Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

“Onderzoeker is vaak ten onrechte bang voor journalist”

“Onderzoeker is vaak ten onrechte bang voor journalist”

Photographer:Fotograaf: Simone Golob

Wetenschappers en de media

MAASTRICHT.  Kun je een journalist vertrouwen? Een wetenschapper die niet gewend is om in de media op te treden, kan behoorlijk zenuwachtig worden van een interview voor een krant, radio of tv. De angst dat het onderzoek niet helemaal goed of zelfs verwrongen naar buiten komt, is vaak groot, aldus de schrijvers van Prepare for 15 seconds of fame. Media contacts for researchers.

“Maar je bent niet de eerste die met de pers in aanraking komt”, vervolgen ze. “Talrijke collega’s zijn je voorgegaan.” Zij weten inmiddels dat media-aandacht meestal leidt tot meer waardering en begrip van het wetenschappelijk werk. En dat komt de reputatie van de onderzoeker weer ten goede.

Prepare for 15 seconds of fame is een handzaam boekje dat onderzoekers die in aanraking komen met de pers, een handje helpt. De auteurs Marcel Hulspas (journalist), Fred Balvert (communicatieadviseur en onderzoeker) en Souad Zgaoui (communicatieadviseur) komen uit de praktijk en nemen in een van de eerste hoofdstukjes de tijd om het verschil tussen het werk van een journalist en een wetenschapper uit te leggen. Zo waarschuwen ze: de journalist wil géén samenvatting maken van het wetenschappelijk artikel. Hij zoekt naar het nieuws, wil weten wat dit onderzoek voor zijn lezer kan betekenen en zet daarom de conclusies vaak in de eerste zin (en niet als uitkomst van een analyse), en legt als het kan een link met een actuele gebeurtenis. Het gaat hem om de grote lijn, details interesseren hem minder. Zijn er andere visies, dan zal hij die ook aan bod laten komen. Een belangrijk journalistiek principe is immers: hoor en wederhoor. Ofwel: altijd meerdere kanten van de zaak belichten. En kan hij een persoonlijk verhaal of belevenis van de onderzoeker in zijn artikel stoppen, dan zal hij dat niet laten. Het maakt zijn stuk minder saai en dus beter leesbaar.

Hoe trekt de onderzoeker de aandacht van de media? Persconferenties? De drie zijn daar overduidelijk geen fan van. Alleen doen als er iets zeer speciaals –  doorbraak in een kankeronderzoek, een nieuwe Nobelprijswinnaar of een plagiaatkwestie - te melden is, vinden de schrijvers. “Journalisten houden er niet van.” Het zou te weinig “exclusief” voor hen zijn als ze in een zaal vol vakbroeders en -zusters zitten.

Een persbericht daarentegen – digitaal of per post - is in hun ogen een goede manier om de pers te bereiken. De onderzoeker heeft dan het initiatief en kan de belangrijkste boodschap zelf formuleren. Zorg wel dat het bericht kort is (een A4-tje maximaal), goed te lezen voor een lekenpubliek en met een glasheldere rode draad.

En dan het interview. Een goede voorbereiding hierop is goud waard, benadrukken de drie. Schrijf geen pagina’s vol ter voorbereiding op mogelijke vragen, maar bedenk wat jouw belangrijkste boodschap is. Probeer die zo kort mogelijk en in eenvoudige taal – “vermijd jargon”- te formuleren. Hoe kort? “Houd er rekening mee dat je tijdens een tv-interview hiervoor niet meer dan tien seconden hebt.” En gebruik voorbeelden om de boodschap te illustreren. Een andere tip: bedenk samen met collega’s mogelijke vragen rondom je onderzoeksthema en antwoorden. De logische vragen voorop, maar vergeet niet de lastige: wie zit er eigenlijk op dit onderzoek te wachten? Kunnen deze resultaten niet worden misbruikt?

Naast een goede voorbereiding zijn eerlijkheid en openheid van groot belang. “Ben erop voorbereid dat journalisten onplezierige zaken boven tafel halen. Het heeft geen zin om de media proberen te beïnvloeden door bepaalde onaangename of riskante aspecten achter te houden”, klinkt het. Wordt het ontdekt, dan zullen juist die onderdelen “het verhaal over jouw onderzoek domineren”.

Prepare for 15 seconds of fame. Media contacts for reseachers van Fred Balvert, Marcel Hulspas en Souad Zgaoui. In het Engels. 14,95 Uitgeverij Trichis, Rotterdam

 

“Wat heb je in godsnaam te verbergen als onderzoeker? Niets toch?”

Piet Eichholtz, hoogleraar vastgoedfinanciering, is regelmatig in de binnen- en buitenlandse  media te vinden. “Ik heb veel geluk met mijn onderzoekthema. Het gaat over de woningmarkt, onroerend goed, dat spreekt bijna iedereen aan. De meeste bladen - Elsevier, de Volkskrant, Trouw - hebben journalisten die zich met dit thema bezig houden. Zij bellen me vaak om een ontwikkeling op de woningmarkt te duiden.” Eens in de zoveel tijd is een onderzoek “een hit”, zegt Eichholtz. “Wij doen onderzoek omdat we het interessant vinden. Heel veel van wat wij doen vindt de pers niet boeiend, maar soms worden journalisten heel opgewonden en staat je telefoon roodgloeiend.” Een goed voorbeeld is de Herengracht-index die hij ontwikkelde. “Ik heb in 1998 de woningprijzen aan de Herengracht in Amsterdam vanaf de zeventiende eeuw in kaart gebracht. Dat kwam zelfs in de New York Times. Een paar jaar later had ik het artikel aangevuld en kreeg het weer veel ruimte in de NRC. Maar ook ons onderzoek naar vastgoed en duurzaamheid kreeg veel media-aandacht: tot aan de Financial Times en de Wall Street Journal toe.”

Praten met de pers is voor Eichholtz geen straf. “Ik vind het mijn taak als onderzoeker om ontwikkelingen op vastgoedgebied te duiden en mijn onderzoeksresultaten te presenteren aan een breed publiek.” Heeft hij een artikel af, dan plaatst hij het op mejudice.nl; een discussieplatform voor economen dat ook veel door journalisten bezocht wordt. Dat werkt in zijn ogen veel beter dan een persbericht. Tijdens een interview vertelt hij “gewoon wat ik vind en probeer ik alles zo helder mogelijk uit te leggen. En ik houd het kort.” Angst voor een journalist? Hij grinnikt. “De meeste journalisten zijn heel kritisch als het gaat om politici en bestuurders. Die worden vaak met wantrouwen benaderd. Wetenschappers niet, die worden vertrouwd. En waarom zou je bang zijn? Wat heb je in godsnaam te verbergen als onderzoeker? Niets toch? Je hebt toch geen geheime kennis? Je wordt betaald door de belastingbetaler, het is je taak om kennis te delen.”

 

“Een week lang overrompeld door de media”

Wouter van Marken Lichtenbelt, hoogleraar ecologische energetica en gezondheid, is de afgelopen weken bijna aan de lopende band geïnterviewd: van CNN, de BBC, de Washington Post tot Dagblad de Limburger en de NTR-radio. Zijn onderzoek naar de rol van de omgevingstemperatuur op de energiehuishouding - als het kouder is in je kamer gebruik je meer energie (zie pagina 3) - sloeg en slaat nog steeds heel goed aan. “Ik heb dadelijk om half vijf een interview met de Nederlandse radio”, zegt hij tijdens het interview. Morgen moet hij de Nieuw-Zeelandse pers te woord staan.

Van Marken Lichtenbelt heeft net als Eichholtz een onderwerp dat goed in de markt ligt. “Het is maatschappelijk relevant, het gaat over gezondheid en heeft een link met de gebouwde omgeving.” Een paar jaar geleden werd hij ook “een week lang overrompeld” door de media. Toen ging het om de ontdekking van bruin vet. Dat zorgt, zo betoogde hij samen met zijn collega’s van nucleaire geneeskunde, voor extra energieverbranding en zou dus wel eens een grote hulp kunnen worden in de strijd tegen overgewicht. “Ik ben niet bang voor de pers. Ik probeer alles zo goed mogelijk uit te leggen en relativeer de resultaten: de lange termijneffecten zijn niet bekend, als je meer gaat eten doe je het positieve effect weer teniet. Dat werkt. Ik schrik alleen van de koppen. In het stuk zelf staat bijna altijd de nuance. Af en toe gebeurt dat niet. Dat is dan pech.”

Hij vindt net als Eichholtz dat het tot de maatschappelijke plicht van een wetenschapper behoort om zijn onderzoek aan een breder publiek uit te leggen. “Natuurlijk is er het gevaar dat er een scheef beeld van je onderzoek ontstaat en de journalist slechts uit is op een spectaculair verhaal, maar dat is bij mij bijna nooit gebeurd.”

 

“Sensatiezoekers zijn in de minderheid”

Is de angst voor journalisten terecht? Fons Elbersen, directeur marketing en communicatie aan de UM: “Meestal is die angst onterecht.” Een goede voorbereiding is het halve werk, weet de oud-journalist en oud-hoofdredacteur van Dagblad de Limburger. Wie kritisch nadenkt over mogelijke vragen (probeer je te verplaatsen in het publiek van de krant, tv- of radioprogramma) en weet wat hij graag kwijt wil, kan “aardig greep houden op zijn aandeel in een interview. Het idee dat journalisten willen ‘scoren’ of ‘sensatie zoeken’ is heel vaak volkomen misplaatst, en een cliché. Probeer uit te gaan van de goede bedoelingen van een journalist, ‘sensatiezoekers’ zijn verreweg in de minderheid.”

Het is van belang dat de onderzoeker zijn werk op een voor leken begrijpelijke manier uitlegt, zonder afbreuk te doen aan de inhoud. Probeer ook kort te zijn, vervolgt Elbersen: vat de kern van je onderzoek vooraf in maximaal vijf zinnen samen. “Ben niet belerend of arrogant en ga er niet vanuit dat de journalist opschrijft wat jij wilt.“ Zo zal meer dan eens uit tijd- of ruimtegebrek de door de wetenschapper aangebrachte nuance sneuvelen.

 “Ik denk dat journalisten heel graag willen weten ‘wie de man/vrouw achter een persbericht’ is, en welk mens bij een specifiek onderzoeksterrein hoort. Voor met name audiovisuele media is dat van groot belang: die willen verder kunnen ‘kijken’ en ‘luisteren’ dan het (digitale) ‘papier’ van een persbericht.” Het is daarom belangrijk dat onderzoekers wat meer van zichzelf durven te laten zien. Het zal de opname of het artikel alleen maar ten goede komen en zorgt makkelijker voor een goede band met de journalist. Die band kan op een later tijdstip weer van pas komen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)