Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

"Wij kunnen ons meten met toponderzoekers in de VS"

"Wij kunnen ons meten met toponderzoekers in de VS"

Photographer:Fotograaf: Simone Golob

Publiceren in een gerenommeerd wetenschappelijk tijdschrift

MAASTRICHT. Het is de eerste keer dat Maastrichtse economen in Journal of Accounting Research staan. Een blad met een topstatus. Isabella Grabner hoort het haar collega Frank Moers nog zeggen nadat ze hun artikel hadden verstuurd: “Als dit niets wordt, dan stop ik met mijn carrière.”

Het is 2009. Aan de Wirtschaftsuniversität in Wenen geeft de Maastrichtse hoogleraar Frank Moers (1972) een gastcollege over de toekomst van management accounting, een vakgebied dat grenst aan arbeidseconomie en focust op beslissingen die managers in een bedrijf nemen. Hoe calculeren ze de kosten? Hoe meten ze de prestaties van hun werknemers? Vooral in dat laatste is Moers een ervaren specialist. Hij ontmoet er die dag de Oostenrijkse Isabella Grabner (1982) die op het punt staat te promoveren in Wenen en in dezelfde materie is geïnteresseerd. Het leidt tot een vruchtbare samenwerking, niet in het minst omdat Grabner goud in handen heeft.
Grabner werkt vanuit Wenen al een tijdje samen met een bank, “Met een aantal studenten had ik er enkele consultancyprojecten gedaan; ik had een goede band met het hoofd Human Resources (HR). Op een gegeven moment zei ik tegen haar dat ik het bedrijf beter kon adviseren als ik inzicht kreeg in hun personeelsgegevens. Ze was natuurlijk huiverig vanwege de privacy van haar mensen, maar ze zag tegelijkertijd ook de voordelen. Ik had een ‘nee’, een ‘ja’ kon ik krijgen.” Grabner krijgt een ‘ja’ en een stick met 1500 HR-documenten met informatie over functieveranderingen en beoordelingen van de afgelopen tien jaar. De data zijn geanonimiseerd, iedere werknemer is een nummer geworden. Wel zijn hun functies zichtbaar. Over het soort bank of de locatie willen de twee niet veel kwijt. “Dat is zo afgesproken.” Moers: “Het is uniek dat deze bank de gegevens gaf, want juist het grootste probleem in management accounting is het verkrijgen van personeelsdata. Dat ligt vaak veel te gevoelig.”

Van junior naar senior
Grabner heeft het bestand en denkt: ‘wat nu?’ “Het waren zoveel data. Ik had Frank nodig om verder te komen.” Moers programmeert ze op zo’n manier dat beiden ermee uit de voeten kunnen. Het kost de onderzoekers – inmiddels werkt Grabner ook aan de Universiteit Maastricht – bijna een jaar om de gegevens te analyseren. “We hebben gekeken naar de patronen, de grote lijnen. Wat gebeurt er als mensen overstappen naar een andere positie”, zegt Grabner. Het duo heeft vooraf wel een idee. Ze voorspellen dat managers vooral subjectief oordelen bij functieveranderingen, dat ze zich laten leiden door ‘een gevoel’ dat de medewerker de nieuwe functie wel aan kan.
Stel: Jan is junior adviseur en de bankmanager wil hem bevorderen tot senior adviseur. Dat betekent: nieuwe taken die andere competenties vereisen. Moers en Grabner menen dat de manager in zijn beslissing minder gewicht zal geven aan de prestaties van Jan in zijn huidige juniorfunctie. Moers en Grabners vermoeden wordt bevestigd na hun onderzoek.
Het is tricky, stelt Moers. “Als je een werknemer een bonus geeft uit subjectieve overwegingen, maar later merkt dat het toch geen goede zet was, is dat nog geen ramp. De bonus is eenmalig. Daar komt het bedrijf wel overheen. Maar wat als je een medewerker een hogere en duurdere positie geeft waar hij niet presteert? Dan heb je een veel groter probleem.” Moers refereert aan het Peter Principle: “Iedereen wordt gepromoveerd tot een functie van onbekwaamheid.” Ofwel: werknemers krijgen steeds een hogere functie totdat ze op een post terecht komen die ze niet aan kunnen. Het is een principe dat in 1969 werd geformuleerd door dr. Laurence Peter waarmee hij wilde verklaren waarom veel organisaties slecht functioneren.

Feedback
In de zomer van 2011 ligt de eerste versie van het artikel klaar. Ze gaan ermee naar conferenties en andere universiteiten. “Voor feedback. Het is heel ongebruikelijk om de eerste versie op te sturen naar de redactie van een wetenschappelijk tijdschrift”, vertelt Moers. Ze krijgen goede kritieken en zelfs een prijs, the Midyear Meeting Outstanding Paper Award. Alweer een jaar later, in juli 2012, sturen ze het naar de redactie van Journal of Accounting Research. “We hadden dit tijdschrift al een hele tijd in gedachten. Beter dan dit is er niet op ons vakgebied.” Toch weten beiden dat de kans erg klein is dat het artikel door de ballotage komt. Nog geen 10 procent.
Het duurt uiteindelijk zes maanden voordat Grabner en Moers iets horen van de redactie. Ze krijgen de kans om een tweede versie in te dienen, a request for a revise and resubmit. “Die zes maanden… ja, dat is erg lang.” Grabner: “We hadden de pech dat de editor was verhuisd. Hij is degene die, samen met een anonieme reviewer, bepaalt wat er met het artikel gebeurt.” Was het echter meteen afgeschoten, dan hadden de Maastrichtse onderzoekers waarschijnlijk al binnen twee dagen een afwijzing in de mailbox. “Publiceren is schrijven plus geluk”, zegt Moers die uit eigen ervaring weet dat een artikel zelfs na drie rondes nog in de prullenbak kan belanden. “Je bent maanden bezig geweest, hebt allerlei kritiek verwerkt. Met nul resultaat.” En gedurende al die maanden mag de studie niet worden aangeboden aan een ander blad. “Als je dat doet, kun je je carrière wel vergeten.”

Drie weken feest
Er liggen twee pagina’s kritiek. “In eerste instantie was ik niet optimistisch, maar nadat ik het nog eens goed had doorgenomen, had ik er wel vertrouwen in”, zegt Moers. “Er waren vooral vragen over de positionering van de studie. En nee, we waren het lang niet met alle opmerkingen van de reviewer eens. Of hij had het niet goed begrepen, of wij hadden het niet goed uitgelegd. We moesten ons eigen verhaal opnieuw en zo goed mogelijk beargumenteren. “
Op 26 augustus 2013 wordt het artikel geaccepteerd. Grabner: “De editor zorgde dat het mee kon in het decembernummer. Hij kwam ons min of meer tegemoet omdat het eerder zo lang had geduurd.”
Maar een proces van twee of drie jaar is heel normaal, klinkt het. “Wat dat betreft is het bij ons snel gegaan: een jaar van insturen tot acceptatie. Een succes story,” lacht Moers. Grabner knikt: “Ik heb het drie weken lang gevierd.”
Nederland is van alle Europese landen erg sterk in management accounting, zegt Moers, maar het is voor het eerst in de historie dat Maastrichtse economen, en dan ook nog eens zonder Amerikaanse coauteurs, een publicatie in Journal of Accounting Research, een uitgave van de University of Chicago, op zak hebben. “We zeiden tegen onze collega’s: zien jullie wel? Wij in Maastricht kunnen ons meten met toponderzoekers in de VS.”

Managers’ choices of performance measures in promotion decisions: an analysis of alternative job assignments. Journal of Accouting Research, article first published online: 20 september 2013. Volume 51, Issue 5, December 2013.

 

 

 

SBE-ranglijst voor tijdschriften

Sinds 1 januari 2014 ligt er voor het personeel van de School of Business and Economics een nieuwe ranglijst van wetenschappelijke tijdschriften - iedere vier jaar komt er een ververst exemplaar. Er staan deze keer bijna 500 journals op, elk met een eigen status die varieert van een C tot A+ (top). Prof. Ann Vanstraelen, wetenschappelijk directeur van de GSBE, de Graduate School of Business and Economics: “Natuurlijk valt er veel aan te merken op zo’n ranglijst. Onderzoekers vragen zich af waarom een voor hen belangrijk tijdschrift niet wordt genoemd, of waarom het maar een B en geen A-status heeft. Begrijpelijk, maar ik vind tegelijkertijd dat we een zo objectief mogelijk meetsysteem moeten hebben.”
Voor de classificatie heeft de School zich gebaseerd op impactfactoren uit de citatie-index van Thomson Reuters (een hoge impactfactor geeft aan dat een gemiddeld artikel in het desbetreffende tijdschrift relatief vaak wordt geciteerd).
Van de staf van SBE wordt verwacht dat ze voor het hoogst haalbare gaan: de A+. En niet zonder reden. Wie zeker wil zijn van een wetenschappelijke carrière zal punten moeten verdienen. Om fellow te worden van de Graduate School moet een onderzoeker minimaal 16 punten in vier jaar halen, en minimaal één artikel met een B+ status. Om het fellowship te behouden moet je om de vier jaar weer 16 punten scoren. Vanstraelen: “Een fellowship is zeker geen arbeidscontract. Een fellowship brengt financiële middelen op voor een departement: een kleine €3000 per fellow per jaar.” Het is aan de vakgroepen wat te doen als een van hun medewerkers niet genoeg heeft gepubliceerd. Een optie: hem of haar meer onderwijs laten geven. “Dit is bij de goede Schools in de Verenigde Staten standaard.”
Om een idee te krijgen van de puntenverdeling: een A+ publicatie levert 12 punten op, een A-publicatie 10 punten, enzovoort. Een C-publicatie is gelijk aan 2 punten.
Een A+ is niet alleen eervol voor de onderzoeker zelf, maar ook lucratief voor de vakgroep. Een single-authored article brengt iets minder dan €10 duizend op. Vanstraelen: “In de afgelopen vijf jaar is het bedrag gehalveerd. We zijn succesvoller gaan publiceren en moeten de pot, die niet groter is geworden, onder meer mensen verdelen. Het is nu niet meer mogelijk dat de beste onderzoekers zich kunnen vrijkopen zodat ze geen onderwijs meer hoeven te geven.” Tegelijkertijd vindt Vanstraelen het voor de academische vorming van studenten van belang dat ze ook onderwijs krijgen van goede onderzoekers.

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)