Back to list All Articles Archives Search RSS Terug naar lijst Alle artikelen Archieven Zoek RSS

Oratie Maaike Meijer: “We hebben kunst nodig om het leven te verdragen”

Oratie Maaike Meijer: “We hebben kunst nodig om het leven te verdragen”

Photographer:Fotograaf: Loraine Bodewes

MAASTRICHT. Waarom is de biografie opeens salonfähig geworden, vraagt prof. Maaike Meijer zich af in haar afscheidsrede. Vijfentwintig jaar geleden was het schrijven van een biografie nog vooral iets voor journalisten of schrijvers, maar sinds enige tijd vinden ook wetenschappers het meer dan de moeite waard om zich te buigen over leven en werk van kunstenaars.

Nee, ze gaat niet echt weg, maar de band met de Universiteit Maastricht wordt door haar emeritaat wel veel losser. Maaike Meijer begeleidt nog acht promovendi, doet samen met Maastrichtse wetenschappers onderzoek naar het “fenomeen André Rieu” en is begonnen aan een biografie over de dichteres Fritzi Harmsen van Beek.

In 2011 verscheen al haar biografie over een van Nederlands beroemdste dichteressen van de vorige eeuw, Vasalis. Ook collega-wetenschappers als Wiel Kusters en Jos Perry waagden zich met succes aan dit genre. Dat de biografie in de lift zit, heeft met meerdere zaken te maken, volgens Meijer. Onder andere de grote aandacht voor human interest in de media en het bijbehorende voyeurisme. Maar ook de opkomst van het autobiografisch schrijven speelt een rol. “Dat gaat zo ver dat het bijna de norm is geworden. Neem de nieuwe roman van Stefan Hertmans, Oorlog en Terpentijn. Die is, zo zegt Hertmans, gebaseerd op dagboeken van zijn grootvader van voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog. Steeds opnieuw moet Hertmans zich nu verantwoorden: laat die dagboeken eens zien, waar staat dat? Men wil het ‘letterlijke’ in het kunstwerk vinden, maar kunst is altijd een transformatie, het is nooit een spiegel van het leven.”

Hier belanden we op een cruciaal punt, volgens Meijer. “Doet de biograaf hier aan mee? Stelt die de kunst centraal of ligt de focus meer op sappige human interest verhalen over de auteur?” Wie dit laatste doet, “laat de kunst ondersneeuwen en schrijft een journalistiek verhaal”, oordeelt Meijer. Als voorbeeld noemt ze Jagtlust van Annejet van der Zijl; een boek over Fritzi Harmsen van Beek die in haar vervallen Gooise landgoed Jagtlust in de jaren vijftig en zestig talloze kunstenaars, dichters en journalisten ontving. “Het is een leuk boek, maar het gaat niet over kunst. Als er al een gedicht wordt geciteerd, functioneert dat als illustratie, als spiegel van de werkelijkheid.”

Wie zich vooral richt op het levensverhaal van de schrijver of dichter “mist de kans om te ontdekken wat iemand met kunst doet. Kunst komt voort uit het leven maar ontsnapt er ook aan omdat het veel groter is dan de kunstenaar. Neem de gedichten van Anna Enquist over haar verloren dochter. Een biograaf moet niet naar haar leven met haar verloren dochter vragen, maar proberen te achterhalen hoe zij daar kunst van maakt. Dan kom je ook heel dicht bij het punt waarom die gedichten zo troostrijk zijn voor mensen die zelf een kind hebben verloren. Hun verdriet is vormeloos en eindeloos, maar een gedicht heeft vorm en is eindig. Je wordt gered door de kunst. We hebben de kunst om het leven te verdragen.”

De meeste kunstenaars hebben een obsessie, er is iets in hun psyche dat schuurt, dat ergens op haakt en daar komt de kunst uit voort. De biograaf moet daar naar op zoek. Willem-Jan Otterspeer, die een biografie over W.F. Hermans schreef, heeft goed gezocht, vertelt Meijer, al had hij nog dieper mogen graven. “Otterspeer haalt een brief aan waarin Hermans schrijft dat hij als jongeman enorm liefdesverdriet had, maar daar niet over kon rouwen. Zijn werk komt voort uit die mislukte rouw. Hij kan niet voelen en gaat daarom observeren. De verteller in zijn romans heeft een ijskoude blik, is onbarmhartig en hard.”

Wim Hazeus biografie over Gerrit Achterberg is heel wat minder geslaagd: “Achterberg vermoordt zijn hospita als hij in de dertig is, maar Hazeu weigert deze daad in verband te brengen met zijn werk. Het gaat dan ook niet om die ene daad, maar om het patroon: als jongen was hij al geobsedeerd door geweld tegen vrouwen. Hij had dat niet onder controle, tot hij het dichterschap ontdekte. Hij merkte dat hij in zijn gedichten de macht had om een vrouw te doden en weer tot leven te brengen. Zijn pathologie vindt een uitweg in het dichterschap en excuseert hem ook. Je doet geen recht aan de kunst en de man als je dit niet uitzoekt.”

 

 

 

Afscheidsrede ‘M’n hart stond van stocht bijna stil!” (F. Harmsen van Beek). Dichters en hun biografen’ van prof. Maaike Meijer: vrijdag 13 juni 2014 om 14.00 uur, aula Minderbroedersberg 4-6

Categories:Categorieën:

CommentsReacties

There are currently no comments.Er zijn geen reacties.

Post a Comment

Laat een reactie achter

Door een reactie te plaatsen gaat u akkoord met de verwerking van de ingevulde gegevens door Observant.
Voor meer informatie: Privacyverklaring
By responding, you agree to send the entered data to Observant.
For more info: Privacy statement

Naam (verplicht)

E-mail (verplicht)