dan een schuldgevoel, ofschoon ik elke avond en ieder weekend werkte. Maar ik zie wel een beetje op tegen de periode straks. Nou ja, ik moet niet te negatief doen, voor leuke dingen heb je meer tijd, ik wil beter worden met bridge bijvoorbeeld.

 

Ook Muysken hoopt straks zonder schuldgevoel met mooi weer leuke dingen te gaan doen. Zeilen met zijn boot in Friesland bijvoorbeeld. Wandelen, de GR 5 naar Nice, “we hebben de helft al gedaan”. En meer tijd aan de kleinkinderen besteden. Maar hij blijft actief op de faculteit, net als Maarse houdt hij zijn kamer.

Muysken: Kijk, maatschappelijk vind ik het redelijk dat ik moet ophouden, maar persoonlijk

vind ik het een ramp. Dus ik ga onder protest weg. Onder zwáár protest.

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)