Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

“Alsof ik een gevaar voor de samenleving was”

“Alsof ik een gevaar voor de samenleving was”

De criminoloog Buikhuisen blikt terug op de affaire Buikhuisen

Is er iets mis met de hersenen van criminelen? Vragen naar biologische afwijkingen van individuen was eind jaren zeventig taboe. Criminoloog Wouter Buikhuisen (80) is erom verketterd, door wetenschappers, columnisten en door politici. In maart zou de Leidse criminoloog (80) een ‘afscheidsrede’ houden aan de UM over het belang van biosociaal onderzoek, maar  hij zegde af vanwege de slechte gezondheid van zijn vrouw. Observant zocht hem op in zijn woonplaats Moraira in Spanje.

Het is nauwelijks nog voor te stellen hoeveel agressie en verontwaardiging eind jaren zeventig losbarstten toen bekend werd dat de Leidse criminoloog Buikhuisen biologisch onderzoek wilde doen naar de hersenen van delinquenten. Het leidde tot Kamerdebatten, doodsbedreigingen, bommeldingen, telefonische scheldkanonnades, en uiteindelijk tot het vertrek van een briljante wetenschapper uit de academische wereld. Buikhuisen ging in de antiekhandel, samen met zijn vrouw.

Het begon in 1978 toen het reclasseringsblad Kri meldde wat Buikhuisen van plan was. Het linkse blad zette de toon, verwees naar het nationaal-socialisme, en de associaties met de medische experimenten van Mengele waren snel gemaakt. Binnen de kortste keren dacht menigeen dat Buikhuisen schedels wilde lichten. Daar kwam bij dat de man niet te vertrouwen was, heette het, omdat hij eerder was overgestapt van de wetenschap naar het ministerie van Justitie. Hij gold als een representant van de macht.

De plannen van Buikhuisen stonden haaks op de linkse overtuigingen in die tijd, zoals die ook aan universiteiten heersten: het was de kapitalistische maatschappij die tekortschoot als mensen ontspoorden, niet het individu. Dat gold voor psychiatrische patiënten, zoals verbeeld in de film One Flew over the  Cuckoo’s Nest, en ook voor delinquenten. Het waren slachtoffers van het systeem. Sociologen wezen op de kansloze omstandigheden waarin mensen werkloos waren, laag opgeleid en arm. Criminaliteit was een systeemfout.

Ondertussen gingen de VPRO en weekblad Vrij Nederland, dat goed werd gelezen, buitengewoon fel tekeer. Met name VN-columnist Hugo Brandt Corstius had Buikhuisen de oorlog verklaard. Hij trok onder het pseudoniem Piet Grijs vergelijkingen met de Argentijnse president Videla en met Joop Glimmerveen, de leider van de extreemrechtse Nederlandse Volksunie ("het verschil tussen Glimmerveen en Buikhuisen is een academische opleiding"). Ook in de Tweede Kamer vond menigeen dat deze ‘nazi-criminoloog’ moest worden ontslagen.

De meest verwoestende kritiek kwam van socioloog Cees Schuyt die zich afvroeg wat er met de uitkomsten gebeurde. Zou de overheid later alle kinderen aan een test onderwerpen? En werden degenen met een verhoogd risico dan in de gaten gehouden?

Geleidelijk dwarrelde het stof neer en jaren later, in 2010, besloot de Universiteit van Leiden Buikhuisen te rehabiliteren. Ook Vrij Nederland stak de hand in eigen boezem. En het onderzoek zoals de criminoloog dat voor ogen had? Dat is al lang en breed uitgevoerd aan de VU.

 

Wat wilde u precies gaan doen?

"Ik zag delinquenten die keer op keer over de schreef gingen en dus niet leerden van hun ervaringen. Criminologen keken louter naar de sociale omstandigheden, de werkloosheid,  alcoholistische vader, maar die factoren verklaarden slechts de helft van de gevallen. Er moest meer zijn, en dat is de reden dat ik de biologie van de mens erbij betrok. Je had nog geen MRI, dus het zou neerkomen op simpele dingen waaronder het meten van de hartslag en de reacties van het autonome zenuwstelsel."

Bestonden er voorbeelden van vergelijkbare studies?

"Nee, er gebeurde helemaal niets. Men sprak bij wijze van spreken nog steeds over het lage voorhoofd en de doorgetrokken wenkbrauwen, net als Lombroso in de negentiende eeuw. In de loop van de jaren zeventig, toen ik bij Justitie zat, had ik een interdisciplinaire groep om me heen verzameld, met onder anderen een biopsychiater, een endocrinoloog, een neuroloog. De eerste keer dat Leiden me vroeg om hoogleraar te worden, ben ik er niet op in gegaan. Ik zat goed bij Justitie, alle instituten gingen voor je open omdat je deel uitmaakte van het apparaat. Ik heb vreselijk veel gedaan, gevangenissen geëvalueerd, maar ook TBR-instellingen, de reclassering, noem maar op. Het recidive-percentage lag rond de 65 procent en daar ligt het nu nog steeds."

En ineens werd u het mikpunt van agressie.

Geëmotioneerd: "Wat mij zo verschrikkelijk verbaasde, en nog steeds, is dat Nederland de reputatie heeft van een verdraagzaam land. Terwijl er toen dingen gebeurden die gewoon onvoorstelbaar zijn, alsof ik een gevaar voor de samenleving was. Tijdens mijn oratie stormde een groep jongeren met witte maskers en kettingen de aula in terwijl ze een rookbom voor zich uit gooiden. Ik had met de rector afgesproken dat we zouden stoppen als de orde werd verstoord. Maar eenmaal in de aula wenste ik absoluut niet af te druipen. Op zeker moment beklimt één jongen het spreekgestoelte. Ik sla een arm om hem heen en zeg: 'Zal ik je misschien even voorstellen?' Flauwe grap natuurlijk, hij had niet voor niets een masker op."

U was niet bang?

"Geen seconde. Wel bespringt me op dat soort momenten een koud gevoel, een toestand zonder emotie. Dat is iets wat ik van het kamp heb overgehouden. Ik heb als kind in een Jappenkamp gezeten. Als die activist iets had geflikt, ik zeg dat nu voor het eerst, dan had ik 'm in een halve Nelson (een klassieke greep uit het worstelen, red.) genomen."

Tegelijk regende het bommeldingen.

"Op een dag klopte de beheerder aan mijn deur. 'Professor u moet het gebouw uit, om 11.00 uur gaat er een bom af.' Ik zeg: 'Ik ben met een stuk bezig en wil het graag afmaken. Om 10.55 uur stortte de beheerder haast in van de stress en toen ben ik maar opgestapt. Er gebeurde nooit iets. Daarna, weet ik nog, belde er iemand tijdens een vergadering. Rond het middaguur zou ook weer een bom afgaan.' Ik zeg: 'Neem me niet kwalijk, ik zit in een vergadering. Kunt u vanmiddag misschien terugbellen?'"

Het had natuurlijk een keer kunnen knallen.

'Ik wil hier geen heldenverhaal van maken maar ik weigerde me te voegen. Na het kamp had ik me voorgenomen: niemand zal mij ooit mijn vrijheid afnemen. Wat ik daar mee heb gemaakt staat niet in verhouding met de latere incidenten. Ik was 10, 11... Maar ik wil het daar niet over hebben. Zelfs met mijn kinderen heb ik er nooit over gepraat, tot vorig jaar. Toen heb ik er wat over verteld."

Toch is het gebeurd: uw vrijheid als wetenschapper is u later ontnomen.

"Ja, in sterke mate. Ik was inmiddels hoogleraar en had een mooi onderzoek gepland. We zouden een paar honderd kinderen een jaar of twintig volgen. En ineens zette het ziekenhuis er een streep door. Een collega-hoogleraar had het bestuur ervan overtuigd dat de goede naam van het ziekenhuis in gevaar kwam als het zou samenwerken met 'die Buikhuisen'. Van de week dacht ik nog: verdorie, we zouden de proefpersonen nu dertig jaar hebben gevolgd. Wat een schat aan informatie zou dat zijn geweest."

Een van de belangrijkste critici, socioloog Cees Schuyt, verweet u dat u geen hypothese had, dat u lukraak op zoek ging naar verbanden.

"Dat was natuurlijk te gek voor woorden. Cees Schuyt is een sociolóóg. Omdat hij professor voor zijn naam heeft staan, dacht iedereen dat hij verstand had van de materie. Ik wil Schuyt niet te zeer... Het mooiste is dat hij me een aantal jaar geleden een brief stuurde waarin stond dat hij, ik parafraseer, weinig gelukkig was met wat hij destijds had gezegd. Ik geloof zelfs dat hij er spijt van had. Dat word je dan later geschreven maar ondertussen blijft zijn kritiek overal hangen."

In een uitzending van ‘Profiel’ heeft u ooit gezegd dat u harder met de vuist op tafel had moeten slaan.

“Ik ben van hot naar her gegaan. Ik zat in televisieprogramma’s en heb overal lezingen gehouden. Bevriende collega’s in het buitenland zeiden: ‘Hou er toch mee op, je kunt bij ons ook hoogleraar worden.’ Ik heb dat op principiële gronden niet gedaan, omdat ik dan de historie in zou gaan als de eerste hoogleraar die geweken was voor pressie. Dat leek me een verschrikkelijk precedent.”

Waarom dachten mensen dat u te kwader trouw was?

“Ik koos voor criminologie vanuit een bewogenheid, wilde iets doen voor delinquenten. Ik wist wat het betekende om gedetineerd te zijn, om beroofd te worden van je vrijheid, om van alles te ondergaan, afhankelijk te zijn van anderen, van hun nukken en grillen. Ik heb niets anders gedaan dan zoeken naar wegen om de positie van de delinquent te verbeteren. ”

Wat steekt u het meest als u terugkijkt?

"Tja, het klinkt misschien raar, maar er steekt me helemaal niets. Er zijn vreselijke dingen gebeurd maar voor mijn afscheidsrede in 1989 heb ik vriend en vijand uitgenodigd, ook de decaan van de juridische faculteit die me behoorlijk dwars heeft gezeten. Hij zei: 'Ik begrijp niet waarom je me hebt uitgenodigd.'"

Waarom deed u dat?

"Ik wilde geen negatieve gevoelens overhouden aan mijn Leidse periode. Ik wilde niet dat het de rest van mijn leven zou beïnvloeden. Dan ga je malen en was ik kapot gegaan. Ik heb toen een afscheidsrede gehouden die flonkerde, al zeg ik het zelf. Ik presenteerde onderzoek, dat ik wel had kunnen afronden, en legde uit waarom straffen bij chronisch delinquenten niet hielp."

U sloeg terug en wilde laten zien dat u gelijk had.

"Nee nee, er zat niks van rancune in. Ik heb dwarsliggers jaren later zelfs nog een hand gegeven. Ik zal u één ding zeggen: het belangrijkste mechanisme om iemand, tussen aanhalingstekens, uit te schakelen, is het onverwachte doen. Dat is een fantastisch neurobiologisch mechanisme. Stel, u komt thuis en ontdekt een dief. Wat u dan eigenlijk moet zeggen, is: 'Ha fijn, u bent zeker de loodgieter! Ik heb vanochtend nog gebeld, ze zouden inderdaad iemand sturen. Loopt u maar even mee naar de kraan.' Wat je dan doet is een ander referentiekader inbrengen. Dat is het geheim. De dief bevindt zich ineens in een andere rol en gaat zich anders gedragen. En dat gebeurde ook met collega's op het afscheid. Het is voor beide partijen bevrijdend. Als ik die collega later tegenkom, heb ik geen zin om met een boog om hem heen te lopen. Ik ben niet haatdragend, loer niet op een kans om ze te pakken, nee. Ik heb ook niet het gevoel dat ik in het reine moet komen met wie dan ook."

Terwijl zo goed als niemand van de collega’s u steunde.

"Ja, en het was eigenlijk zo eenvoudig. Een paar gezaghebbende hoogleraren die me van haver tot gort kenden, die bij de verdediging van mijn proefschrift waren geweest, die wisten wat voor iemand ik was... Als die nu waren opgestaan en publiekelijk hadden gezegd 'deze man wil biosociaal onderzoek doen en dat moet-ie gewoon mogen doen', dan had dat verschil gemaakt. Als wetenschapper moet je vrij zijn om je gedachten in de vorm van een hypothese te toetsen, het is het basisprincipe van een universiteit."

Waarom stonden die collega's niet op?

"Jaren later komt een Leidse hoogleraar in de pauze van een congres naar me toe en zegt: 'Ik wil iets aan u kwijt. In de vakgroep hebben we destijds gesproken over de vraag of we u openlijk zouden steunen. De conclusie luidde: nee, omdat we daarmee ons eigen onderzoek in gevaar brachten.' Met andere woorden, lafheid was mede bepalend voor de voortgang van de affaire. Ik zal niemand verwijten, al is het geen sterk punt, dat-ie voor zichzelf kiest, ik bedoel,  zelfbehoud is een normale trek van de mens. Maar ik neem het wel de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen kwalijk dat die niets deed."

Wat had de KNAW moeten doen?

"Dat was natuurlijk bij uitstek de organisatie die de vrijheid van wetenschap had moeten verdedigen. Ze had zich op de eerste plaats tot de politiek moeten wenden, want vergeet niet: er was in het parlement een uitgebreide discussie over mijn persoon. Ik heb dat een kwartier aangehoord en hield het toen niet meer vol. De teneur was: die man moet ontslagen worden, het biosociaal onderzoek moet verboden worden, dat soort verhalen. Ik had weinig vrienden in die tijd. En zelfs mensen van wie ik dacht dat ze mijn vriend waren, collega-criminologen, hebben anoniem columnist Piet Grijs geïnformeerd over mijn persoon. Dat heeft een redacteur van Vrij Nederland mij later verteld."

Deed de KNAW dan helemaal niets?

"Ik ben destijds bij het bestuur op bezoek geweest. Ze zaten allemaal tegenover me aan een tafel. De reactie was: we zullen eens bezien of we volgend jaar misschien een symposium over ethiek kunnen beleggen.”

Zou u willen dat de KNAW alsnog verklaart dat ze toen steken heeft laten vallen?

“Ja, ik vind dat men daar over moet nadenken. Het zou mij enorm veel goed doen als men zou erkennen dat de KNAW toen tekort is geschoten. Waarom? Omdat het een vorm van garantie zou zijn dat het in de toekomst niet meer gebeurt. Want na mij zijn er nog meer gevallen geweest hè. Denk aan Dick Swaab met zijn homo-onderzoek (in 1989 had Swaab in de hersenen biologische kenmerken gevonden van homoseksualiteit, red.). Hij heeft daarna onder politiebegeleiding college gegeven. Ik viel van mijn stoel toen ik het hoorde. Ook de Nijmeegse prof. Brunner, de ontdekker van een agressie bevorderend gen, zei ooit in de Volkskrant dat hij bang was voor een Buikhuisense rel en vreesde voor zijn carrière. Dat zou allemaal niet gebeurd zijn als de KNAW destijds stelling had genomen.”

En dan zou Piet Grijs ook nooit zoveel ruimte hebben gekregen.

“Dan had hij van zijn  levensdagen niet zoveel gehoor gevonden. Ik heb me overigens nooit principieel over hem uitgelaten. Hij was niet interessant, niet deskundig. Ik wil hem ook nu niet te veel aandacht geven.”

Hij was niet deskundig maar wel agressief.

“Ik heb één keer gereageerd, op zijn tiende column. Mijn dochter zei op een dag: ‘Wat is dat toch met die Piet Grijs? Op school hebben ze het er steeds over.’ In die column betichtte hij me van een gebrek aan persoonlijke en wetenschappelijke integriteit omdat ik de nazi-criminoloog Franz Exner kritiekloos had aangehaald. Ik heb toen een ingezonden stuk gestuurd. Ik schreef dat ik uit vrije wil ontslag zou nemen als hij één citaat kon laten zien. Wat schreef hij een week later? ‘Dat ga ik niet uitzoeken.’”

U bleef wel geabonneerd op Vrij Nederland.

“Ja, opzeggen moet je niet doen. Dat is zo’n pover gebaar. Alleen zijn columns sloeg ik over.”

KNAW nodigt Buikhuisen uit om te praten

Had de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen zich moeten mengen in de affaire Buikhuisen en de vrijheid van wetenschappen moeten verdedigen? “De KNAW bemoeit zich niet met individuele zaken, dat is in eerste instantie aan de werkgever, in casu de Universiteit Leiden”, zegt de huidige president Hans Clevers. “Het is bovendien niet aan het huidige bestuur om keuzes van dertig jaar geleden te corrigeren.”

Wel meent Clevers dat de KNAW van toen niet dezelfde is als die van nu. “Als er op dit moment een vergelijkbare affaire zou spelen, ik moet voorzichtig zijn, dan zouden we in dit tijdsgewricht wel degelijk een standpunt innemen. Tenminste, als het een wetenschapper betreft die aan de KNAW is verbonden. Ik heb dat een tijd geleden gedaan rond de kwestie van zelfplagiaat. Ik vond dat de kritiek op Nijkamp begon te lijken op een heksenjacht.”

Toch wil Clevers Buikhuisen tegemoet komen. “Ik kan de stukken nog eens laten opzoeken en met hem om de tafel gaan zitten. Dan wil ik persoonlijk wel een uitspraak doen over hoe de KNAW dat nu zou aanpakken.”

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)